Dada op wielen en vleugels

De avonturier Chuck Stork importeerde de Harley-Davidson-motorfiets naar Nederland en bracht de Daf naar Amerika. Dromen deed hij van de Pathfinder, de mooiste auto die ooit werd gemaakt.

De allereerste buitenpresentatie in Nederland van het onbekende motormerk Harley-Davidson, verzorgd door de Delftsche Motoren-handel, vond op 5 april 1914 plaats in het park van het Koninklijk Paleis het Loo. De motorrijders hadden strikte aanwijzingen ontvangen; ze moesten een voorrijder volgen, mochten niet harder rijden dan vijftien kilometer per uur en als er een koninklijk rijtuig naderde, dienden ze te stoppen en naast de motor plaats te nemen. In die dagen was motorrijden voorbehouden aan well-bred young men. In motorbladen werd tussen Armstrong motornaven en Brooks zadels terloops geadverteerd voor stuurholsters om de revolver bij de hand te hebben om `honden en boeren-kinkels' bij het voorwiel weg te houden. Voorafgaande aan de presentatie op het Loo werd een lunch aangeboden, die door de pioniers van de Delftsche Motorenhandel als `karig' werd beschreven. Een van die pioniers was mijn oudoom, Chuck Stork.

,,Te schrijven met een revolver op zak is lange tijd mijn vurig verlangen geweest. Zoiets als een roofridder van de pen', schreef Richard Huelsenbeck in En Avant Dada. ,,De zolderkamergeleerde was een allang verouderd fenomeen, evenals de kunsthandwerker, de caféliteraat, de `fijnzinnige' kop die in goed gezelschap zijn geestigheden ten beste gaf... als de dadaïst ergens het tegendeel van moest zijn, dan wel van dit slag mensen. [...] Ja, het leven! De dadaïst houdt van het leven, omdat hij het elke dag kan weggooien.'

Huelsenbeck schreef dit tweeëntachtig jaar geleden, enkele jaren na het oprichten van het Cabaret Voltaire in Zürich. Op het moment dat daar in 1916 Dada wordt geboren, probeert Chuck Stork Cadillacs te verkopen en droomt ervan de Pathfinder, de allermooiste auto ooit gemaakt, aan de Sultan van Brunei te slijten.

Charles Theodoor was de oudste broer van mijn opa. De naam Chuck kreeg hij pas in de jaren dertig van Ginnie, de tweede van zijn vijf echtgenotes. Hij werd op 20 maart 1893 geboren – elf maanden na Richard Huelsenbeck – en vernoemd naar zijn grootvader, net als Chuck een energieke, self-made man. Die grootvader was in 1836 op veertienjarige leeftijd in Oldenzaal een textielfabriek begonnen. Na tien jaar zwoegen had hij nog altijd niet meer verdiend dan het geld voor zijn eigen kleren, maar met een niet kapot te krijgen optimisme startte hij ook nog een machinefabriek. De oorsprong van het bedrijf lag in een roman. In dat boek een sociale roman met als titel zoiets als Kapitaal en Arbeid `uit het Fransch in onze taal overgebracht, met de strekking betere toestanden voor de arbeiders in 't leven te roepen' wordt een werktuigenfabriek beschreven waarin elke arbeider zich kon ontwikkelen naar de mate van zijn aanleg. Zo'n bedrijf wilde de grootvader stichten.

Coenraad Frederik Stork, de vader van Chuck, bouwde samen met zijn broers, zestien uur per dag werkend, het bedrijf uit. Ondertussen bleven ze uiterst bescheiden. Er valt weinig buitenissigs te melden over de familie, behalve dat de trein (van zes uur 's morgens!) van Oldenzaal naar Hengelo wachtte tot C.T. er was en cafés taboe waren in het door hen gebouwde tuindorp Het Lansink: `Uw grootste vijand is de geneverflesch'. Als vanzelfsprekend stelde je je leven in dienst van het bedrijf en het welzijn van de gemeenschap. Chucks vader stierf in 1934 tijdens een directievergadering.

Rotjes

In deze onberispelijke familie detoneerde Chuck. Tot enkele jaren geleden was hij voor mij verzwegen. Mijn oma was de eerste die de naam Chuck liet vallen. Zij was dan ook in Amsterdam opgegroeid. Kettingrokend liet ze haar hond uit, stapvoets langs de stoep van de Grundel rijdend; ze gooide rotjes in de open haard en zodra de eerste sneeuw viel bond ze sleeën achter haar auto om met vijftig kilometer per uur door Driene te scheuren met een sleep gillende kleinkinderen aan haar bumper. Zij vertelde mij hoe Chuck op z'n drieëntwintigste naar Amerika verdween met een koffertje met daarin niet meer dan een zomerpak en een smoking. Toen hij terugkwam voor een bezoekje aan de oude wereld nam hij in de buik van het schip zijn eigen vliegtuig en een Cadillac mee, plus een roodharige femme fatale, Ginnie. Het ging hem voor de wind. Hij bezat een vliegtuigwinkel op First Avenue en was bevriend met Howard Hughes en Anthony Fokker.

Ginnie bestuurde de Cadillac als een duivel. Ze ging op de linkerbaan naast automobilisten rijden die naar haar idee te langzaam reden, om ze door het open raampje uit te kafferen. Dat kon niet goed af lopen.

Bij het vertrek per schip terug naar New York riep ze nog: ,,We got to go with thát little boat?!' Na tegenwerping van een van de reisgenoten voegde Ginnie er aan toe: ,,My Chuck could buy the whole Dutch navy!' Dat viel tegen – niet zo heel lang erna reisde mijn opa voor het eerst naar de Verenigde Staten om een van Chucks faillissementen netjes af te handelen. Dat Ginnie's liefde samen met de cashflow taande, komt niet helemaal als een verrassing. Er kwam nog een kaart waarop Chuck en Ginnie op de vleugel van een vliegtuig staan, met daar overheen in zwierige letters: ,,The Stork family wishes you a happy New Year.' Toen was het gedaan. Volgens oma eindigde Chuck zijn leven, na ten minste nog eenmaal puissant rijk te zijn geworden, in eenzaamheid in een caravan, werkend als nachtportier op een industrieterrein.

In Roemenië heb ik me, in de trein van Boekarest naar Boedapest, laten bestelen van vijf foto's van Chuck, waaronder die waar hij en Ginnie ons vanaf een vliegtuigvleugel het beste wensen – een schande die ik de rest van mijn leven als een dood paard achter me aan zal slepen. Maar dankzij die Roemeense reis kwam ik wel in contact met Frank van Oortmerssen, een onderzoeker naar de Harley-Davidsonpioniers en hij haalde meer over Chucks leven boven tafel.

Kolk 3

In 1912 was Chuck in Delft werktuigbouwkunde gaan studeren. Vanuit zijn studentenhuis Kolk 3 richtte hij samen met zijn neef François Gerard Waller De Delftsche Motorenhandel op, die in 1913, als eerste in de lage landen, het importeurschap voor Harley-Davidson wist te verwerven; `Hoofdcontractanten voor Nederland en Koloniën'. Dan zijn er in Nederland 4.113 auto's en 5.092 motorfietsen. Er was een eindeloos aanbod van inmiddels vergeten motoren (Vulkaan, Adler); ongeveer iedere smid bouwde in zijn schuur zijn eigen merk motorfiets. Chuck, het zakelijk brein, gaat de moordende concurrentie met stunts en in die tijd gewaagde advertenties te lijf: `Succes op den weg heeft de Harley-Davidson! Bij de Dames heeft zijn eigenaar!'

Met een 572 kilometer lange `monsterrit' van Parijs naar Den Haag (in 13 uur en 2 minuten) weten zij op 18 juni 1914 de aandacht goed op de H-D te vestigen. De recordrit levert een stroom orders op, ook uit Indië. Ze verkopen tientallen Harley's, nemen een monteur in dienst en beginnen te zoeken naar dealers in het land.

Dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Harley-Davidson Amerika schrijft de voortvarende, jonge ondernemers op 15 augustus de enigzins ontmoedigende woorden: ,,business will be absolutely dead from now on until an indefinite time.'

Een half jaar later verkopen zij voor 1.500 gulden hun importeurschap inclusief de monteur aan het handelshuis Englebert & Co in Den Haag. Zij bedingen een commissie en het levenslange recht ieder jaar een Harley-Davidson tegen inkoopprijs af te kunnen nemen. Van dat recht zullen ze geen van beiden gebruikmaken; na een zwaar motorongeluk belooft Waller zijn geliefde nooit meer op een motor te klimmen. Chuck verwerft een agentschap voor het automobielmerk Cadillac en het agentschap voor de Nederlandsche Koloniën voor de Pathfinder, waar hij grootse dromen over heeft.

,,Iedereen kan een dadaïst zijn', schrijft Huelsenbeck in 1920. ,,Dada is niet tot een of andere kunst beperkt. De cocktailshaker in de Manhattan Bar, die met de ene hand blue curaçao inschenkt en met zijn andere zijn gonorroe bij elkaar grabbelt is een dadaïst. De heer in regenjas die op het punt staat voor de zevende maal een reis om de wereld te maken, is een dadaïst. De dadaïst zou een man moeten zijn die er volledig van doordrongen is dat men alleen gerechtigd is ideeën te hebben als deze in het leven zijn te vertalen – het compleet actieve type dat leeft bij de daad, omdat die de mogelijkheid van inzicht biedt. Dadaïst is de man die in Hotel Bristol een etage huurt zonder te weten waar hij het geld vandaan moet halen om het kamermeisje een fooi te geven.'

Voordat de oorlog voorbij is, mei 1917, vertrekt Chuck met de Noordam naar New York. Hij vertegenwoordigt een aantal Nederlandse patenten, richt Ice Cream Venders, Frostomatic op, heeft een filmbedrijf en toont interesse voor de jeneverhandel (de Amerikaanse overheid zit op één lijn met zijn vader: `Uw grootste vijand is de geneverflesch!'), maar zijn grootste liefde blijft – de familie getrouw – bij machines liggen. Hij bezit Aircraft Industries Corporation, vertegenwoordigt de vliegtuigfabrieken Stinson, Great Lakers en Savoia, verkoopt amfibievliegtuigen aan de New-Yorkse politie en heeft een Duitse baron, een oud-legerinstructeur, als `chief pilot' in dienst. Met Fokker bouwt hij de QED, de `Quod Erat Demonstrandum', de ideale, revolutionaire boot, die een halfjaar na de tewaterlating uitbrandt.

Op 27 december 1939, vier dagen nadat Anthony Fokker aan een hersenvliesonsteking in New York is gestorven, schrijft Chuck vanuit de lucht boven Cleveland, Ohio aan zijn moeder: ,,Kan nog altijd niet geloven dat Tony er niet meer is... De begrafenis, de `dienst' in zijn huis in Nyack, was voor mijn gevoel zoo verschrikkelijk dat ik er den geheelen nacht van gedroomd heb. Van de bijna 200 menschen tegenwoordig waren er misschien drie of vier die werkelijk iets om Tony gaven. Verder niets dan de soort parasieten die hij ook om zich heen had in St. Moritz. With all his millions and supposed friends he certainly was the most lonely man in life and death!'

Misschien herkende Chuck meer in Tony Fokker dan een gedeelde liefde voor motoren, vliegtuigen, schepen en snelle auto's. Na Fokkers dood gaat het zakelijk gestaag bergafwaarts. Chuck werkt voor Howard Hughes in the Guided Missile Division en schept in brieven op dat hij enkele wonderen op het gebied van `precision machining' verricht waar de langharige apen in Hughes' laboratoria niet aan kunnen tippen. Aan zijn handschrift zie je dat het slechter gaat, tenminste dat verbeeld ik me. Het worden steeds grotere hanenpoten.

Nachtwaker

In 1963 vestigt hij zich in de woestijn van Texas, op de grens met New Mexico. Hij bouwt op zijn zeventigste zijn eigen huis. Als eerste `pioneer' wordt hij benoemd tot burgemeester van Horizon City. Hij heeft uitzicht op de bergen tot in Mexico 's nachts huilen de coyotes. Behalve burgemeester is hij nachtwaker. Daarnaast weet hij met veel drammen bij Van Doorne's Automobiel Fabrieken in Nederland een importeurschap voor New Mexico los te peuteren. Precies vijftig jaar nadat hij Harley-Davidson naar Nederland haalde, brengt hij de Daf naar Amerika.

Op 5 juni 1966 rijdt hij zich om half negen 's avonds in Alpine, Texas te pletter tegen `the center support of the Santa Fe railroad bridge', zoals het politierapport vermeldt. Twee dagen later wordt hij in Alpine begraven. Bij hem geen parasieten – er is helemaal niemand bij. De familie hoort pas maanden later van zijn dood en noemt in de rouwadvertentie zowel een verkeerde sterfplaats als sterfdatum.

Als ik iemand ken die zich dadaïst mag noemen, dan is het Chuck. Hij is die man die in Hotel Bristol een etage huurt zonder te weten waar hij het geld vandaan moet halen om het kamermeisje een fooi te geven.

De sfeer van het vooruitgangsgeloof van Chuck Stork is te proeven op de tentoonstelling `Streamline, American Design '30-'55', tot 24 febr. in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

`En Avant Dada' van Richard Huelsenbeck is vorig jaar voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen in de DADA-reeks van uitgeverij Vantilt.