Dromen van de explosie

De Raster-redactie heeft iets met meneren – de meneer als literair type wel te verstaan. Ruim een jaar geleden publiceerde Nicolaas Matsier, inmiddels redacteur af, Meneer Kortom kijkt uit het raam, en zeer onlangs is van Jacq Vogelaar Taats onder mannen verschenen, een omvangrijke bundel alfabetisch gerangschikte schetsen rondom een tamelijk ongrijpbaar heerschap dat Taats wordt genoemd. Beide heren komen niet uit de lucht vallen, want Raster heeft tot twee keer toe een nummer aan het merkwaardige sub-genre van de meneer-verhalen gewijd.

Het prototype werd gelanceerd door Paul Valéry in La soirée de Monsieur Teste (1894) en sindsdien hebben tal van schrijvers zijn voorbeeld gevolgd. We danken er typen aan als Plume (Michaux), Herr Keuner (Brecht), Pan Cogito (Herbert) en vele anderen. In Nederland was, voor zover ik weet, Harry Mulisch de eerste die het genre beoefende; hij bedacht de heer Tiennoppen, uit wiens leven in Het mirakel (1955) zeventien `episodes van troost en liederlijkheid' worden verhaald. Maar bij Raster zijn ze niet zo dol op Mulisch, dus zijn naam ontbreekt in de beide meneer-nummers van het tijdschrift.

Dat laatste geldt niet voor Meneer Songe, een bedenksel van de Franse nouveau-romancier Robert Pinget. Van zijn bundel Monsieur Songe (1982), die al eens vertaald en wel in Raster stond, is nu een nieuwe Nederlandse versie verschenen, waaruit de aantrekkelijkheid van het genre heel goed naar voren komt. Voor Pinget was het schrijven van deze verhalen een `divertimento'. En inderdaad, het plezier spat er vanaf. Ook voor de lezer, die zijn hart kan ophalen aan de even pietluttige als potsierlijke beslommeringen van deze gepensioneerde zonderling.

`Liefdevol voor frasen, liefdeloos voor mensen' is meneer Songe in de ogen van zijn huishoudster Sosie, met wie hij zich in de Midi heeft teruggetrokken. Af en toe krijgt hij bezoek van zijn nichtje Siso, die hem een hart onder de riem steekt, en zo gaan zijn dagen kabbelend voorbij, terwijl hij zich bezighoudt met `kleine schrijfoefeningen', die in zijn eigen ogen de `legitimiteit van zijn bestaan' vormen.

Literair tot en met, dat is Pingets meneer Songe, en hetzelfde geldt voor veel andere van die geschreven meneren. Ze bestaan vooral uit woorden, zonder als conventionele romanpersonages een echt leven voor te wenden. De schrijver lijkt even vrijaf te hebben genomen. Zonder zich te bekommeren om plot of psychologie richt hij zich op een paar momentopnames, vaak grotesk en een tikkeltje absurd, waarin het door hem bedachte meneertje zijn eigenwijze gang kan gaan. De miniatuur is de vorm die het best bij dit luchtige genre past.

Nu is luchtigheid niet het eerste waar je bij de naam Vogelaar aan denkt. Zijn bundel Taats onder mannen (waarin overigens ook een Sosie voorkomt) verschilt nogal van de charmante verhalen en verhaaltjes van Pinget. Taats doet eerder denken aan Valéry's Meneer Teste, die overbewuste `demon van de mogelijkheid'. Een `man van de geest' wordt Taats genoemd, al staat er meteen bij dat hij `niet bijster gesteld [is] op gedachten en al helemaal niet op gedachten die een eigen leven leiden'. Met deze paradox lijkt Vogelaar te willen aangeven dat zijn Taats de dingen liefst zo veel mogelijk open houdt. In Taats gaat een fantasievolle anarchist schuil, of zoals het ergens fraai wordt genoemd: `een granaat die droomt van zijn explosie'.

Dromen, dagdromen, herinneringen, verlangens – daaruit lijkt hij vooral te zijn opgebouwd. Onder geen enkel hoedje laat hij zich vangen. Maar zijn eigen baas is hij evenmin. Met de `strohalm van de ziel' wil hij korte metten maken. Een vastomlijnd ego kan hij makkelijk missen, dit `proefkonijn' dat in de loop van de bundel de meest diverse gedaanten aanneemt. We komen hem tegen als `koorddanser' in het circus en vervolgens als `trapezewerker', hij doet dienst als `wegwijzer' die het verkeer regelt. Als `eenspersoonsfamilie' bezoekt hij een familiehotel in de Vogezen, en in weer een ander verhaal probeert hij de wereld te bezien door de ogen van een `uitsmijter'. Hij is soms haast `onzichtbaar' en dan weer the man in the crowd. Met een klein gezelschap dwaalt hij – op zoek naar het AMC – door de Bijlmer, nadat de metro het heeft laten afweten, en hij misdraagt zich met een vriend in een restaurant. Hij heeft een hekel aan de `ivoren toren', maar een pilaar in de woestijn, dat lijkt hem wel wat.

Zo gaat het maar door, en je vraagt je af wat het allemaal te betekenen kan hebben. Totdat je in een van de latere teksten leest over Taats' `geïmproviseerde bestaan', dat weliswaar geen `orde' kent, maar waarin wel degelijk een `patroon' zou zijn te bespeuren door `iemand die er oog voor heeft, iemand met een ruitjesoog of een rasterblik'. Wie de knipoog in dit laatste woord opvangt, begint het te dagen: Taats is in de eerste plaats een poëticaal personage, hij belichaamt het hart van de literatuur zoals Vogelaar die ziet.

De verhalen waarin hij figureert hebben iets van een schrijversdagboek, of liever: ze lijken op de kladblaadjes die een auteur tussen het echte werk door volkrabbelt. Blaadjes vol losse vondsten, invallen, associaties, opwellingen, die even de gelegenheid krijgen zich te ontplooien. De naam Taats, in wezen een lege vorm, staat voor de plek waar een en ander kan gebeuren.

In navolging van Pinget zou je dat een `divertimento' kunnen noemen, maar Vogelaar zal liever van `oefeningen' spreken, net als in de bundel Verdwijningen (1989), die eindigt met de tekst waarmee deze nieuwe bundel begint. `Oefenen is mijn lust en mijn leven', zegt Taats niet voor niets. Tegen de `zwartkijkers', `rationalisten' en `crapaudpessimisten' en anders dan de eenduidige `mannen' die hij tegen het lijf loopt, demonstreert hij de permanente beschikbaarheid van de verbeelding voor het onbewaakte moment. Dat maakt deze verhalen sympathiek, al zijn het er wel erg veel en al zijn ze soms zo raadselachtig, dat elke poging om ze te begrijpen spaak loopt.

Misschien moet je dat ook niet al te serieus proberen. Taats onder mannen is vooral een boek om in te bladeren en je dan, zonder diepe bijgedachten, te laten verrassen door het vaak ondoorgrondelijke `gejongleer' en `gegoochel' dat Vogelaar op papier ten beste geeft.

Jacq Vogelaar: Taats onder mannen. De Bezige Bij. 286 blz. €18,11

Robert Pinget: Meneer Songe. Uit het Frans vertaald door Maaike van den Hoek. IJzer. 119 blz. €14,75

Nederlandse literatuur