Enquête-troebelen

GEHEEL IN LIJN met de traditie gaat de instelling van een parlementaire enquêtecommissie ook nu weer gepaard met het nodige gesteggel rond de voorzitter. De VVD voelt zich gebruuskeerd nu alle andere fracties, met uitzondering van het CDA, zich gisteren hebben uitgesproken voor het Tweede-Kamerlid M. Vos van GroenLinks als voorzitter van de commissie die de enquête naar de bouwfraude moet gaan leiden en daarmee de kandidaat van de VVD hebben gepasseerd. Fractiesecretaris Weisglas van de VVD neemt het vooral zijn coalitiepartners PvdA en D66 kwalijk dat zij niet de kandidatuur van de VVD hebben willen steunen.

Met deze opstelling geven de liberalen blijk van een droevig staaltje kinnesinne. Waar het bij een enquête in de eerste plaats om dient te gaan is de kwaliteit van de commissieleden. Dat er daarnaast bij de verdeling van het voorzitterschap rekening wordt gehouden met de politieke kleur van voorzitters bij eerdere enquêtes valt te billijken. Maar er is hierbij geen sprake van rechten. De afgelopen weken heeft een tijdelijke commissie onder leiding van Vos onderzocht of een enquête naar malversaties bij grote overheidsaanbestedingen gewenst was. De voorlopige bevindingen van de commissie hebben aanleiding gegeven tot de aanbeveling dat dit zware parlementaire middel inderdaad moet worden ingezet. Bovendien is haast geboden met het onderzoek.

Dit pleit ervoor de reeds opgebouwde expertise onder de parlementariërs zo veel mogelijk te gebruiken. Temeer daar een aantal Kamerleden dat in de tijdelijke commissie zat na de verkiezingen niet zal terugkeren. Om die reden is het alleszins redelijk dat de nu ervaren Vos straks ook de parlementaire enquêtecommissie gaat voorzitten.

BIJ EEN PARLEMENTAIRE enquête maakt de Tweede Kamer optimaal gebruik van haar recht als controleur. Met regeerakkoorden of coalities hebben dit soort onderzoeken niets te maken. De VVD beriep zich bij monde van fractiesecretaris Weisglas juist op de coalitie. Een hoogst oneigenlijk argument.