Mededogen

Vaak gebeurt het dat je uit een tentoonstelling komt en alles door de ogen van de schilder ziet: Breitners natte straten, Ruysdaels weilanden. Maar de schilderijen van Barend Blankert doen meer. Zij beïnvloeden je hele gevoel, dagen-, wekenlang.

Wilt u hier iets aan hebben, dan moet ik die schilderijen even beschrijven. Degene die het meest tot de verbeelding spreken zijn die van mensen en van meubels. De mensen doen niks, de meubels zijn onooglijk. Ze zijn er niet voor jou, al zijn ze mooi geschilderd. (Op groot formaat, een beetje fresco-achtig.) Hij heeft nog meer onderwerpen – vleeswaren bijvoorbeeld, een stilleven van bloedworst, balkenbrij en ham, netjes op marmeren planken gelegd. Gebouwen, negentiende-eeuws of nieuwer. De mensen op de schilderijen kijken je meestal niet aan, ze zitten er vreemd en moedeloos bij, soms hebben ze het hoofd op de tafel gelegd. Of nog veel erger: een man in een pak ligt met zijn rug naar de toeschouwer, de knieën opgetrokken, op de grond voor een gelambriseerde muur. Je schrikt ervan. Is hij wanhopig, doet hij een dutje?

Het zijn misschien wel de emotioneelste schilderijen die ik ken. Je wilt bij ze blijven, je wilt in hun nabijheid zijn alsof je verliefd bent. Zondag, op weg naar de opening van een grote tentoonstelling van Blankerts schilderijen in het Drents Museum in Assen, zag ik uit naar die gelegenheid met dat vage, gelukkige gevoel dat je hebt voor een weerzien met een geliefde: tussen jou en hem bestaat iets unieks en onbenoembaars.

Een paar jaar geleden had ik al eens de moed verzameld om de schilder op te zoeken in zijn atelierboot om te zeggen dat ik zijn schilderijen zo mooi vind (een machteloze formulering voor van alles wat ik niet kon zeggen). Ik vroeg hem waarom hij op de meubelschilderijen juist zulke onooglijke, soms ronduit lelijke kastjes of leunstoelen liefdevol afbeeldt. Hij zei: ,,Echt mooie dingen hebben mij toch niet nodig? Die hoef je niet te schilderen, die zijn al mooi.''

Blankert schildert met mededogen. Dat moet het zijn: zijn schilderijen helpen. Zijn broer Albert, befaamd kunsthistoricus en de intellectueel van de familie, schreef in de catalogus bij de Drentse tentoonstelling een overrompelend artikel, waardoor van alles op zijn plaats valt. Hij spreekt van een `tragisch levensbesef' bij Barend (en ook zichzelf), dat zijn oorsprong vindt in het gezin waarin de vier broertjes Blankert, in nette armoede, opgroeiden. Er werd daar vreemd met emoties omgegaan, zoals dat tegenwoordig heet.

Bij die opening in Assen waren natuurlijk te veel mensen. Zo kon ik niet echt rustig met mijn geliefde schilderijen verkeren. Eerst, tijdens de officiële toespraken, betrapte ik mij zelfs op een lichte jaloezie: dachten al die mensen soms ook dat zij Blankerts schilderijen konden opeisen als hun bijzondere voorkeur? Keken zij ook met iets dat grenst aan verliefdheid naar die Franse hotelkamer, die lelijke groene fauteuil?

Maandag liep ik in Amsterdam langs een wasserette. Achter het raam zat een man op een stoel, heel stil, wachtend. Mijn hart klopte sneller. Later op de dag passeerde ik op het Waterlooplein een kartonnen doos vol houten ledenpoppen. Zij gebaarden wanhopig, roerloos. Opnieuw het Blankert-gevoel. 's Avonds sloeg ik een krant open en zag een foto van een man die een kussen tegen zijn gezicht drukt. Hoe noem je de gevoelens die zoiets oproept? Ik weet het niet, maar een ding is zeker: grote kunst trekt het leven mee in zijn kielzog.