De wereld is een winkelcentrum

Rem Koolhaas is door zijn boeken, meer dan door zijn gebouwen, uitgegroeid tot de invloedrijkste architect van zijn generatie. In twee nieuwe boeken buigt hij zich samen met zijn studenten over nieuwe steden in China en de opmars van het winkelen.

Wie de architect Rem Koolhaas belt, krijgt nooit de oprichter van het Office for Metropolitan Architecture zelf aan de lijn, maar meestal iemand die wel precies zo spreekt. Het is een wonderlijke ervaring om dezelfde ietwat aarzelende dictie te horen, dezelfde vlakke toon en dezelfde klanken, waarvan de `r' sprekend op een `g' lijkt.

De spraakimitatie is de zoveelste indicatie van Koolhaas' goeroeachtige status. Koolhaas (57) is nu de invloedrijkste architect van de wereld. Veel jonge architecten zijn zozeer door zijn opvattingen, methodes en ideeën beïnvloed, dat kan worden gesproken van een jonge generatie Koolhasianen. Zelfs oudere architecten, onder wie de nu 70-jarige Herman Hertzberger, hebben bekend dat ze onder invloed van Koolhaas anders zijn gaan ontwerpen. Overal waar Koolhaas lezingen geeft, puilen de zalen uit en critici sidderen voor zijn boutades.

Soms wordt zelfs in messiaanse termen over Koolhaas gesproken. Nadat hij onlangs de opdracht kreeg voor de grootscheepse verbouwing van het Los Angeles County Museum of Art (LACMA), noemde museumdirectrice Andrea Rich hem `de redder van de musea'.

Koolhaas is, zoals het een messias betaamt, jenseits der Kritik. Toen Het Parool de Groningse architectuurhistoricus Ed Taverne onlangs voorzichtig voorhield dat Koolhaas' Kunsthal in Rotterdam toch een beetje een onhandig gebouw was, kreeg de krant als antwoord dat functionaliteit van geen enkel belang was bij de beoordeling van Koolhaas' werk. ,,Ik vind de discussie in Nederland over publieksvriendelijkheid en lekkende gebouwen van zo'n laag niveau', zei Taverne vertoornd. ,,Het is hetzelfde wanneer je de poëzie van Gerrit Komrij beoordeelt op het aantal drukfouten in zijn bundel, werkelijk waanzin.'

De tijd dat Koolhaas' ontwerpen zelden of nooit werden uitgevoerd, ligt in het verleden. Tegenwoordig is Koolhaas de koning Midas van de architectuur: alles wat hij aanraakt, wordt goud. Dat is ook het geval te zijn met de recente Great Leap Forward en Harvard Design School Guide To Shopping. Als Koolhaas-boeken liggen ze in hoge stapels in de winkels, maar wie ze leest, komt heel weinig teksten van Koolhaas zelf tegen en heel veel van studenten aan de Harvard School of Design in Boston waar Koolhaas doceert.

Bouwwoede

Great Leap Forward en Harvard Design School Guide to Shopping zijn de eerste twee afleveringen van vermoedelijk een vierdelige serie als onderdeel van `the project on the city, formerly known as the project for what used to be the city'. Dit project is een onderzoek van Koolhaas en zijn studenten `naar de effecten van de modernisering op de stedelijke hoedanigheid'. Volgens Koolhaas zijn steden in traditionele zin – een centrum met buitenwijken – achterhaalde verschijnselen in deze mondialiserende wereld. Vooral in Azië heeft een ongekende bouwwoede de laatste decennia geresulteerd in steden die in niets lijken op traditionele steden.

Omdat kennis over de totstandkoming van deze nieuwe Aziatische steden vrijwel ontbreekt, trok Koolhaas in 1996 met zijn Harvard-studenten naar de Parel Rivier Delta, waar zich nabij Hongkong twee vrije economische zones in het nog altijd communistische China bevinden. In een duizelingwekkend tempo hebben deze tot 1980 vrijwel lege gebieden zich ontwikkeld: in 2020 zullen hier 34 miljoen mensen wonen, schrijft Koolhaas in het voorwoord van Great Leap Forward. Shopping, het tweede deel van het `project on the city', is het resultaat van het onderzoek dat hij in Amerika, Europa en Azië deed naar het fenomeen winkelen.

Koolhaas en zijn studenten richten hun aandacht op steeds een ander verschijnsel van de voortgaande modernisering van de wereld. Er staan verder nog boeken op stapel over Lagos, de grootste en meest chaotische stad van Nigeria die op een wonderlijke manier toch functioneert, en, heel verrassend, over de antieke Romeinse steden als `een vroege versie van modernisering'.

Shopping en A Great Leap Forward – maar liefst 800 bladzijden elk – passen in de trend van architectuurbakstenen met veel plaatjes, foto's, statistieken en ook veel tekst. Het was – hoe kan het anders – Koolhaas die deze mode in 1995 introduceerde met het vuistdikke SMLXL, 1.340 bladzijden over zijn eigen werk.

Hoewel Koolhaas nu een behoorlijk oeuvre aan gebouwen op zijn naam heeft staan,moet de oorsprong van zijn goeroeschap nog steeds worden gezocht in zijn boeken en lezingen. Zijn gebouwen, veelal combinaties van strenge, eenvoudige exterieurs en ingenieuze, complexe interieurs, zijn wisselend van kwaliteit. Ze variëren van de door critici bejubelde, maar door gebruikers vervloekte Kunsthal tot het middelmatige Byzantium, het woongebouw bij het Amsterdamse Vondelpark waar ook Koolhaas zelf liever over zwijgt.

Vuurwerk

In zijn geschriften, vol verbaal vuurwerk, onverwachte vergelijkingen en memorabele oneliners, toont Koolhaas zich een ziener/filosoof, die weet hoe de toekomst van de wereld eruit ziet. Deze hoedanigheid maakt hem tot de enige ware erfgenaam van de Nieuwe Bouwers van de jaren twintig en dertig, die de nieuwe moderne wereld ook konden uittekenen. Niet toevallig was Koolhaas vroeg in zijn loopbaan een bewonderaar van Russische constructivisten als Ivan Leonidov. De Russen waren in de jaren twintig de radicaalste Nieuwe Bouwers en zagen hun gebouwen als `sociale condensatoren' waarin de nieuwe, socialistische mens zou worden gevormd.

Koolhaas als erfgenaam van de historische avantgardisten maakt hem ook zo aantrekkelijk voor zijn collega-architecten. Vooral Nederlandse vakgenoten hebben zich tot voor kort vrijwel uitsluitend laten inspireren door oude avant-gardisten als Le Corbusier, Walter Gropius en J.J.P. Oud. Zij wilden met hun werk een bijdrage leveren aan een betere, gemoderniseerde wereld. Maar na de opkomst van het postmodernisme en zeker na de ondergang van het communisme in Oost-Europa gelooft geen architect meer in het vermogen om met architectuur betere mensen te creëren. Koolhaas evenmin, maar toch gaan zijn ambities verder dan het ontwerpen van goede, deugdelijke of mooie gebouwen. Met zijn architectonische en stedebouwkundige ontwerpen wil Koolhaas ruimte bieden aan de ontwikkelingen die hij in zijn sociologische analyses vaststelt. Zo geeft hij, net als de historische avant-gardisten, toch weer vorm aan de nieuwe wereld en laat hij zien dat een architect ook in een postmoderne wereld verreikende ambities kan hebben.

Maar er is een wezenlijk verschil tussen Koolhaas en de oude avantgarde:Koolhaas staat niet kritisch tegenover de bestaande wereld. Was de nieuwe wereld van de oude avantgarde een breuk met de bestaande, Koolhaas' nieuwe wereld is een extrapolatie van de bestaande. Ook Koolhaas voelt zich daarin wel eens onbehaaglijk. Zo noemt hij in Shopping de eindeloze, wezenloze ruimtes van de overdekte winkelcentra junkspace. `Junkspace is alsof je bent veroordeeld tot een voortdurende jacuzzi met een miljoen van je beste vrienden', schrijft hij. Maar dit is voor hem geen reden om deze onprettige verschijnselen daadwerkelijk te bestrijden. Hij stelt vast dat de mondialisering onvermijdelijk junkspaces voortbrengt en laat het daarbij. Anders dan H.J.A. Hofland, die in zijn artikelen met toenemende weerzin vaststelt dat de westerse wereld in de jaren negentig een pervers consumentenparadijs is geworden, schikt de `dirty realist' Koolhaas zich zonder veel commentaar naar de bestaande en komende wereld. Als het even kan, versterkt hij zelfs met zijn werk de ontwikkelingen die hij waarneemt. Zo ging hij zonder schroom in zee met Prada, het multinationale kledingconcern waarvoor hij niet alleen grote winkels ontwerpt, maar ook als adviseur inzake branding en de website optreedt. Deze meegaande houding maakt Koolhaas tot een avant-gardist zonder idealen, een neo-modernist die zich heeft bevrijd van de verstikkende, paternalistische dogma's van de oude modernisten.

Great Leap Forward en Shopping zijn niet allebei even geslaagd. Het lezen van Great Leap Forward is zonder meer een kwelling. Hier geldt `more is a bore': wie het uit heeft, legt deze pil van de oeverloosheid opgelucht en uitgeput terzijde. Het is weliswaar Koolhaas' verdienste dat hij het opzienbarende karakter van de nieuwe Chinese steden heeft onderkend, maar voor wie zijn lezingen over dit onderwerp heeft gehoord of gelezen, is het boek teleurstellend. Koolhaas heeft namelijk zelf nauwelijks iets voor Great Leap Forward geschreven, en de artikelen van zijn Harvard-studenten hebben nog het meest weg van lange ongeredigeerde scripties. Bovendien lijkt het boek al achterhaald. Als de Chinese steden zich werkelijk zo razendsnel ontwikkelen als in Great Leap Forward beschreven, dan hebben Shenzhen, Dongguan, Zhuhai en Guangzhou sinds 1996, het jaar van onderzoek, waarschijnlijk opnieuw een metamorfose ondergaan.

Verder blijft onduidelijk wat Koolhaas en zijn studenten nu precies met al die informatie willen beweren. In zijn lezingen heeft Koolhaas herhaaldelijk gezegd dat de toekomst van de stedenbouw in China en andere Aziatische landen zichtbaar was. Daar ontstond zonder veel planning in een verbijsterend tempo een nieuw soort steden, zo hield hij zijn gehoor telkens voor. Maar verrassend genoeg leken ze wel sprekend op het wolkenkrabberwoud van de Parijse zakenwijk La Défense, die juist wèl zorgvuldig gepland was. Houd op met plannen, het maakt toch niet uit in deze nieuwe mondiale wereld, was Koolhaas' boodschap.

In Great Leap Forward lijkt Koolhaas hierop terug te komen. In zijn korte voorwoord – het enige stukje in het boek dat Koolhaas zelf schreef – schildert hij de nieuwe Chinese steden in de Parel Rivier Delta niet meer af als het onvermijdelijke gevolg van de mondialisering, maar als het resultaat van de unieke combinatie van Chinees communisme en wildwestkapitalisme. De complexe Chinese steden zijn `het resultaat van een op unieke wijze getransformeerde politieke omgeving', zo valt nu te lezen op het schutblad van Great Leap Forward. Ze vormen een `geheel nieuwe stedelijke substantie', tot stand gekomen in `de laboratoria voor de gecombineerde experimenten van communisme en kapitalisme'.

Pretpark

Shopping lijdt veel minder aan onduidelijkheid. Het laat zien hoe winkelen de hele wereld en ons dagelijks leven verovert. `Winkelen is vermoedelijk de laatst overgebleven vorm van openbare activiteit', is de dreunende eerste zin van het boek. `Winkelen (heeft) bijna elk aspect van het stedelijke leven geïnfiltreerd, gekoloniseerd en zelfs vervangen. Binnensteden, voorsteden, straten, en nu luchthavens, spoorwegstations, musea, ziekenhuizen, scholen, internet en militaire bases worden gevormd door deze mechanismen en ruimten van shopping.'

Koolhaas en de zijnen zijn niet de eersten die vaststellen dat de komst van steeds meer en grotere conglomeraten van winkels, bioscopen en restaurants het westen doen lijken op één groot pretpark. Deze diagnose is ook te vinden in de antiglobaliseringsbijbel No Logo van Naomi Klein. En eerder beschreef de socioloog John Hannigan hetzelfde in zijn Fantasy City. Maar Koolhaas en zijn studenten zijn wel de eersten die alle technische, economische, sociologische en artistieke aspecten van het verschijnsel behandelen. Eerst moeten statistieken ons ervan overtuigen dat het waar is wat Koolhaas en zijn studenten beweren. Vervolgens wordt elk onderdeel van het winkelen beschreven en geanalyseerd: de geschiedenis, van de antieke Griekse agora tot de huidige shopping malls; de airconditioning die enorme gesloten winkelcentra mogelijk maakte; de gevolgen van de barcode voor het winkelen; de muzak die het winkelen begeleidt; het Japanse warenhuis; de pretparken van Disney; het belang van de roltrap in warenhuizen; het winkelen als ecosysyeem; e-commerce; de uitvinder van de shopping mall Victor Gruen; de winkels van beroemde architecten als Frank Gehry; de koning van de vermaaks- en winkelarchitectuur Jon Jerde.

In hun enthousiasme overdrijven Koolhaas en zijn studenten af en toe. Het feit dat een groot, in onbruik geraakt warenhuis op Wilshire Boulevard in Los Angeles nu onderdak biedt aan een bibliotheek, is voor hen het zoveelste bewijs van de alomtegenwoordigheid van het winkelen, terwijl een gewoon mens zou denken dat het winkelen hier juist terrein verliest. Ook het statistische gegeven dat Amerikanen tussen 1980 en 1990 maar half zoveel tijd doorbrachten met `shopping' als voordien, wijst evenmin op het toenemende belang van winkelen.

In andere stukken weten de auteurs duidelijk te maken dat deze verschijnselen het gevolg zijn van de permanente strijd van leven op dood waarin winkels en winkelcentra verkeren. Veel winkels trokken aan het eind van de twintigste eeuw weer terug naar de Amerikaanse binnensteden. Dat ging ten koste van de winkelcentra in de voorsteden, en die reageren daar nu op door nauwe winkelstraatjes aan te leggen op parkeervlaktes die de Amerikaanse shopping malls traditioneel omgeven. Zo verandert de binnenstad in een voorstedelijke shopping mall met winkelcentra die de gedaante van onze oude binnensteden aannemen.

Shopping is net zo oeverloos als Great Leap Forward, maar omdat winkelen, anders dan de Chinese steden in de Parel Rivier Delta, een verschijnsel is dat elke westerling in zijn directe omgeving kan waarnemen, biedt dit boek een boeiende oeverloosheid. Met Shopping heeft Koolhaas zijn reputatie als belangrijkste bouwende socioloog eer aangedaan.

Chuihua Judy Chung, Jeffrey Inaba, Rem Koolhaas, Sze TsungLeong (red.): Harvard Design School Guide To Shopping. Taschen, 800 blz. E40,61

Chuihua Judy Chung, Jeffrey Inaba, Rem Koolhaas, Sze TsungLeong (red.): Great Leap Forward. Taschen, 800 blz. E40,61