Veteraan en vluchteling komen aarzelend samen

Tussenland, de eerste speelfilm van documentairemaakster Eugenie Jansen, is een film over een vriendschap. Hij gaat over een jonge vluchteling uit Soedan en een oude Nederlandse man die in een dorp ergens tussen de weilanden een beetje aardig voor elkaar zijn en iets van elkaar leren. Maar hoe zijig dit ook klinkt, de film, die vrijdag op het International Film Festival Rotterdam als eerste Nederlandse film een Tiger Award won, is een ongemakkelijke film, een sombere film ook. Aan de hand van de vriendschap tussen Majok en Jakob, beide door voortreffelijk geregisseerde amateurs gespeeld, vecht de film met de verschillen en de overeenkomsten tussen mensen uit verschillende culturen. Wat is belangrijker: dat ze allebei op een andere manier hun thee drinken, of dat ze allebei eenzaam zijn? Het eerste is iets dat in vele varianten dagelijks op straat te zien is voor Nederlandse, Turkse, Marokkaanse en wat niet voor Nederlanders. Het tweede komt meestal alleen in fictie aan de orde. Het interessantste van de film is dat de makers niet buiten schot kunnen blijven. Hun film is een Nederlandse film, en dat heeft voor het verhaal dat ze vertellen veel gevolgen.

In Tussenland zingt Majok, de jonge vluchteling uit Soedan, bijvoorbeeld a capella een lied in zijn eigen taal. Het is een mooi lied, het klinkt melancholiek, berustend, bitter, oud en ijl. Wat is het voor lied? Waar zou het over gaan? We komen het niet te weten. In Tussenland is het lied niet ondertiteld. Wat Jacob zegt en doet zal bij veel Nederlandse kijkers in een gespreid bedje vallen. Zijn gezeur over bloemkool en sperziebonen, zijn ruzie met een vriend in het bejaardentehuis, het zijn dingen die een gevoel van herkenning oproepen. Ze worden in de film maar een klein beetje belachelijk gemaakt. Er spreekt een zekere vertedering uit, maar ook wel wanhoop – is een avondje bingo het maximaal haalbare geluk voor een bejaarde in een Nederlands dorp?

Bij Majok, de vluchteling uit Soedan, ontbreekt zo'n referentiekader. Hij blijft op afstand, vreemd, exotisch. Het enige gevoel dat hem gegund wordt, is heimwee. Nader tot elkaar komen de twee mannen in de film niet echt. Inderdaad, ze drinken samen thee, ze dammen samen, ze gaan samen ergens op bezoek. Maar met evenveel recht kun je zeggen dat de film de gruwelijke oppervlakkigheid van deze vriendschap tot onderwerp heeft.

Zelfs de vergelijking tussen Majok als gevluchte Soedanees en Jacob als veteraan van de politionele acties in Nederlands-Indië, komt niet echt van de grond. Er valt niet zoveel te vergelijken; het gaat mij te ver om beiden `ontheemd' te noemen.

Het is alsof de makers van Tussenland zich tijdens het draaien van de film van dit soort dingen bewust zijn geworden en ze in de film een plaats hebben geprobeerd te geven. Mooi en bitter zijn de scènes waarin Majok het oer-Hollandse landschap van koeien en weilanden in de film tot het zijne maakt. Hij melkt een koe, hij stookt een vuurtje van koeienvlaaien, hij poetst zijn tanden met de as. In deze scènes is het de makers gelukt met filmische middelen een kloof te overbruggen die in het echt meestal onoverbrugbaar blijft.

Tussenland. Regie: Eugenie Jansen. Met: Jan Munter, John Kon Kelei, Willem Smit, Ingeborg Uyt den Bogaard, Miep Bos, Deng Barac Atem. In: The Movies, Amsterdam, Lux Nijmegen. 't Hoogt, Utrecht.