Eerste hulp-arts wordt een echt beroep

Steeds meer mensen gaan naar de eerstehulp in ziekenhuizen. Daar wacht de `jongste bediende' hen op. Fouten zijn het onvermijdelijk gevolg. De nieuwe eerstehulp-arts moet uitkomst bieden.

,,Alsjeblieft dokter, we hebben `m net uit de gracht gevist'', zegt één van de mannen van de ambulancedienst tegen Jolande Elshove. ,,We kregen een telefoontje, omstanders zagen hem in de Keizersgracht springen. Zal wel een geflipte gebruiker zijn die te veel innam.''

Het is woensdagavond, kwart voor zeven en op de eerstehulp in het Onze-Lieve-Vrouwegasthuis ligt een bleke man met fijn gesneden gelaatstrekken verfrommeld op een brancard.

De verpleegkundige pelt op Jolande's aanwijzingen de man de kleren van het lijf. Ze kijkt al een paar minuten onafgebroken naar de drenkeling, naar zijn gezicht en naar de binnenkant van zijn naakte armen en benen. ,,Hm, ik geloof die theorie niet, dat hij een junk is'', zegt ze, meer tegen zichzelf dan tegen de ambulancemannen.

Iedereen wacht tot Jolande nieuwe aanwijzingen geeft. Volgende maand studeert ze af als eerstehulparts (officieel: spoedeisendehulparts), de tweede van Nederland. In de praktijk heeft ze al de leiding op de eerstehulp. Zij bekijkt alle patiënten die binnenkomen en zij beslist wat er moet gebeuren. Jolande heeft een nieuw beroep, bedacht door zestien ziekenhuizen, de samenwerkende topklinische opleidingsziekenhuizen (STZ). Die vinden dat de eerstehulp beter moet en besloten twee weken geleden dat ze alle zestien eerstehulpartsen gaan opleiden. Een paar ziekenhuizen deden dit al, als proef.

Jolande loopt naar de telefoon en draait een nummer. ,,Kun je het zuurstof- en koolzuurgehalte meten? Dan laat ik bloed afnemen. Ja, uit de slagader.'' Ze heeft een theorie waarom de bleke man op de brancard zo verward is dat hij in de gracht sprong. Het laboratorium gaat twee bloedtesten doen, als de uitslag er is, weet ze of haar theorie klopt. De thermometer geeft 35,6 graden aan, de drenkeling is enkele graden opgewarmd met heteluchtkussens.

Volgens Huib van Dis, directeur van STZ, zijn artsen zoals Jolande noodzakelijk omdat het risico op een foute diagnose te hoog is op de eerstehulp. Hoger dan op elke andere afdeling in het ziekenhuis. Hoeveel patiënten de dupe worden van een onjuiste diagnose of behandeling, weten de ziekenhuizen niet. Daar is nooit onderzoek naar gedaan. Maar afgelopen zomer sloeg J.H. Kingma, hoogste baas bij de Inspectie voor de gezondheidszorg, al alarm. Jaarlijks zouden ten minste twee à drieduizend patiënten in ziekenhuizen onnodig door fouten overlijden. Hij noemde de eerstehulp niet met name. Maar gezien de eensgezindheid waarmee de ziekenhuizen de eerstehulp de meest risicovolle plek noemen, ligt voor de hand dat Kingma daar ook op doelde.Het verbaast de ziekenhuizen niet dat patiënten de meeste risico's lopen op de eerstehulp. ,,Het meeste werk daar wordt gedaan door de `jongste bedienden' in huis'', zegt Miriam Fritschy, manager eerstehulp in het Onze-Lieve-Vrouwe. ,,Door onervaren arts-assistenten, die nog in opleiding zijn.'' Hun stage eerstehulp duurt soms een jaar, meestal een paar maanden. Tegen de tijd dat een arts-assistent zijn draai vindt, zegt Ingrid Coene, vicevoorzitter van de vereniging spoedeisende hulp verpleegkundigen (NVSHV), moet hij of zij alweer weg.

Nederland begint laat met het opleiden van eerstehulpartsen: in onder meer Amerika, Engeland en België bestaat deze al veel langer. Aanleiding voor het initatiatief is dat er pas nu zoveel méér mensen de laatste tijd een beroep doen op de eerstehulp.

,,Aha, zuur bloed, ik wíst het!'', roept Jolande. De uitkomst van het bloedonderzoek is binnen. ,,Het leek zo eenvoudig'', zegt ze. ,,En een arts-assistent had waarschijnlijk de diagnose van de ambulancemannen, dat de man een junk was, overgenomen''. Of hij was ,,in het wilde weg'' testen gaan bestellen.

Dat snapt ze wel, toen ze zelf arts-assistent chirurgie was, maakte ze van elke verstuikte enkel een foto. Onervaren artsen, zeggen de 16 ziekenhuizen, bestellen veel vaker röntgenfoto's en extra testen. Die zijn vaak niet alleen overbodig, het betekent ook dat de patiënt lang moet wachten voor er een diagnose wordt gesteld en de behandeling kan beginnen. De conditie van de patiënt laat die vertraging soms niet toe. Het stijgende aantal bezoekers op eerstehulpposten evenmin. Ook in het Onze-Lieve-Vrouwe steeg dit, van 34.000 in 1991 naar ruim 43.000 in 2001.

Jolande geloofde het verhaal van de ambulancemannen niet. Vanwege de bruine, gladleren jas van de man en vanwege de dure zolen onder zijn schoenen. In de holtes van zijn armen en benen zag ze nergens sporen van injectienaalden en zijn huid was gaaf. ,,Dat is raar voor een junk.'' Ze heeft niet voor niets tijdens haar driejarige opleiding tot eerstehulparts lange stages gelopen bij interne geneeskunde en de andere specialismes, zegt ze. En cursussen gevolgd over de opvang van traumapatiënten. Dan leer je wel om met de ogen van tien specialisten naar een patiënt te kijken. Een arts-assistent chirurgie kan alleen kijken met de ogen van een chirurg.

Het schoot Jolande te binnen dat je ook verward kan raken als je stofwisseling van slag is. ,,Dat kan gebeuren als je een verwaarloosde infectie hebt. Of dat zo is, weet je alleen als je bloedtesten laat doen met slagaderbloed, met bloed uit een `gewone' ader lukt het niet.'' Je moet weten wat je zoekt, zegt Jolande. De kans is klein dat je toevallig een infectie vindt.

Jolande's werk voor de drenkeling zit erop. De drenkeling moet nu naar boven, legt ze uit, naar interne geneeskunde. Daar zoekt een internist uit welke infectieziekte hij heeft en wat we eraan kunnen doen. Ze gaat nog één keer naar de man toe, om te vertellen dat hij opgenomen moet worden. Makkelijk gaat het niet, de man spreekt geen Nederlands. Toch begrijpt iedereen uit zijn reactie dat hij niet opgenomen wil worden. Hij wil naar huis en hij wil roken. En dat mag hij niet.

Het is tijd voor `eenvoudige' patiënten. Voor het jongetje met de witte haren, die volgens zijn moeder ,,al weken hoest en af en toe suffig is.'' Ze wil antibiotica. Jolande onderzoekt zijn longen, klopt het jongetje op zijn rug en zijn zij. Niets aan de hand, zegt ze.

Eigenlijk horen zulke klachten thuis bij de huisarts, maar driekwart van de mensen die langskomt op de eerstehulp, heeft niet-spoedeisende klachten. Jolande vindt dat niet erg, in Amsterdam hebben veel mensen geen huisarts. Als iemand ongerust is, mag hij gerust langskomen. Maar voor de drenkeling werd Jolande eerstehulparts. ,,Al die verkoudheidjes zijn prima, als ik af en toe maar even detective mag zijn.''