Overdrijf fraude in hbo niet

Binnenkort verschijnt een accountantsrapport dat vermoedelijk bij een aantal hbo-instellingen gesjoemel met studentenaantallen zal vaststellen. De omvang zal volgens Frans Leijnse niet meer dan marginaal zijn.

Zowel op de voorpagina als in het commentaar heeft NRC Handelsblad ruim aandacht gegeven aan `fraude' in het hoger beroepsonderwijs. Hogescholen zouden op grote schaal overheidssubsidie innen voor studenten die niet bestaan of elders een opleiding volgen. Opzetjes met commerciële business schools leidden tot dubbele betaling voor minimaal onderwijs.

Mijn voorlopige indruk is dat er in de afgelopen jaren in een klein aantal hogescholen niet de vereiste zorgvuldigheid is betracht bij het inschrijven van bepaalde groepen studenten. In samenwerking met commerciële onderwijsaanbieders zijn programma's geboden die qua onderwijs niet aan de maat waren, maar waarvoor wel één of twee jaar overheidssubsidie is verkregen. Er is bovendien onvoldoende gelet op de kwaliteit van het onderwijs dat de commerciële partner verzorgde. Ook is in een aantal gevallen het collegegeld zodanig verrekend dat er spanning met de regels op dat punt kan zijn. De omvang van dit alles is niet verwaarloosbaar, maar wel marginaal in het kader van het gehele hoger beroepsonderwijs. De achtergronden zijn bovendien interessant.

Wat nu aan de orde is, heeft alles te maken met de wijze waarop de Nederlandse overheid het hoger onderwijs financiert. Begin jaren '90 is gekozen voor een systeem waarin de rijksbijdrage aan individuele hogescholen en universiteiten vooral gebaseerd wordt op het aantal gediplomeerde studenten. Deze rendementsbekostiging moest de efficiency stimuleren en de studieduur bekorten. Tegelijkertijd schermde de overheid de mogelijke financiële consequenties van groeiende aantallen afgestudeerden voor de rijksbegroting af door het geheel van hogescholen en universiteiten te binden aan een vast budget. Dit budget wordt jaarlijks vastgesteld en heeft geen rechtstreeks verband met het aantal studenten en afgestudeerden. Stijgt het aantal studenten, zoals met name de hogescholen sindsdien hebben mogen ervaren, dan neemt het bedrag per student ieder jaar af. Een afgestudeerde is daardoor al gauw 10-15 procent goedkoper geworden sinds 1990, tegen een basisschoolleerling 20 procent duurder.

Ondanks het vaste totaalbudget blijft het voor een individuele hogeschool echter interessant meer studenten in te schrijven en diploma's af te geven. Het verdelingssysteem binnen de sector houdt namelijk wel rekening met deze aantallen. Naarmate de totale sector harder groeit en dus de rijksbijdrage per student harder daalt wordt het des te meer zaak het verlies te compenseren door zoveel mogelijk studenten te trekken en te laten afstuderen.

De gegeven omstandigheden hebben geleid tot een scherpe concurrentie tussen hogescholen om de gunst van de student. Een zeer snelle vernieuwing van opleidingen en een zekere versnippering van het studie-aanbod zijn hiervan het gevolg. Zij zijn tevens aanleiding geweest tot een verkorting van de feitelijke studieduur, een voortdurend zoeken naar kortere en efficiëntere leerroutes en een flexibele opstelling tegenover de leerbehoeften van studenten.

Nederland is een internationale kenniseconomie aan het worden en het hoger onderwijs moet daarin mee. Jongens en meisjes die zich na hun havo- of vwo-diploma melden voor een vierjarige voltijdstudie zijn allang niet meer de enige groep studenten. Steeds vaker komen er ook volwassenen die naast hun werk een opleiding willen volgen. Zij brengen vooropleiding en ervaring mee die een kortere weg naar het diploma mogelijk maken. Er komen buitenlandse studenten met vooropleidingen van diverse snit die een kortere of langere cursus willen volgen naar een diploma dat in hun land van herkomst aanzien geniet. En ten slotte schrijven zich bij de hogescholen gelukkig steeds meer mbo-gediplomeerden in. Zij kunnen soms in minder tijd het diploma halen door hun vooropleiding, soms ook niet.

De samenleving vraagt van het hoger onderwijs een grote inschikkelijkheid bij het accommoderen van deze steeds gevarieerdere wensen. Verzuimd is echter uit de toenemende diversiteit ook de financiële consequenties te trekken.

De kwaliteit van de opleidingen is tot nu toe redelijk bewaard. Afgestudeerden van hogescholen zijn bijzonder in trek en regelmatige bevraging van hun werkgevers levert onveranderd een grote waardering voor hun niveau op. Geregelde visitaties van alle opleidingen door onafhankelijke deskundigen bevestigen dit. Ook internationaal blijkt het Nederlands hoger onderwijs er goed tot zeer goed op te staan, en dat kan natuurlijk nooit als er op grote schaal de hand gelicht zou worden met tentamen- en examenresultaten.

De problematiek die nu met ,,vermeende fraude'' wordt aangeduid vindt zijn oorsprong in calculerend gedrag met het oogmerk meer studenten en diploma's te kunnen registreren om daarmee een groter deel uit de gemeenschappelijke subsidiepot te krijgen. Als een hogeschool daarin slaagt kost het de belastingbetaler niets extra's, maar worden de collega-hogescholen iets armer doordat het subsidiebedrag per student zakt. Zonder dat men elkaar van fraude verdenkt, bestaat er in de kring van de hogescholen al wel langer het gevoel dat er uit verdelingsoogpunt nadere afspraken nodig zijn. Om die reden heeft de HBO-raad medio 2000 het initiatief genomen tot een gedragscode voor de omgang met studenten die deels bij de hogeschool, deels bij commerciële aanbieders onderwijs volgen (uitbesteding). Die geeft regels op het punt van de kwaliteitszorg, de onderwijsinspanning van de hogeschool en de financiële relaties. Naar aanleiding hiervan hebben enkele hogescholen hun contracten met commerciële onderwijsinstellingen herzien.

Ook heeft deze branche-organisatie van hogescholen het initiatief genomen om de overigens volkomen legale overbekostiging van korte leertrajecten te beëindigen: een student die op basis van vooropleiding en werkervaring in twee jaar het leraarsdiploma haalde (maatschappelijk zeer wenselijk) werd de hogeschool voor vier jaar vergoed. Dat is nu door een technische aanpassing in het verdelingssysteem twee jaar geworden. Ten slotte wordt er in samenwerking met het departement gewerkt aan een nieuw verdelingssysteem voor het hbo. De hogescholen dringen er daarbij op aan de rijkssubsidie zo dicht mogelijk te koppelen aan de feitelijke onderwijsinspanning van de hogeschool, om aldus calculerend gedrag uit te sluiten. Binnen de vigerende aanbodfinanciering zal er echter altijd een marge blijven; de wil van alle betrokkenen is echter die zo klein mogelijk te maken.

Op de korte termijn is niettemin de meest prangende vraag, waar in het recente verleden hogescholen al calculerend over de schreef zijn gegaan. Over drie weken verschijnt daarover een accountantsrapport, waarop ik niet vooruit wil lopen. Bij de hogescholen bestaat de indruk dat de accountants grondig te werk gaan en de inschrijving van diverse groepen studenten zeer nauwkeurig afzetten tegen de geldende regels. Die regels zijn niet altijd klip en klaar, zodat in hoor en wederhoor over interpretaties wordt gestreden, en terecht. Het is niet uitgesloten dat aan het eind van dit onderzoek zal blijken dat in een aantal gevallen groepen studenten in samenwerking met commerciële onderwijsaanbieders zijn ingeschreven op een wijze die strijdt met de geest, zo niet met de letter van de bekostigingsregels. In die gevallen dient deze praktijk beëindigd en in zijn financiële consequenties gecorrigeerd te worden. Hier gaat de integriteit van de hogescholen als collectief boven de vrijheid die een enkele instelling zich meende te kunnen permitteren.

Een ondubbelzinnige veroordeling en sanering van mogelijk laakbare praktijken moet ons echter het zicht op de juiste proporties niet benemen. Van de 310.000 studenten in de vijftig Nederlandse hogescholen is het overgrote deel volkomen onomstreden.

Frans Leijnse is voorzitter van de HBO-raad, Vereniging van Hogescholen.