Lohengrin: een operabruiloft die rampzalig slecht afloopt

Terwijl zaterdag het koninklijk huwelijk was gevierd zonder typische bruidsmuziek, klonk 's avonds in het Amsterdamse Muziektheater alsnog Wagners beroemde bruidsmars (Daar komt de bruid) tijdens de première van Lohengrin. De belaagde hertogin Elsa trouwt met graalridder Lohengrin. Hij is haar ridder op de witte zwaan en redder in de nood. Ze weet niet eens wie haar bruidegom is, ze mag niet naar zijn naam of afkomst vragen, anders zal alles alsnog misgaan. Uiteindelijk vraagt ze toch naar zijn naam, net zoals Euridice in de onderwereld, tegen het goddelijk gebod in, haar redder Orpheus wilde aanzien.

En inderdaad, ook hier gaat het dan mis. De bruid Elsa (met de slang uit het Paradijs in haar jurk!) sterft, de bruidegom Lohengrin (in oranje jas!) keert gedesillusioneerd terug naar de graalsburcht Monsalvat. Hoewel vroeger en elders een koninklijk huwelijk vaak werd gevierd met een opera, was het niet verwonderlijk dat de koninklijke feestgangers niet in het Muziektheater verschenen om getuige te zijn van deze rampzalige bruiloft.

Meestal heeft het slot van Lohengrin, met de terugkeer van de door Ortrud weggetoverde Gottfried, toch nog iets positiefs: het zal ondanks alles wel een béétje goedkomen. Maar bij regisseur Pierre Audi en ontwerper Iannis Kounellis faalt Lohengrin, de middeleeuwse Superman, op alle fronten. Ook al verslaat Lohengrin aanvankelijk de kwalijke Telramund tijdens een godsgericht, als verlosser met bovenaardse macht brengt hij toch geen blijvend heil. De teruggetoverde Gottfried verschijnt als een wereldvreemde knaap in een lege wereld. Niemand wil nog weten van een godswonder, iedereen loopt weg. Deze Lohengrin eindigt grimmig op de grijsgrauwe grens van onbestemd en ontredderd.

Wel ziet het operapubliek hier in de tweede acte toch nog iets van de feestelijkheid van 02-02-2002 met een aansprekende, fenomenaal vormgegeven inleiding tot de bruiloft van Elsa en Lohengrin. Een trouwpartij kan eigenlijk nooit stuk, maar hier gaat het feestelijk ritueel over in een onafwendbaar drama, een enerverende mars op weg naar het onafwendbare einde. Eindeloze stoeten koorleden en figuranten schrijden in fantastische witte kostuums rond het witte bruidspaar, steeds opnieuw bedreigd door Ortrud en Telramund.

Met Audi en Kounellis is het back to basics in deze Lohengrin. Audi is terug bij de intense sobere en succesvolle regiestijl van zijn Monteverdi-producties met de oer-elementen water, aarde en vuur. Kounellis wordt gefascineerd door de vroeg-industriële verwerking daarvan: we zien hier vooral staal en mijnwerkerslampen. De indrukwekkende staalwanden – in de eerste acte zitten 112 koorleden in vier rijen daartegenaan `geplakt' – wegen veertig ton.

Hèt eeuwige heikele ijk- en twistpunt van een Lohengrin – hoe wordt de zwaan verbeeld? – is even Kounelliaans: het transportmiddel zwaan is een bundel roeispanen op een spoorkarretje. Het riep na afloop niet eens boegeroep op.

Lohengrin (1850) wordt hier ook gebracht als een scharnierpunt in het oeuvre van Wagner. De ouderwets pompeuze koren in hun strakke opstellingen herinneren aan de Romeinse cohorten in zijn vroege Rienzi (1842). Dirigent Edo de Waart laat de twee opvallend `onwagneriaans' klinkende kwintetten verwijzen naar de nog wat Italiaans georiënteerde jonge Wagner. Audi ziet in Elsa een warrig meisje dat in verbinding staat met een mystieke parallelle wereld. Zoals Senta in Der fliegende Holländer (1843) de komst van de Hollander in een visioen voorziet, zo voorvoelt Elsa haar redding door de mysterieuze Lohengrin. Audi's enscenering is een religieus psychodrama, waarbij de handige en heksige Ortrud opereert als een Lady Macbeth en Elsa brengt tot de twijfel aan Lohengrin, die leidt tot haar ondergang.

Ook wordt vooruitgewezen naar Wagners late werk. De morbide sfeer van Der Ring des Nibelungen (1869-1876) klinkt aan het begin van de tweede acte. Ortrud roept de goden Wotan en Freia uit de Ring aan. Maar er zijn vooral relaties met Parsifal (1882), de opera over Lohengrins vader, eveneens met zwanensymboliek. Parsifal werd de bewaarder van de graal, de beker waarin het bloed van Christus' vloeide. De etherische bovenaardse muzikale glans, die in Parsifal de graal symboliseert, klinkt al in Lohengrin.

Deze aanpak leidt automatisch tot het oproepen van archetypes, bedoeld en onbedoeld. Tot Audi's eigen verrassing is de openingsscène met de Heerrufer en Elsa al een verbeelding van `Der Tod und das Mädchen'. De slotscène, met Lohengrin en Elsa op een verhoging voor het volk, herinnert aan Rembrandts ets Christus aan den volke getoond.

Maar de imitatio Christi (`navolging van Christus') die Parsifal beheerst werkt hier omgekeerd. Christus werd een verlosser door zijn vernedering met doornenkroon en kruisdood. De verlosser Lohengrin wordt vernederd omdat Elsa hem niet gehoorzaamt, zodat hij is gedwongen zijn verlossingswerk op te geven. Lohengrin moet zich tijdens de Gralserzählung – de crux van de opera – als Graalridder bekendmaken en de `geredde' Elsa alsnog in de steek laten.

De navolging van Christus door de graalridder mislukt. Zijn bovenaardse macht wordt begrensd door menselijke twijfel. Het kwaad op aarde zal voortwoekeren. Het is een uiterst sombere en zeldzaam zwartgallig gepresenteerde interpretatie van Lohengrin. Zoals Audi in vorige ensceneringen de superioriteit van de Griekse goden boven de mensen ontkende, zo toont hij hier de onmacht van de christelijke god om het leven op aarde te beïnvloeden. Audi hoeft niet naar de graal te zoeken, die is voor hem van geen belang.

De eerste scènische Lohengrin in ons land sinds 1983 heeft bij de Nederlandse Opera veel Nederlandse inbreng. Charlotte Margiono is een prachtige en fascinerende Elsa, volgens Audi eigenlijk de hoofdrol. Zorgzaamheid wisselt ze af met extase, waarbij haar indringende hoge stem de vocale omzetting van de graalsglans is waarin ze aanvankelijk zo sterk gelooft.

Op 16 en 19 februari heeft Margiono Albert Bonnema in de titelrol naast zich. De overige voorstellingen wordt de rol van Lohengrin vertolkt door de Britse tenor John Treleavan: vaak fraai zingend en nobel van karakter in de met heldere en wendbare stem mooi gedetailleerd voorgedragen Gralserzählung. De soms slordige intonaties waren hopelijk te wijten aan premièrezenuwen.

Geert Smits is een opvallend krachtig zingende Heerrufer. Door Audi is die rol hier gekarakteriseerd als een tegelijkertijd statig lange ceremoniemeester bij het duel tussen Lohengrin en Telramund en een gebochelde nar, die twijfelt aan de rechtspraak van de koning. Verder zijn er uitstekend tot goed gezongen rollen van Linda Watson (een schrikwekkend vileine Ortrud), Hartmut Welker (een wankelmoedige Telramund) en Kurt Rydl (een gedreven koning Heinrich).

Edo de Waart dirigeerde Lohengrin sinds 1972 al vele malen, onder andere in 1979 in Bayreuth en in 1993 tijdens een fabuleuze Matinee op de Vrije Zaterdag. Zijn ervaring, zijn inzicht en zijn voorliefde voor dit werk leiden in samenwerking met het voortreffelijke Rotterdams Philharmonisch Orkest tot een superieure muzikale uitvoering, bijzonder rijk aan gevarieerde klankkleuren en sferen.

Met deze topproductie van Lohengrin kan definitief worden geconstateerd dat de Nederlandse Opera bezig is aan een `gouden seizoen' met uitsluitend bijzondere nieuwe producties (Alice in Wonderland, Lear, Giulio Cesare, L'elisir d'amore, Lulu en Turandot met een nieuw slot) en reprises van zeer succesvolle voorstellingen (Jenufa, Salome, Dialogues des Carmélites en Don Giovanni).

Voorstelling: Lohengrin van R. Wagner door de Nederlandse Opera en het Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart. Decor: Iannis Kounellis; kostuums: Angelo Figus; licht: Jean Kalman; regie: Pierre Audi. Gezien: 02/02/02 Muziektheater Amsterdam. Herh.: t/m 26/2.