Kost en inwoning

Epitaphium Marijn de Jong

obiit augustus 1975

't Bemind aanbiddelijk onuitspreekbaar woord

door Harold stervend Willem toegeworpen

geboekstaafd eindelijk door Daniel Jones

Larynx, pharynx, cavum oris, ja

velum palatinum, uvula

thorax, diaphragma, rib en ruggegraat

ál krakend, wrijvend is 't

eer 't magisch eiland opdoemt in den mist:

Essentie van het Engelsch, Horsa en Hengest

tot den schreeuw des dwazen Lear

en Letters to the Editor

dat woord van tweed en briar

gij spreekt het zoo perfect als bellen blazen

Articuleerend dit object

extatisch artefact.

Christine D'haen (geb. 1923)

Aan het eind van de jaren vijftig al verscheen van Christine D'haen Gedichten 1946-1958, een bundel die de indruk maakte van een verzameld werk. Het leek of iemand je de bescheiden oogst van een afgesloten dichterschap presenteerde. Zo las je de gedichten ook. Ze hadden een archaïsche inslag, ze waren een beetje tegen de geest van de tijd, een beetje excentriek ook. Er waren een paar sublieme gedichten bij die ik zeer bewonderde.

Sindsdien is Christine D'haen doorgegaan. Haar dichterschap bleek net te zijn begonnen en bescheiden was ze ook niet. De archaïsche elementen de ouderwetse spelling en de aan stoffige compendia ontleende woordkeus die je nog een tijd kon blijven waarderen als camp begonnen op je zenuwen te werken, vooral omdat de dichteres zo ongelooflijk in haar eigen superioriteit geloofde. Haar manier werd een maniertje, het verhevene werd hoogdravend, kortom, ze groeide uit tot iemand die zichzelf parodieerde en dat geen moment in de gaten had.

Daartussendoor publiceerde ze nog een biografie van Guido Gezelle, zonder concurrentie de meest ridicule biografie van de twintigste eeuw.

Ze werd een half-roomse, half-klassieke Sibylle die ervan overtuigd leek dat ze in alles het laatste woord hoorde te hebben omdat ze in raadselen sprak.

Haar vergoddelijking was compleet toen ze een schildknaap ontdekte die Paul Claes heette, en die ook al het verschil tussen hoogdravendheid en belachelijkheid niet aanvoelde. Deze oudere jongeman kon jongleren met Grieks en Latijn en Frans en andere dooie talen en wat het belangrijkste was, hij vond Christine D'haen de gewichtigste dichteres aller tijden.

Ze tilde hem dus op haar wolk en sinds die dag is het paar onafscheidelijk. Als er een aforisme van Christine D'haen verschijnt, is Paul Claes er in drie tijdschriften als de kippen bij om die uitspraak te duiden. Als er een bundel van Paul Claes verschijnt, wordt hij op dezelfde dag door Christine D'haen in de pers bejubeld met zalf bestreken en gebalsemd. (Paul Claes schrijft bundels van gemiddeld tien bladzijden, dat helpt.) Roep je in een echoput de naam Paul Claes, dan galmt de put de naam van Christine D'haen terug, en omgekeerd. Knijp in de arm van Christine en Paul roept au.

Ze wedijveren in gebrek aan ironie.

Paul Claes heeft een boekje over het ultieme meesterschap van Christine geschreven. Gewrocht, dient men te zeggen. De hoofdstukken in dat boekje dragen titels als Nyx, Styx, Nixe en Ptyx. Denk aan de larynx, de pharynx en de thorax in bijgaand gedicht. Die twee zijn aan de x verslaafd. De x van het geheim, de x van nix. Twee genieën weten wat sjiek staat.

De laatste keer dat Christine D'haen een bundel van haar schildknaap prees had ze het, zonder een spier te vertrekken, over de trits Dante, Shakespeare en Paul Claes. Ik heb het zelf gelezen, anders geloofde ik mijn ogen niet.

Wat ooit begon als rebels en weerbarstig werd pedante bluf en leeg woordspel, bedoeld voor één discipel. Gewone lezers als u en ik zijn voor deze dame te vulgair geworden.

In dit grafgedicht, afkomstig uit een bundel van 1989, is het opnieuw te veel van het goeie. Engelsch met cee-haa, den schreeuw des dwazen Lear, de dubbele o. Christine D'haen voegt er een halve bladzijde noten aan toe, alsof ze bang is dat zelfs Paul Claes het niet zal begrijpen. Ze legt daarin uit dat de overledene een anglist was, dat hij vlak voor zijn dood King Lear las, maar wat we onmiddellijk zouden willen weten, wat

't Bemind aanbiddelijk onuitspreekbaar woord

uit de eerste regel precies is, dat vertelt ze ons niet. Heeft ze het ergens in haar gedicht verstopt? Dan ben ik daar te dom voor. In haar waslijst met uitleggingen schrijft Christine D'haen dat Horsa en Hengest Paard en Hengst betekenen en dat King Lear een oude dwaas is uit een stuk van Shakespeare, maar voor het aanbiddelijk woord worden we verwezen naar het uitspraakwoordenboek van Daniel Jones, een boek uit 1917, dat we natuurlijk allemaal in huis hebben.

De essentie van het Angelsaksische?

Taal? Ze lijkt me eerder op het uitspreken van het onuitspreekbare aan te sturen. Mijn tong struikelt in elke geval hevig over die tweede strofe met die vele iksen, al is Christine D'haen nog zo vriendelijk om er voor het rijm het stopwoordje `ja' tussen te plakken.

Strottenhoofd, keelholte, mondholte, ja

verhemelte, huig, hoera

borstkas, middenrif, rib en ruggengraat

om het maar rechtstreeks zo op te schrijven, dat leek haar niet indrukwekkend genoeg. Ook in haar andere grafgedichten (neniën, wat anders) draaft ze als een dichterlijke hengst door

Voor Agamemnon en Marat 't lustrale nat,

waarin zij stegen als een stier de arena op

ga fietsen, kind, met je lustrale nat. Je komt in dit grafgedicht voor Marijn de Jong nog wel even die grappige juxtapositie tegen met het prozaïsche Letters to the Editor, een vage echo van Christine D'haens vermogen om magische taal met gewaagde aardse erotiek te mengen, maar de slotregels

Articuleerend dit object

extatisch artefact

doen er weer alles aan om je irritatie compleet te maken. Taalgevoel voor een verdwenen taal, stem zonder publieke echo.