Beertje gaat van hand tot hand

Jos Versteegen debuteerde in 1996 als dichter met een uitdagende titel: Voorgoed volmaakt. Ik vond die titel indertijd niet passen bij de nog onzekere kwaliteit van Versteegens sonnetten, maar andere lezers, onder wie Guus Middag in deze krant, loofden het debuut als `letterlijk volmaakt'. Dit predikaat was wat mij betreft meer van toepassing op Versteegens tweede bundel, Jonge meesters. Niet langer zocht de dichter zijn toevlucht in eindrijm. Nu was hij zelf aan het woord, in rustig ademende, vanzelfsprekende regels.

In Nachtkermis is het eindrijm wel weer volop aanwezig, maar niet in het strakke korset van zo'n renaissancistische versvorm als het sonnet. Het rijmschema is hier ababcdcdefef enzovoorts, en dat vierenvijftig pagina's lang. De verteller in dit lange gedicht verhaalt over zijn tocht door Amsterdam met Roch, een vriend wiens identiteit tot het einde toe schimmig blijft. Ze belanden bij de Gay Parade, vervolgens op de Dam, waar het luidruchtig kermis is, en van daar via een sekskelder en de Wallen op een homoparty in de Jordaan. Een verhaal van niks dus, maar sfeervol en met verve verteld.

Het is verleidelijk om dit gedicht te vergelijken met Berliner Lullaby van Th. van Os. Er zijn veel overeenkomsten. Het rijmschema is identiek, en ook Van Os schildert met verve de homoscene. Maar Versteegens palet is romantisch, en dat van Van Os fauvistisch. Hun inzet verschilt ook aanzienlijk. Berliner Lullaby begint met een moderne variant op de `Natureingang': de wervelende beschrijving van een sneeuwstorm in de straten van Berlijn. Versteegen daarentegen opent met een rauwe lofzang op de roltrappen van Schiphol. `De roltrap voert ons naar het glimstation/ dat onder deze hal verborgen ligt,' luiden de aanvangregels. Dat glimstation wordt vervolgens treffend omschreven als `een kreng dat anus heeft noch aangezicht/ maar links en rechts zijn treinen vreet en braakt'. En dan volgt de rake schildering van gebeurtenissen op de roltrap, met verrassende regels als:

Een bovenman die struikelt, duwt al gauw

een onderman omver, zelf bovenman,

die lagerop een onderman of -vrouw

doet vallen, en zo valt en kantelt dan

de roltrap-populatie naar beneden,

Op bladzij 48 duikt het beeld van onderman en bovenman weer op. Ditmaal in een schoolgebouw in de Jordanese Rozenstraat, waar in `een kookpot van muziek' de jongenswereld zich met SM vermaakt.

Er zijn wel meer doelmatige herhalingen. Op de kermis wint Roch bij het Rifle Kingdom een kunststof beer. Dat speelgoedbeest belandt per ongeluk op de grond, wordt opgeraapt en daarna troostend toegesproken door een vrouw bij de gebakkraam. `Ik weet een mooie naam voor jou,' zegt een tweede vrouw. `Jij bent het bruine beertje Archibald,/ dat in zijn eentje naar de kermis zou/ om met de mannen in de zweef te zwieren.' Op bladzij 56 wordt dit clichébeeld van de mannenliefde uitgewerkt in het prachtlied van een zangeres die in glitterende zijde het kermisvolk vanuit het reuzenrad toezingt. `De liefde is een beertje,' kwinkeleert ze, `en het gaat/ van hand tot hand in alle vriendenkringen.'

Niet het verhaal draagt dit gedicht, maar het sfeervolle, quasi terloopse idioom. Er is onmiskenbaar een verteller aan het woord, maar niet wàt hij vertelt houdt het oog op de pagina, maar zijn stijl en de melancholische ondertonen daarvan. Exemplarisch hiervoor is Versteegens schets van een heroïnehoertje op de Wallen:

Een straatnimf vraagt een vuurtje en de tijd.

Als iets de Oudezijds kan samenvatten,

dan zij. Haar pancake als een humuslaag

voor stugge haartjes en gekohlde wratten,

haar mond, hartvormig, die zijn lipstick draagt,

lijkt het, om rode stempeltjes te zetten,

haar blik, haar zwemmerige pauwenoog,

hebzuchtiger naarmate het koketter

met groen en blauw is aangezet. Een stroom

van argwaan, droefheid en berekening

beweegt met haar pupillen mee. Zij zet

geen glimlach of intieme knipoog in

als opmaat van de liefde, en haar bed

zal ergens koud en onbesprongen staan.

De rook maakte korte reisjes naar de longen.

Denkend aan bloemen, feniksloos vergaan

en vroege kraaienpoten bij een jongen,

heb ik een somber meisje vuur gegeven

en mij getroost aan haar neerslachtigheid.

Niet de vage symboliek van het bloedbroederschap, dat ook een rol speelt, maar juist dit soort aardse passages overtuigt me van Versteegens dichterschap. Nachtkermis is allerminst volmaakt – ook bij derde lezing waren er nog onheldere passages in de vertelling, maar verrassend kleurrijk en trefzeker van idioom.

Jos Versteegen: Nachtkermis. Vassallucci, 61 blz. E12,95

Nederlandse literatuur