Commissie wil gebieden laten overstromen

Drie of vier noodoverloopgebieden zijn nodig om bij een uitzonderlijke hoge waterstand van Maas, Rijn en IJssel een grote ramp te kunnen voorkomen. Deze gebieden moeten gezamenlijk tien- tot twintigduizend hectare groot zijn.

Dit stelt de commissie Noodoverloopgebieden. De commissie, onder leiding van voormalig VVD-senator D. Luteijn, onderzoekt in opdracht van het kabinet de mogelijkheden van het gecontoleerd overstromen van de grote rivieren Maas, Rijn en IJssel in noodsituaties.

De noodoverloopgebieden zijn alleen in midden- en oost-Nederland nodig. In het westen van het land is het nut van een noodoverloopgebied ,,vrijwel te verwaarlozen'', aldus Luteijn. Het aanwijzen en inrichten van de gebieden kost het rijk ,,enkele honderden miljoenen euro's''. Zonder maatregelen zou de schade in de miljarden euro's lopen.

Noodoverloopgebieden zijn volgens de commissie `nuttig en noodzakelijk' in situaties waarin de aanvoer van water in een rivier zo groot is dat alle andere maatregelen, zoals dijken, pompen en rententiegebieden, zijn genomen maar geen effect meer hebben op de waterstand. Volgens waterbeheerders doet deze situatie zich eens in de 1.250 jaar voor.

De commissie verwacht weinig planologische beperkingen voor een gebied dat als noodoverloop wordt aangewezen. Huizenbouw en uitbreiding van bedrijven blijven mogelijk, stelt de commissie. Wel zullen ,,beschermende maatregelen'' nodig zijn. De commissie vindt dat het rijk planschade als gevolg van aanwijzing tot noodoverloop moet vergoeden. Ook moeten er duidelijke afspraken zijn over een ,,volledige schadevergoeding'' door het rijk als een gebied onder water wordt gezet.