Alleen een gek zou de politieman van de wereld aanvallen

Militair gezien is er maar één land dat telt: de Verenigde Staten. Na de aanslagen van 11 september is Amerika meer dan ooit de politieman van de wereld, die de veiligheid garandeert. Deze status rust op een jarenlange indrukwekkende economische groei. Als deze zou afnemen, moet voor mondiale chaos worden gevreesd, meent Paul Kennedy.

Op 11 september was het nucleair aangedreven vliegdekschip USS Enterprise op een routinepatrouille in de Indische Oceaan toen de berichten begonnen binnen te komen over de terreuraanslagen op New York en Washington.

De Enterprise is een schip dat de verbeelding van de landrot te boven gaat. Het is bijna driehonderdvijftig meter lang en het vliegdek is vijfenzeventig meter breed. Het is even hoog als een gebouw van twintig verdiepingen. Een heel dorp – nee, een kleine stad – woont binnen de machtige staalconstructie, maar het is wel een garnizoensstadje dat zich met bijna vijftig kilometer per uur over de zeeën kan bewegen. Het schip heeft een bemanning van 3200 koppen alleen al om het schip te runnen, plus nog 2400 piloten en ander luchtmachtpersoneel voor het vliegen en onderhouden van de zeventig hypermoderne toestellen die dag en nacht op het vliegdek af en aan razen.

Maar dit superslagschip reist nooit alleen. Het wordt altijd op zijn minst begeleid door een kruiser uit de Aegis-klasse, een groot schip dat bestemd is om inkomende raketten neer te halen; door een zwerm fregatten en destroyers om het tegen vijandige onderzeeërs te beschermen; door een paar loerende, dodelijke onderzeeërs; en door een aantal bevoorradingsschepen en andere specialistische vaartuigen. Ook mariniers met hun helikopters maken deel uit van de strijdmacht. In offensief en defensief opzicht is dit een monster.

Het is moeilijk om de precieze kosten van een vliegdek- strijdmacht te schatten, maar ze belopen zeker vele miljarden dollars. De schepen, de vliegtuigen, de logistieke bevoorrading en het personeel komen bij elkaar waarschijnlijk uit op zeker een kwart van de defensiebegroting van een middelgroot land. Er bestaat op de wereld geen machtsconcentratie die het haalt bij een Amerikaanse vliegdek-strijdmacht; de paar Engelse, Franse en Indische vliegdekschepen zijn in vergelijking minuscuul en de Russische liggen weg te roesten.

Afgezien van kernwapens vormt deze groep oorlogsschepen op het ogenblik de sterkste en meest flexibele kern van militaire macht. Een vliegdek-strijdmacht is vrijwel onverwoestbaar en heeft toch het vermogen om bijna over onze hele aardbol dood en verderf te zaaien. De VS bezitten twaalf van zulke vliegdekschepen (binnenkort wordt de vloot nog uitgebreid met de USS Ronald Reagan), elk met de bijbehorende groep aanvullende oorlogsschepen.

Alleen een gek zou een land met zoveel macht aanvallen. Maar dat is nu juist gebeurd op 11 september, door messianistische fundamentalisten met een haat tegen de VS, die natie nummer één echt onthutst en getroffen hebben.

In de weken daarna schreven overal strategische experts (onder wie ook deze) over de kwetsbaarheid van de VS voor zogeheten `asymmetrische' aanvallen, oftewel aanvallen door vijanden die niet op konden tegen de Amerikaanse conventionele strijdkrachten maar die op onorthodoxe manieren schade konden aanrichten. Zo is het nog steeds.

Maar de keerzijde van de medaille was dat Amerika, getergd door de willekeurige terreuraanslag, overging tot de inzet van de enorme strijdmacht die het ter beschikking heeft: een strijdmacht die notabene hoofdzakelijk bestemd was voor de Koude Oorlog tegen de Sovjet-Unie maar die even bruikbaar bleek voor deze strijd.

Het mondiale bereik van dit oorlogstuig is echt indrukwekkend. Het tweede vliegdekschip dat zich bij de Enterprise voegde was de USS Kitty Hawk, die in september vorig jaar voor reparatie in Yokosuka in Japan lag. In tijd van twaalf dagen legde hij 10.000 kilometer af en koos positie als `vooruitgeschoven basis' voor honderden vluchten ter ondersteuning van de mariniers en de Amerikaanse commandotroepen in Afghanistan.

Ver boven de vliegdekschepen vlogen B-1-bommenwerpers het hele eind van het Amerikaanse vasteland om alle mogelijke bommen af te werpen op Al-Qaeda en de Talibaan, terwijl van Diego Garcia B-52's aandenderden om heuvelhellingen tot puin te reduceren.

Ook werden er Amerikaanse commandotroepen uit Centraal-Azië naar het gebied gevlogen, die gesteund door bijzondere logistieke en stealth-technieken op hun beurt als `vizier' fungeerden voor luchtaanvallen met behulp van slimme wapens. De militaire campagne is nagenoeg voorbij, afgezien van de jacht op Talibaan in de afgelegen heuvels; en de eerste grondtroepen, de luchtmachteskaders en oorlogsschepen als de Kitty Hawk keren naar hun basis terug, bijna zonder dat er slachtoffers te zien zijn geweest.

Bovendien beperken deze bases zich niet tot het Amerikaanse continent. Er stroomden Amerikaanse troepen naar het strijdtoneel uit Japan, Engeland, de Stille Oceaan, Duitsland, Italië, het Midden-Oosten en nog meer plaatsen; dat wil zeggen dat ze werden opgeroepen van het grootste arsenaal aan bases dat de wereld heeft gezien sinds het Britse rijk zich een eeuw geleden op zijn hoogtepunt bevond.

Wat heeft dit allemaal te betekenen?

Het is gemakkelijk om te zeggen dat toen Osama bin Laden 's werelds overgebleven supermacht aanviel, hij en zijn netwerk en degenen die hem steunden hun trekken thuis kregen. Maar die conclusie doet er amper toe. De bredere les – die het Russische en Chinese leger verbijstert, de Indiërs zorgen baart en de voorstanders van een gezamenlijk Europees defensiebeleid verontrust – is dat er militair gesproken maar één speler op het veld staat die meetelt.

Om politieke en diplomatieke redenen hebben de VS de wereld uitgenodigd om zich aan te sluiten bij de strijd tegen Bin Laden, zoals tien jaar geleden ook zoveel andere landen door Washington waren uitgenodigd om zich tegen de agressie van Saddam Hussein te keren. Maar wie telde er verder nog echt mee in de coalitie? De `Britten' komen voor bepaalde zaken in aanmerking: uitwisseling van inlichtingen, de SAS die (waarschijnlijk) het eerst de bergen in trok, een tiental Tornado-bommenwerpers, de trouwe steun van premier Tony Blair, de garnizoensrol na de overwinning – het heeft allemaal geholpen. Voor het Amerikaanse publiek zijn ze zelfs de enige andere belangrijke bondgenoot, zij het wel een kleintje.

Hoewel de strijd tussen de VS en het internationale terrorisme en de schurkenstaten inderdaad misschien asymmetrisch is, zou zich nog wel eens een veel grotere asymmetrie kunnen aandienen, namelijk die tussen de VS en de rest van de mogendheden.

Hoe is dit te verklaren? Ten eerste door geld. De afgelopen tien jaar, en ook al ruimschoots daarvoor, hebben de VS, absoluut en relatief, meer aan defensie uitgegeven dan enig ander land in de geschiedenis. Het Amerikaanse Congres bediende het Pentagon op zijn wenken met jaarbegrotingen die opliepen van 260 miljard dollar halverwege de jaren negentig tot 329 miljard dollar dit jaar. Dit ene land – een democratische republiek die een hekel aan `veel overheid' beweert te hebben – geeft nu elk jaar meer uit aan zijn leger dan de volgende negen grootste nationale defensiebegrotingen bij elkaar.

Dat feit beseffen maar weinig Amerikanen en velen hebben oud-president Bill Clinton verweten dat hij zou beknibbelen op het Amerikaanse leger. Zou dat echt zo zijn geweest, dan is het moeilijk te bevatten dat de Amerikaanse strijdkrachten de laatste maanden zo'n indrukwekkend en overweldigend machtsvertoon hebben laten zien.

Toch heeft president Bush deze week een oorlogsbegroting naar het Amerikaanse Congres gestuurd, waarin de defensie-uitgaven met 48 miljard dollar (9 procent) omhoog gaan – een bedrag meer dan tweemaal hoger dan de hele jaarlijkse defensiebegroting van Italië. Anders gezegd: een paar jaar geleden waren de VS verantwoordelijk voor circa 36 procent van de totale defensie-uitgaven op de wereld; nu ligt hun aandeel waarschijnlijk dichter bij de 40 procent, zo niet hoger.

Een machtsongelijkheid als deze heeft er nog nooit bestaan; nog nooit. Geen enkel ander land komt ook maar in de buurt. De Pax Brittannica ging op een koopje, het Britse leger was veel kleiner dan de legers op het Europese vasteland en zelfs de Royal Navy was niet groter dan de volgende twee marines samen – op dit moment zouden alle andere marines op de wereld bij elkaar nog niets kunnen beginnen tegen de Amerikaanse maritieme overmacht.

Het rijk van Karel de Grote besloeg uitsluitend West-Europa. Het Romeinse rijk strekte zich verder uit, maar er was nog een groot rijk in Perzië, en een nóg groter in China. Dat is dus geen vergelijking.

Maar dat geld moet wel ergens vandaan komen, voornamelijk uit de eigen economische middelen van het land (in lange oorlogen lenen mogendheden vaak in het buitenland). Ook hier ligt een onvergelijkelijke bron van Amerikaanse kracht, die de laatste paar jaar ook alleen maar is gegroeid.

In de jaren zestig, zeventig en tachtig nam het Amerikaanse aandeel in de totale wereldproductie gestaag af, zodat eind jaren tachtig de VS misschien nog maar zo'n 22 procent van het mondiale bruto binnenlands product voor hun rekening namen, vergeleken bij een veel hoger aandeel in de jaren van Truman en Eisenhower. Als die daling nog een jaar of twintig was doorgegaan, zou Amerika met rasse schreden een `overbelaste grootmacht' zijn geworden. Bovendien leek toen de Sovjet-Unie nog machtig en schreven sommigen Japan omhoog als de aanstaande `nummer één'.

Toen gebeurden er drie dingen. Ten eerste stortte het Sovjet-rijk ineen en klapten de staten die ervan overbleven economisch in elkaar (het bruto binnenlands product van Rusland is lager dan het Nederlandse). Ten tweede stagneerde de groei in Japan, waarop de banken in moeilijkheden raakten, de sterke yen verbleekte en het land aan een raadselachtig tijdperk van economische malaise begon. Ten derde reageerden in de VS het bedrijfsleven en een aantal politici krachtdadig op het debat over het `verval' door handelend op te treden: bezuinigingen, afslanking van bedrijven, investering in nieuwere technieken, stimulering van een communicatierevolutie, wegwerking van overheidstekorten, en dat hielp allemaal om jaar in jaar uit een belangrijke productiviteitsstijging teweeg te brengen.

Terwijl het Russische en Japanse aandeel in de economische wereldtaart dus slonk, nam het Amerikaanse aandeel gestaag toe; op het ogenblik neemt het zo'n 30 procent van de totale wereldproductie in beslag, en misschien nog iets meer.Samen met de beteugelde inflatie had deze gestage economische groei in de jaren negentig de aangename uitkomst dat de enorme Amerikaanse defensie-uitgaven relatief veel lagere kosten voor het land met zich meebrachten dan de militaire bestedingen uit de jaren van Ronald Reagan.

In 1985 beliep de begroting van het Pentagon bijvoorbeeld 6,5 procent van het bruto binnenlands product, wat door velen als oorzaak werd gezien van de Amerikaanse begrotingsproblemen en haperende economische groei. In 1998 was het aandeel van de defensie-uitgaven in het bruto binnenlands product gedaald tot 3,2 procent en op dit moment ligt het niet veel hoger. Het is tot daaraan toe om tegen hoge kosten nummer één te zijn; het is verbazingwekkend om op een koopje 's werelds enige supermacht te zijn.

Dit onevenredige militaire en economische gewicht wordt nog versterkt door andere elementen in het grootse amalgaam van de Amerikaanse macht in de wereld van vandaag. Maar liefst 45 procent van al het internetverkeer vindt plaats in dit ene land. Zo'n 75 proces van de Nobelprijswinnaars voor natuurkunde, economie en geneeskunde in de afgelopen decennia doen hun onderzoek en wonen in Amerika. Een groep van twaalf tot vijftien onderzoeks-universiteiten in de VS is dankzij ruime geldelijke steun gepromoveerd naar een nieuwe superliga van werelduniversiteiten die alle andere – de Sorbonne, Tokio, München, Oxford, Cambridge in het stof doen bijten, vooral in de experimentele wetenschappen.

De topnoteringen onder 's werelds grootste banken en bedrijven zijn inmiddels merendeels weer in Amerikaanse handen. En als er betrouwbare graadmeters van culturele macht waren te bedenken – de Engelse taal, films en televisie, reclame, jeugdcultuur, internationale studentenstromen – zou hetzelfde eenzijdige beeld naar voren komen.

Wat heeft dit voor gevolgen, voor de wereld en voor Amerika zelf?

Ten eerste lijkt het mij zinloos dat de Europeanen of Chinezen handenwringend blijven hopen dat die Amerikaanse overheersing nu eens ophoudt. Amerika kan niet helpen dat het zo groot wordt.

Het is boeiend om stil te staan bij de mogelijke gevolgen voor de wereldpolitiek van het bestaan van zo'n reus in ons midden. Wat betekent dat bijvoorbeeld voor andere landen, vooral die met een verleden als grootmacht zoals Rusland en Frankrijk, of met aspiraties als grootmacht zoals India en Iran?

De regering van de Russische president Vladimir Poetin ziet zich voor de moeilijke keus gesteld om te proberen de enorme machtskloof te dichten of te erkennen dat dit Ruslands middelen gewoon te boven gaat en het land afhoudt van het verstandiger streven naar binnenlandse vrede en welvaart.

De Franse `Europeanen' moeten ofwel toegeven dat het een illusie is om zich echt te willen meten met het Amerikaanse militaire, diplomatieke en politieke gewicht in de wereld, ofwel gebruikmaken van het feit dat Europa onlangs weer duidelijk aan de zijlijn stond en hernieuwde pogingen doen om het versnipperde continent te verenigen.

Denk ook aan de gevolgen voor China, misschien wel het enige land dat – als de jongste groeicijfers de komende dertig jaar zo blijven en interne onrust te vermijden is – een serieuze uitdaging voor de Amerikaanse overheersing zou kunnen vormen. Geniet van het signaal dat dit verbluffende vertoon van Amerika's macht om zijn tegenstanders te straffen heeft afgegeven aan de landen die hadden gehoopt binnen afzienbare tijd de plaatselijke status quo te veranderen - op het Koreaanse schiereiland, in de Straat van Taiwan, in het Midden-Oosten.

Laat ook uw gedachten gaan over de gevolgen voor internationale organisaties, vooral die zich bezighouden met de westerse defensie en/of de mondiale vrede en veiligheid. Een aantal NAVO-strijdkrachten heeft dan wel een bijrol gespeeld en sommige Europese staten hebben de VS hun luchtmachtbases geleend, inlichtingenwerk verricht en verdachte terroristen opgepakt, maar de andere leden van de organisatie zou wel eens het vooruitzicht kunnen wachten dat ze een lege huls zijn als de Amerikanen niet in actie komen, of een aanhangsel van Washington als ze dat wel doen.

Is er een redelijk evenwichtige VN-Veiligheidsraad mogelijk als er inmiddels naast de kloof tussen de vijf permanente veto-leden en de tijdelijke leden een enorm en reëel verschil in macht en invloed bestaat tussen een van die vijf en de andere vier? Zelfs voor de overwinningen die nu worden behaald gebruikten de VS internationale organisaties alleen als ze in hun kraam te pas kwamen en legden ze die lam als ze het ergens niet mee eens waren. Maar niets zou waarschijnlijk zo slecht zijn voor het wereldevenwicht als een zigzagkoers van de VS.

Bedenk ook wat de gevolgen zouden kunnen zijn voor de Amerikaanse democratie zelf. Misschien is het wel gewoon een historische paradox dat de republiek wier eerste leider waarschuwde tegen onduidelijke allianties en verwarring in het buitenland, nu, voor een kwart op streek in haar derde eeuw, de politieagent van de wereld is.

Want een politieke cultuur die wars is van overheidsingrijpen en die haar antikoloniale wortels koestert, ziet er misschien wel geen enkel heil in om bij zware crises in Afrika, Centraal-Azië of Oost-Azië haar strijdkrachten te moeten inzetten omdat verder niemand dat kan doen, of om tot in lengte van dagen over de hele wereld op terroristen te jagen.

En zou de spectaculaire positie in de wereld aan het binnenlandse front niet ten koste gaan van andere dingen waaraan de Amerikanen hechten? Eisenhouwer waarschuwde voor de onevenredige invloed van een militair-industrieel complex en in de jaren zestig vreesde senator J. William Fulbright voor `de arrogantie van de macht'; dat zijn zorgen die bij veel Amerikanen nog altijd diep zitten.

Anderzijds wordt de spectaculaire wereldpositie van Amerika de komende decennia misschien wel geëvenaard door wijsheid bij regering en Congres en oordeelkundigheid onder het volk. Dat leidt misschien zelfs tot een leiderschap dat soms, heel af en toe, in internationale ruzies bereid is toe te geven, niet omdat het eigen standpunt slecht is, maar omdat het belangrijk is om grootmoedigheid en verdraagzaamheid te tonen jegens hen die de Amerikaanse kracht en voorrechten ontberen. Dat zou nog eens een zeldzaam staaltje staatsmanschap zijn.

Zal dit `eenpolige moment', zoals het wel eens is genoemd, eeuwenlang blijven voortduren? Natuurlijk niet. ,,Als Sparta en Rome zijn vergaan,'' zei Rousseau, ,,welke staat mag dan op de eeuwigheid hopen?''

Dat is een redelijke vraag. De huidige Amerikaanse status berust sterk op een decennium van indrukwekkende economische groei. Maar als de komende kwarteeuw die groei zou krimpen en de budgettaire en fiscale problemen zich zouden verveelvoudigen, zou de dreiging van de `overbelasting' weer terugkeren. In dat geval zou de grootste uitdaging voor de wereldgemeenschap wel eens het mogelijke failliet kunnen zijn van de Amerikaanse mogelijkheden en verantwoordelijkheden, en de chaos die zo'n scenario tot gevolg zou kunnen hebben.

Maar vanaf het vliegdek van de USS Enterprise gezien, lijkt dat scenario nu wel heel erg ver weg.

Paul Kennedy is hoogleraar geschiedenis aan Yale University. Hij schreef onder meer het boek `The Rise and Fall of Great Powers'.