Alma Mater valt voor de macht

Het strooien met academische eretitels onder publieke personen wier bijdrage aan de wetenschappelijke vooruitgang betwistbaar is, is niet nieuw. Maar met een ware academische geest heeft dit niets van doen, meent Thomas von der Dunk.

Amsterdam was maandag nog maar amper van de staatkundige variant op de intocht van Sinterklaas bekomen, of in Brussel kon een nieuw dieptepunt van monarchistisch dienstbetoon worden gesignaleerd. Kroonprins Filip, wiens briljante doctoraalscriptie nog evenmin als die van zijn Haagse confrater de openbaarheid heeft bereikt, bleek door de Katholieke Universiteit Leuven waardig bevonden voor een eredoctoraat. Zijn onmetelijke verdiensten voor de wetenschap bestonden volgens rector Oosterlinck uit het ,,voorbeeldige en inspirerende plichtsbewustzijn'' waarmee Filip zich op zijn toekomstige taak voorbereidt: ,,Hij bouwt bruggen tussen de gemeenschappen en vertegenwoordigt België op waardige wijze.'' Er moet hier inderdaad van een bovenmenselijke sprong voorwaarts sprake zijn, want tot voor kort werd hij nog algemeen als gewoon te dom voor het koningschap beschouwd.

De laatste decennia valt een groeiende neiging te bespeuren om met academische eretitels rond te strooien onder publieke personen, wier bijdrage aan de wetenschappelijke vooruitgang betwistbaar is. Menig kandidaat is misschien dan wel intelligent, maar toch beslist niet intellectueel, zoals het doctoraal-oordeel over de geestesgaven van Willem-Alexander indertijd verluidde. Zo werd Helmut Kohl in Groningen gelauwerd op een moment dat ten minste diens `voorbeeldige en inspirerende plichtsbewustzijn' door dubieuze transacties in een speciaal daglicht was komen te staan, en ook op het `bruggenbouwen tussen de gemeenschappen' en de `waardige wijze' waarop hij zo zijn land vertegenwoordigde het één en ander af te dingen viel. En ook de Universiteit Utrecht moet al binnen enkele jaren het schaamrood naar de kaken gestegen zijn, toen de duistere kanten van haar doctor honoris causa Winnie Mandela aan het daglicht traden.

Helemaal nieuw is dit niet. Al in de jaren twintig van de vorige eeuw werden koningin Wilhelmina en prinses Juliana de laatste nog amper de middelbare school ontgroeid aan de Leidse universiteit zo geëerd. Hun enige verdienste voor de wetenschap is tot dusverre dat hun door mystieke aandriften gestuurde publieke optreden andere wetenschappers stof voor het schrijven van gedegen boeken gaf. De incestueuze relatie die de zoëven genoemde instelling vanouds met het koningshuis onderhoudt, komt tijdens de diësviering tot uitdrukking in de gewoonte om gezamenlijk het Wilhelmus aan te heffen en in de voorlezing van een aan Majesteit geadresseerd aanhankelijkheidstelegram.

Anders dan in België, waar de zaak-Filip thans tot een protestbrief van tweehonderdvijftig hoogleraren heeft geleid, stuiten soortgelijke universitaire blamages in Nederland op maar weinig verzet. Toen Albert Heijn wegens de uitvinding van de streepjescode de doctorstitel verkreeg, bleef het openlijke protest hoofdzakelijk beperkt tot een actie van de bekende psycholoog Piet Vroon en welgeteld één compaan.

Maar het kan in zekere zin nog erger. In toenemende mate worden academische plechtigheden ontsierd door de toespraken van gasten, die niet zozeer op grond van hun intellectuele gaven zijn uitverkoren, maar wegens hun hoge maatschappelijke functie met andere woorden: wegens hun vermeende invloed. Ministers, managers, bedrijfsgoeroes en andere ongeschoolden buitelen hier steeds vaker over elkaar heen. Het absolute dieptepunt werd het afgelopen najaar onder verantwoordelijkheid van college-voorzitter Veldhuis in Utrecht bereikt. Daar werd het academisch jaar geopend door Annemarie Jorritsma.

Hoe diep kan een universiteit zinken? Nauwelijks dieper, zo lijkt het. De laatste twee decennia is de Alma Mater uitgeleverd aan regelaars, die een enkele witte raaf uitgezonderd elk academisch niveau ontberen. Dat is alsof men de Nederlandse Spoorwegen in handen legt van mensen die geen verstand van treinen hebben en inderdaad, dat is de afgelopen jaren gebeurd, en op de prestaties van Timmer en consorten is heel Nederland dan ook bijzonder trots. Aan de universiteit worden de ontsporingen helaas wat minder snel gesignaleerd, omdat tijdens diësvieringen geen doden vallen, maar op de termijn is het mentale effect even desastreus. Wie zou het doctoraat nog als een waardering van wetenschappelijke verdienste beschouwen, als dit met de Filippen moet worden gedeeld? Welke geleerde ziet zijn rede graag na afloop samengebundeld met een toespraakje van Jorritsma in de universiteitsbibliotheek terug?

Ofschoon zijn dagelijkse werk er niet onder hoeft te lijden en menig serieus wetenschapper zich van de bobo-bijeenkomsten bij voorkeur verre houdt, moet hij er wel de consequenties van dragen. Een en ander staat namelijk symbool voor de kloof tussen enerzijds het universitaire bestuur dat zichzelf als het middelpunt beschouwt, en anderzijds de universitaire gemeenschap waar de universiteit feitelijk om draait. Geestelijk geïsoleerd van hun belangrijkste werknemers, verkeren de managers in eigen sferen en missen zij het contact met de academische werkelijkheid van onderzoek en onderwijs.

Niet in staat tot enig inhoudelijk oordeel, en dus tot het daadwerkelijk herkennen van de kwaliteit waarover zij in hun nota's zo voortdurend de mond vol hebben, vallen deze lieden per definitie voor de domheid van de macht. En omgekeerd krijgt de macht, in de vorm van staatssecretaris of minister, ook geen werkelijke wetenschapper meer te zien. Tijdens het voortdurende vergaderen tussen departementale en universitaire ambtenaren verkeren de beslissers steeds onder gelijkgestemden, en fungeert het door het departement benoemde universiteitsbestuur als departementale echoput. Dan telt niet de inhoud, maar slechts de Haagse regel- en bezuinigingsdrift. Dat de jaaropening in Utrecht wordt verricht door een minister van Economische Zaken, die ambtshalve toch voornamelijk over de industriële aanmaak van knopen en kazen gaat, verbaast dan niet. Zo is ook Filip in Leuven door de rector niet zozeer uitgezocht om hém luister bij te zetten, als wel om door die verlening zichzélf luister bij te zetten. Met een ware academische geest, die juist allereerst kritische distantie tot de machtigen vereist, heeft dit niets van doen.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.