Villa Bruinzicht

Als ik het goed heb geteld, zijn in de loop van de tijd in het Nederlands ruim zeventig woorden voor `plee' gebruikt. De oudste dateren uit de Middeleeuwen, de jongste zijn de afgelopen decennia ontstaan. Helemaal synoniem zijn ze overigens niet. Zo wordt met latrine doorgaans een geïmproviseerde wc buitenshuis aangeduid, en sommige mensen voelen ook nu nog een duidelijk verschil tussen plee en wc – de eerste had geen waterspoeling, de laatste wel.

Die zeventig woorden zijn in verschillende groepen in te delen. Sommige zijn ontstaan als eufemisme, andere als schertsende benaming, en geregeld loopt de ene categorie over in de andere. Als je naar de zogenoemde benoemingsmotieven kijkt, zie je dat de functie van de wc de nodige woorden heeft opgeleverd. De plee is een plek waar je je terugtrekt en dat zie je aan woorden als privaat (een verkorting van het Latijnse `camera privata'), retirade, rettet (een verbastering van retraite), secreet, stil gemak, geheim of heimelijk gemak en heimelikheid.

Ook de locatie van de plee heeft tot verscheidene woorden geleid, vooral tot veel eufemismen. Zoals daar zijn: zekere plaats, het einde van de gang (ook wel het hoekje of het hoekje van de gang), het kantoortje, het kleinste kamertje, de salet (oorspronkelijke betekenis `ontvangkamer, mooie kamer, salon'), de cour of koer (aanvankelijk voor een plee op de binnenplaats) en het huisje. Dat huisje hing vroeger op het platteland meestal boven een sloot.

Je kunt in theorie veel doen op een wc, maar oorspronkelijk kwam men er toch vooral om te poepen (plassen deed men in een po) en dat heeft niets aan duidelijkheid te wensen woorden opgeleverd als boutenbak, boutenkeet, boutkit, boutenburcht en boutenburg, poepdoos en kakdoos (later verkort tot doos), kakhuis (dat in het Indonesisch is terechtgekomen als kakus), schijthuis, schijtpaleis en het nepchique kakkatoir en kakkedorus. Het geluid dat bij een en ander wordt voortgebracht is terug te vinden in namen als boem boem plof en windhoek, de geur vinden we terug in stinkdoos, de kleur in benamingen als de bruine en het fraaie villa Bruinzicht.

Natuurlijk heeft de vorm van de plee ook aanleiding gegeven tot allerlei benamingen. Te denken valt aan woorden als brillekiek, broeder Bril (`een bezoek brengen aan broeder Bril'), het studentikoze de witte jongen met die bril, hilletje éénoog, Jannegie de eenoog (in Zuid-Holland) en notaris éénoog (met als beroepsverwante uitdrukking voor `poepen' ,,notaris de Bruin geeft kopjes''). De plee bestond lang uit een pot of ton, vandaar benamingen als kiepelton en pot.

Heel fijn zijn numero een, numero honderd of nummer honderd, naar het kamernummer dat de plee vaak in hotels kreeg. Het gaat hier om een vertaling van het Franse numéro cent, waarbij gezinspeeld werd op sentir `ruiken'.

In de dieventaal sprak men van sijbebelajum of sijbelbajes, in de Statenvertaling probeerde men zich eruit te redden met verkoelkamer (Richteren 3:24). Om plee netter te doen klinken, leende men uit het Frans woorden als abort, cabinet (soms vervormd tot cabbie), en natuurlijk toilet, een woord dat pas sinds de eerste helft van de 20ste eeuw algemeen wordt gebruikt voor `plee' en dat we in allerlei verbasterde, eufemistische vormen tegenkomen, van felet tot toiletteeles.

Prachtig vind ik twee schertsende verbasteringen uit het Frans, te weten piesemopsantee (een verbastering van puis-je m'absenter? `mag ik mij verwijderen'), en ienemiedemapsantee (ook wel iebele miebele mabsenter of ieperdemieperdemapsantee), een verbastering van het in nog netter Frans gestelde m'est-il permis de m'absenter. Op sommige scholen kregen kinderen die dit zeiden, als antwoord van de juf of meester: ,,Ja kalkoen.'' Dat was ironisch en afstraffend bedoeld, want de leerkracht bedoelde: `Nee, il y a quelqu'un' (er is al iemand).

Ik had gedacht dat ik het in de toegemeten ruimte zou kunnen afronden, maar nee, volgende week de laatste pleeronde.

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl. Voor een samenvatting zie op vrijdag www.nrc.nl