Lachende kozakken

Wanneer ik bij het Groningse station de voetgangersbrug over het kanaal neem, raak ik tussen beide oevers verdwaald in de straten van Sint-Petersburg. Sla je onderweg rechtsaf, dan kom je via de deuren van het Groninger Museum terecht in zalen vol schilderijen van Ilja Repin.

Ik ging meteen op zoek naar het schilderij dat ik mij het beste herinnerde van de rondgang die ik een paar jaar geleden door de musea van Sint-Petersburg had gemaakt. En jawel, het was present (niet helemaal, want het gaat om een vroegere versie). Zodra je ernaar kijkt, begin je mee te grijnzen met de lieden die door Repin zijn vereeuwigd.

Destijds wist ik weinig van Sint-Petersburg af. Ja, `Hermitage' en `Nevski Prospekt', die woorden kende ik wel. Vlak voor mijn vertrek las ik de lijvige roman `Sint-Petersburg' van Theun de Vries, maar die speelde zich helaas in een ver verleden af.

Het stadsbeeld van Sint-Petersburg wordt beheerst door gouden koepels en gouden torenspitsen. Het contrast tussen de pracht en praal van paleizen en kerken en de sjofelheid op straat kon niet groter zijn. Eerst bezocht ik het Antropologisch Museum, dat is volgestouwd met de gebruiksvoorwerpen en etnografica die Russische expedities uit vreemde streken meenamen. Een speciaal vertrek is gewijd aan een bizarre collectie medische preparaten. Peter de Grote kocht kalveren met twee koppen en misvormde foetussen aan van professor Ruysch, die hij bij zijn verblijf in Nederland had ontmoet. Zoals bekend had Peter, die op de scheepswerf van de Verenigde Oostindische Compagnie `Pieterbaas' werd genoemd, grote belangstelling voor westerse wetenschap en techniek.

In de Hermitage kwam ik de geest van Pieterbaas opnieuw tegen, en wel in de afdeling met Gouden Eeuw-schilders. Behalve met Rembrandt, Jan Steen, Frans Hals en Paulus Potter worden de wanden ook gesierd met doeken van Melchior de Hondecoeter, die zich specialiseerde in het schilderen van kippen, eenden, pauwen en konijnen. Van een gids hoorde ik dat een bioloog, die een proefschrift schreef over oud-Hollandse hoenderrassen, hier zijn ogen had uitgekeken.

In het Russisch Museum kwam ik vele schilderijen van armoedige dorpen en modderige landschappen tegen. Overal staarde Moedertje Rusland de bezoeker met trieste blik aan. Natuurlijk, de oogst was weer mislukt, de echtgenoot had zich het graf ingedronken en de enige zoon was gesneuveld op een slagveld achter de Oeral.

Tot ik opeens op een groot doek stuitte dat `Het leger van Suvorov steekt de Alpen over' heette. Je ziet Suvorov op een wit paard aan de rand van een gletsjer staan; gebiedend wijst zijn hand voorwaarts. De soldaten hebben geen problemen met het bevel: schaterlachend roetsjen ze op hun achterste over het ijs omlaag. Het leek mij een eerste kennismaking met Russische humor. In een andere zaal stond ik oog in oog met een stel ruige types die niet meer bijkomen van het lachen. De meesten hebben oosterse gelaatstrekken. Ze zijn gehuld in een bonte verzameling kledingstukken. Ze verdringen zich rond een man die een ganzenveer over het papier beweegt. Het onderschrift luidt: `Zaporozjekozakken schrijven een brief aan de Turkse sultan.'

Dat was de tweede kennismaking.

De catalogus licht een en ander toe. Zaporozje blijkt een gebied ten zuiden van Kiev te zijn. De kozakken bewaakten van oudsher de zuidelijke grenzen. Geregeld riepen zij Turkse troepen en Krimse Tataren een halt toe. Zij hadden een `reputatie van strijdlust, dapperheid en onafhankelijkheidszin'. Toen zij een brief van de Turkse sultan kregen met het voorstel zich bij hem aan te sluiten, besloten zij hem een brief terug te schrijven. Het is niet moeilijk je voor te stellen welke beledigingen aan het papier werden toevertrouwd. `Hooggeachte geitenneuker' – dat zou wel eens de aanhef geweest kunnen zijn.

`Ilja Repin: het geheim van Rusland' is tot 8 april te zien in het Groninger Museum.