Achterbak vol organen

Grote Vakantie-Doe-boeken, cassettebandjes met verhaaltjes van Bert en Ernie, chocoladewikkels en verdroogde mandarijnenschillen – dan heb je de contrabande in de meeste gezinsauto's wel zo'n beetje gehad. Zo niet in de auto van de familie Messina. In de kofferruimte van de smerige bak van de ouders van Jean-Pio bevinden zich dia's van allerlei medische deformaties, een verzameling organen op sterk water en een skelet. Dan bevat de auto ook nog alle andere spullen van de familie. Jean-Pio's vader is anatoom en histopatholoog (een patholoog die in weefselstructuren is gespecialiseerd) en hij sleept zijn gezin in de auto heel Europa door, van de ene medische conferentie naar de andere.

`Achterbankgeneratie' is in het geval van Jean-Pio en zijn broertjes dan ook nog zachtjes uitgedrukt. De auto is hun huis, en in en rondom die auto speelt zich het hele eerste deel af van The Water Breather van Ben Faccini, een schrijver die in Engeland, Italië en Frankrijk opgroeide – de achterflap zwijgt over het eventuele autobiografische karakter van deze debuutroman – en in het Engels schrijft. In het Nederlands is het vertaald als De jongen die alles goed wou denken, een adequate titel, maar een die wel erg veel doet denken aan Ischa Meijers Een jongetje dat alles goed zou maken.

Jean-Pio is het middelste kind. Dat is van oudsher een droevig lot; het betekent wat die auto betreft bijvoorbeeld dat je achterin in het midden zit, en niet bij een van de raampjes. Wèl kun je je hoofd weer makkelijk naar voren steken, tussen de stoelen van je ouders, maar het is de vraag of dat een voordeel is als die steeds ruzie hebben. Het is in elk geval geen wonder dat Jean-Pio `trait d'union' is, tussen jongste broertje Giulio en oudste broertje Duccio, tussen zijn opvliegende Italiaans/Siciliaanse vader Pado en zijn al even temperamentvolle Frans/Engels/Nederlands/Sloveense moeder Ama.

Daarnaast is Jean-Pio nog bode tussen verschillende werelden, de echte wereld en die andere. Zoals alle kleine jongetjes die in romans de hoofdrol spelen is hij een uitermate gevoelig kind. Hij lijdt aan een soort hyperventilatie in zijn hoofd: voortdurend denkt hij aan wat er mis kan gaan en net zo hard probeert hij die imaginaire catastrofes dan weer af te wenden, zozeer dat hij er hoofdpijn en duizelingen van krijgt en soms zelfs buiten westen raakt. Meer dan zijn vaders diaseries heeft Jean-Pio niet nodig om in zijn verbeelding een hele serie rampen op te roepen, maar echte rampen helpen natuurlijk ook. Sinds zijn grootvader Grand Maurice in een meer verdronk, zijn Jean-Pio's duizelingen erger geworden; als hij die dag met Grand Maurice mee was gaan vissen, was die misschien nog in leven.

Het ontvankelijke kind dat heel goed de schrijver zelf geweest kan zijn, is geen erg origineel onderwerp voor een eerste roman, maar Faccini komt er goed mee weg. Jean-Pio's familieleden zijn excentriek genoeg om voor vermakelijke verhalen te zorgen: zijn moeder schopt op indrukwekkende wijze stennis over elk vlekje op de hotellakens, zijn vader raakt gefascineerd door de bloedsporen in de mensenpoep die het gezin aantreft vlakbij hun picknickplek; dit is gastro-enteritis – denken de kinderen ook niet?

Maar in Jean-Pio's leven duren dergelijke operascènes nooit lang. Er hoeft maar dit te gebeuren of hij krijgt `gedachten' die de opmaat zijn van een verloren strijd tegen zijn eigen angsten. Zonder het expliciet op te schrijven laat Faccini zien hoe schuldgevoelens voor Jean-Pio liefde tot een mijnenveld gemaakt hebben en hoe een achtjarig kind in voortdurende strijd verwikkeld kan zijn om alles te houden zoals het net nog was.

Het is mooi om te zien hoe Faccini opera en nachtmerrie om elkaar heen laat draaien en in elkaar laat overvloeien. Nog mooier is hoe soepel hij zijn retrospectief benut; de lezer weet voortdurend meer dan Jean-Pio, terwijl die op het oog steeds het verhaal vertelt. Dat maakt De Jongen die alles goed wou denken tot een elegant boek, temeer daar het goed geschreven is; ongedwongen en lyrisch tegelijk, met af en toe een vergelijking die ter zake doet. De foto's uit het venerologieboek van zijn vader doen de achtjarige snelwegveteraan Jean-Pio bijvoorbeeld denken aan `doodgereden dieren op de weg, maar dan tussen de benen van mensen'.

Het is jammer dat in het tweede deel dit evenwicht verloren gaat, als de familie zich vestigt in het oude familiehuis van Grand Maurice. Daar komt Jean-Pio zaken te weten over zijn grootvaders dood die zijn verstand te boven gaan, maar dat van de lezer niet. Helaas slaagt Faccini er dan niet meer in zijn ongezochte verteltrant vol te houden; opeens worden allerlei aanwijzingen je wel erg nadrukkelijk onder de neus gewreven. Anderzijds: zonder het mysterie van opa's dood was De jongen die alles goed wou denken een vrijwel plotloos verhaal geweest, niet meer dan een geestige en trefzekere evocatie van een exotische jeugd, en vooral een portret van het keiharde werk dat kinderliefde is. Maar dat was helemaal niet zo'n bezwaar geweest.

Ben Faccini: De jongen die alles goed wou denken. Meulenhoff, 288 blz. €16,52

Buitenlandse literatuur