De winter van 1740

In de zeventiende eeuw was het winterlandschap, zoals nog tot 25 februari op de tentoonstelling Winters van Weleer in het Mauritshuis in Den Haag te zien is, een populair genre. Langdurige vorstperioden en grote hoeveelheden sneeuw behoorden tot de normale verschijnselen. De historisch geograaf Jan Buisman heeft met veel geduld een grote hoeveelheid materiaal over historische weersituaties verzameld. Zo weten we nu dat Hendrick Avercamp, Jan van Goyen, Aert van der Neer en Jacob van Ruisdael leefden tijdens de `Kleine IJstijd'.

De strengste winters vonden echter plaats in een tijd waarin bij het kunstminnend publiek het winterlandschap al uit de gratie was geraakt. Naar het zich laat aanzien spannen de winters van 1709 en die van 1740 in dit verband de kroon. Zonder twijfel is die van 1740 door de daarop volgende zomer de rampzaligste geweest.

Koning winter diende zich reeds in begin oktober 1739 aan. In de Lage Landen kreeg men vanaf eind oktober met een vorstperiode te maken die de gehele maand november aanhield. Het vroor zo hard dat een week na het begin van de koudegolf er al drijfijs in de Maas gezien werd; eind november werd er in Haarlem op het Spaarne geschaatst. De ijspret was van korte duur, december telde weinig of geen vorstdagen.

Al snel bleek dat december maar een intermezzo was. Vanaf 5 januari zette de vorst krachtig door. In het hele land was het, bij harde wind, tussen de tien en twintig graden onder nul. Op zondag 10 januari kwamen heel wat kerkgangers met bevroren oren en neus weer thuis. Plaatselijk waren bruggen gescheurd en stenen regenbakken stuk gesprongen.

Eind januari waren de eerste tekenen van maatschappelijke ontwrichting zichtbaar. In Amsterdam kwam niet alleen de drinkwatervoorziening in gevaar, maar raakten ook de bierbrouwers in moeilijkheden. Zij zetten vierhonderd man aan het werk om het water tot aan Weesp open te zagen. Dit bleek vergeefse moeite: het water vroor achter de zagers vrijwel onmiddellijk weer dicht.

Ook op de zandgronden was de vorst merkbaar. Uit de Veluwe, de Achterhoek en Brabant kwamen berichten over troepen wolven. In Münsterland zou zich een bizar ongeluk hebben voorgedaan. Daar ging 's nachts een man met een geweer naar buiten in de hoop een wolf te schieten. Hij klom in een boom. Het was echter zo koud dat hij ter plaatse dood vroor. Na enige tijd ging zijn vrouw hem zoeken en ze vond hem verstijfd in de boom. Toen hij niet reageerde, wilde ze hem het geweer afpakken. Dit ging echter af en zo werd de vrouw door haar reeds overleden man doodgeschoten.

Eind februari kwamen in Enkhuizen per dag wel 160 sleden uit Friesland aan. Speciale vermelding kreeg een vrouw die in anderhalf uur met haar prikslee vanuit Hindeloopen de oversteek naar Enkhuizen maakte en later op dezelfde wijze weer terug prikte. De strandbewoners konden in Scheveningen, Katwijk en Zandvoort een zeldzaam schouwspel bekijken. Op het strand waren de ijswallen tot een hoogte van drie à vier meter opgestuwd.

Half maart kwam er een eind aan de langdurige vorstperiode, maar het duurde nog weken voordat de plaatselijk bijna 70 centimeter dikke ijslaag was gesmolten. Met de lente wilde het in 1740 niet echt vlotten. Volgens Buisman is het met een gemiddelde van 5˚ C de koudste lente uit de gehele weergeschiedenis. Pas eind mei verschenen de eerste bladeren aan de bomen. De gewassen die na de vorst waren opgeschoten bleven in dezelfde stand zonder te groeien, maar ook zonder te verdorren.

De zomer van 1740 was die naam niet waard: de koudste van de gehele achttiende eeuw met maximumtemperaturen van net boven de 20˚ C.

Met mislukte oogsten waren de mensen in de achttiende eeuw vertrouwd. Maar dat ze nog in het najaar te maken kregen met wateroverlast was redelijk nieuw voor hen. Door de uitzonderlijke koude lente en zomer smolt de enorme sneeuwmassa in de Duitse middelgebergten pas in de herfst van 1740. Het duurde jaren voordat de bewoners van de Lage Landen dit catastrofale jaar weer te boven waren. Geen schilder, graveur of etser zag brood in deze ellendige episode.

J. Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Deel V, 1676-1800 (Franeker / De Bilt, 2002; ter perse); A. van Suchtelen, e.a., Winters van Weleer. Het Hollandse winterlandschap in de Gouden Eeuw (Den Haag/Zwolle, 2001).