ZWAAR WERK

In het post-industriële tijdperk eindigen steeds meer mensen achter een computerscherm. Wie in Nederland steekt nog de handen uit de mouwen? Fotograaf Inge Ybema reisde stad en land af op zoek naar mannen met spierballen. 'Wie dit werk doet, moet niet bang zijn.'

Sjaak de Wit (57): 'Ik vind het helemaal niet erg als 's ochtends om kwart over vijf de wekker gaat. Dan denk ik : Ha, lekker, dadelijk naar de jongens toe. Wat is nou vandaag de dag die acht uurtjes? En als je een paar leuke jongens om je heen hebt, is het helemaal geen punt. Maar als het zo regent en met die wind, dan heb je aan het einde van de dag wel zoiets van: godverdorie, ben blij dat 't erop zit.'

Barry de Wit (24): 'Soms is het zwaar, maar dat hangt ook af van de klus. Vandaag zei die aannemer dat we om drie uur beton krijgen, dus moet je ervoor zorgen dat ie stortklaar is. Dan zetten ze zo'n wand neer, die moeten wij dan vlechten. Vandaag was die vier meter hoog, dan is het steiger op, steiger af.'

Sjaak de Wit: 'Maar ik heb nooit ergens last van. Ik ben niet zo groot, daar heb ik mazzel mee, want je staat natuurlijk veel gebukt. Je moet de hele dag dat ijzer oppakken. Maar het houdt natuurlijk een keer op, dat je zegt: dat kan ik niet tillen. Als je dan op een kraan moet wachten, ben je soms zo een half uur kwijt. Maar dan ga ik niet in de keet zitten wachten. Nee, dat doe ik niet. Als ik op het werk ben, wil ik werken.'

Vader Sjaak en zoon Barry de Wit zitten aan de koffie in het kantoortje van de betonijzervlechterij van Rob Krijt. Vanachter de tafel hebben ze zicht op de fabriekshal waar ijzeren constructies en enorme rollen bewapeningsijzer staan opgesteld. Er staat een machine die het betonijzer in stukken knipt en een automaat om het ijzerdraad tot beugels te plooien. Binnen, aan de muur in het kantoortje, hangen portretten van grootvader, vader, zonen en kleindochter Krijt. De zaak is al veertig jaar in handen van de familie. Rob Krijt (41): 'Mijn grootvader werkte met zijn zonen en zestien vlechters bij aannemer Jan Bakker, maar daar heeft hij ruzie gekregen. Toen is hij voor zijn eigen begonnen. Twaalf jaar geleden heb ik het overgenomen. Mijn vader noemde het bedrijf Arie Krijt, nu heet het Krijt en Zonen bv, twee van mijn zonen zitten nu in de zaak.'

Rob heeft zo'n 25 vlechters in dienst. Voor grote klussen huurt hij extra krachten in. De meeste van zijn mannen werken buiten, op de bouwplaats, een aantal van hen staat achter de machines in de fabriekshal. Zelf wil hij ook nog wel eens een paar uur achter de knipmachine of de beugelautomaat staan. Hij wandelt met Sjaak en Barry de hal in om het apparaat te demonstreren. Het bewapeningsijzer wordt vanaf de rol de machine ingevoerd. Als Rob op een knopje drukt, begint de machine een enorm kabaal te maken en wordt het ijzer in een razend tempo tot ronde beugels omgevormd. De ringen vallen met een harde knal op de betonnen vloer. Rob: 'Die machines hebben we nu zo'n 25 jaar. Maar vroeger ging alles met de hand. Op de bouwplek werd elk staafje met een plooi-ijzer op een plooiplaat gebogen. Nu laten we hier een groot deel volautomatisch knippen en buigen en maken we er constructies van. Die pre-fabjes worden dan op de vrachtwagen geladen en naar de bouwplek gebracht.'

Sjaak: 'Vroeger moest je alles ter plekke doen, werd er een schenkeltje aan gebogen of een haakie. Maar nu wordt het meeste hier gemaakt en aan elkaar gelast. Wat nog los is, moeten wij op het werk alleen nog met een draadje aan elkaar maken. En we brengen het ijzer in de balken of leggen het uit op de vloer.'

Sjaak werkt sinds tweeëneenhalf jaar bij het vlechtbedrijf van Rob. Maar hij zit al veertig jaar in het vak. 'Op mijn veertiende ben ik begonnen als tegelzetter. Eerst mocht ik alleen maar voegen inwassen, nou, daar werd ik na een half jaar wel helemaal mesjokke van. Ik zei: "Hoe zit dat? Ik word toch tegelzetter?" Toen zei mijn baas: "Zet maar op". Dus ik zette een rijtje tegels op. Maar na het eten waren ze er allemaal afgevallen. De specie was niet goed. Te slap, of juist te stevig, dat luistert heel nauw. Ik zei: "Nou, dat leer ik dus nooit. Goodbye!" Toen zag ik die vlechters en dat leek me wel wat.'

Vroeger, in de vakantiedagen, ging Barry al met zijn vader mee naar de bouw. Hij wilde geen vlechter maar timmerman worden. 'Ik heb mijn diploma's gehaald en ben aan de slag gegaan, maar op het werk ging het niet lekker. Toen heb ik een tijd bij de kermis gezeten, bij de botsautootjes. Maar de jongen voor wie ik werkte, had problemen met de belasting, dus moest ik ander werk vinden. Toen heb ik Rob opgebeld en kon ik bij hem aan de slag.'

Sjaak: 'Zo gaat het. Je rolt er op een gegeven moment in en dan houdt het je vast. Het is best wel fascinerend werk, hoor, je hebt heel mooi vlechtwerk. Maar dan is het soms wel jammer: hebben we er drie weken op gezeten, gieten ze beton over zo'n muurtje en dan zie je het nooit meer terug.'

Rob werkt al van jongs af aan bij het bedrijf van zijn vader. 'In die tijd waren er heel wat mannetjesputters op de bouwplaats.

Dat is nu wat minder. Sinds de Veiligheids Checklijst Aan- nemers (vca) bestaat, wordt er op van alles gelet: je moet regenkleding dragen, bouwverdiepingen worden afgeschermd met leuningen, je mag niet meer zwaar tillen. Er gebeuren daardoor een stuk minder ongelukken.'

Barry: 'Maar ja, iedereen in de bouw loopt wel eens wat op. Je kan een been breken of ergens met je vinger tussen zitten. En je kan een flinke snee oplopen van het ijzer. Dat is soms vlijmscherp als het uit die machine komt.'

Toen Rob als ijzervlechter werkte in IJmuiden, liep hij een keer bloedvergiftiging op. 'Twee rooie banen langs mijn onderarmen. Mijn collega zei: "Daar moet je naar laten kijken." Ik naar het ziekenhuis, zeiden ze daar dat ik eerst naar de dokter moest om een briefje te halen. Toen ben ik naar de huisarts geweest, die gaf me een recept en hij vertelde me dat als ik die pilletjes zou slikken, alles goed zou komen. Dus dat deed ik, maar onder de douche werd ik me toch beroerd. Komt mijn vrouw binnen. Zij zag wel dat het niet in orde was, de klieren onder mijn armen waren helemaal opgezet. Ik ben naar een weekendarts gegaan, die spoot me vol met antibiotica en zei: ''Goed dat je bent langsgekomen, want de volgende dag had je niet gered".'

Sjaak: 'Wie dit werk doet, moet niet bang zijn. Je moet ook een beetje doorzetten. Daar bestaat het hele leven uit: niet zo kinderachtig doen. Kinderachtig, dat vind ik niks. Kom op, je bent een kerel, laat dan ook zien dat je er een bent. Ik heb ook wel eens pijn in mijn rug, maar dat gaat wel weer over. Ik wil het gewoon niet voelen.'

Rob: 'Maar neem een vent als Wil. Die werkt ook bij ons. Hij is nu 35, heel groot, heel sterk en heel breed. Als die wat pakt, dan moet je goed uitkijken, want voor je het weet ga je tegen de grond. Enorme bundels ijzer grijpt-ie. Laatst hoorde ik dat hij op een feestje met twee meiden op zijn armen had staan dansen. Dat maakt hem allemaal niks uit.'

Barry: 'Ja, maar dat jongetje waar Wil mee werkt, die houdt het niet lang vol. Want als hij met zo'n bundel ijzer loopt, sleept hij dat ventje d'r achter an. Wil loopt met stappen van twee meter, maar die ander heeft korte beentjes en moet twee keer zo hard lopen. En Willie loopt gewoon door, hoor.'

Sjaak: 'Kijk, het is wel een spektakel, dat-ie dat doet, maar die wordt niet zo oud. Als hij zo oud wordt als ik, zit-ie er niet zo bij als ik nu. Ik heb bomen om zien vallen, hoor. Want op een gegeven moment ga je d'r an. Ik denk dat ik een beetje slimmer ben geweest. Vroeger kregen jongens als Wil aan het einde van de week een geeltje meer. Maar ik zei altijd tegen die baas: ''Ik hoef dat niet, hou maar", ik wil gewoon wat ouder worden. Die mannen waren toch allemaal met een jaartje of 36, 40 jaar kapot.'

Voordat Sjaak bij het bedrijf van Rob terechtkwam, werkte hij als voorman bij een afdeling van Hoogovens in Beverwijk. 'Daar had ik het ook echt goed naar m'n zin. Er waren daar 240 vlechters in dienst, maar die moesten op een gegeven moment allemaal weg.'

Rob: 'In de jaren tachtig waren de Hoogovens grote concurrenten van de aannemers. Zij konden een prijs vragen voor een kilo ijzer die eigenlijk niet kon, gewoon om je een loer te draaien.'

Sjaak: 'Die Hoogovens wilden de hele bouwwereld in hun macht hebben, de kleine baassies opvreten. Vroeger ging het om een halve cent, maar op 500 ton ijzer scheelt dat enorm.'

Rob: 'Door hun zijn de hele kleintjes verdwenen, maar de rest is blijven bestaan. Dat is een zware strijd geweest. Nu werken er geen vlechters meer bij de Hoogovens.'

Sjaak: 'In de tijd van voor de Hoogovens heb ik nog wel voor echte ratten gewerkt. Er was toen nog zat werk. Je had op iedere hoek van de straat wel een vlechtersbaas. Dan stonden we voor de een te werken en dan waren ze aan de overkant van de straat ook met een bouwwerk bezig. En dan zei die baas: ''Jongens, bij mij een joetje meer." Dan ging iedereen naar hem toe. En dan zei ome Jan: ''Wat flik je me nou, kom terug! Bij mij ook een tientje erbij!" En dan pakte je twee joetjes in de week. Dat was in die tijd heel wat. In de bouw is het een beetje een cowboywereld, daar nemen ze het niet zo nauw. Je kan zo weglopen, als iemand vier tientjes meer biedt, dan vertrek je gewoon.'

Rob: 'Een maatje van mij, die al 22 jaar bij ons werkte, wilde op een gegeven moment overstappen naar een collega van mij. Die had een advertentie in de krant gezet dat hij op zoek was naar nieuwe vlechters. Hij bood 50 piek meer dan ik, dus dat maatje van me kwam bij mij en zei dat hij erover dacht om bij die ander te gaan werken, tenzij ik natuurlijk ook het loon zou verhogen. Toen zei ik tegen hem dat hij er van mij niet bij kreeg. Hij had een week bedenktijd en toen heeft hij zijn biezen gepakt. Maar drie weken later stond ie ineens weer bij mij op de stoep. Hij vond het helemaal niks daar. Hij moest in de regen werken, kreeg er geen extra geld voor, hij had er een beetje spijt van. Maar toen heb ik toch echt tegen hem gezegd: ik doe het niet, ik hoef je niet meer terug. Want toen ik op vakantie was in Mexico, had ik achteraf gehoord dat hij tegen een aantal van mijn jongens had gezegd dat ze mee moesten gaan naar die ander. Dat vond ik het lulligste. Kijk, dat je op een gegeven moment wegloopt voor een paar centen, oké. Maar als je al zo lang samenwerkt en dan zoiets doet? Nee.'

Barry: 'De ellende met overspringen is, dat je niet weet waar je terechtkomt. Je kan wel 50 gulden meer krijgen, maar als je geen kilometergeld krijgt of je eigen kleren moet betalen, ben je heus niet voordeliger uit.'

Als het aan Sjaak ligt, werkt hij de komende jaren nog wel even door. 'Ik heb een heftig leventje en dat kost een paar centen. Ik schaats drie keer in de week, 's avonds fiets ik en ik kom nog wel eens op het Leidseplein. Motorracen is mijn passie, maar dat kost geld. Ik hou ervan om van gran prietje naar gran prietje te rijden. Dus om een beetje een goede uitkering te krijgen, moet ik wel doorgaan tot mijn 61ste, dan krijg ik geloof ik 86 procent.'

Ook Barry heeft het voorlopig wel naar zijn zin bij Rob. Dat ze allebei voor dezelfde werkgever werken, stoort hen niet. Ze zitten elkaar weleens in de weg, vader en zoon, maar niet vaak.

Sjaak: 'Als we niet door kunnen gaan, zegt Barry gewoon: wacht maar even, ouwe. Maar ik wil geen kwartier wachten, kom op!'

Barry: 'Hij kan zich enorm druk maken over loodgieters die niet komen of over spullen die er niet zijn en dan krijg ik dat elke avond op m'n brood. Dat gesnauw. Af en toe gaat dat wel heel diep, hoor.'

Sjaak: 'Maar als de vlam in de pijp vliegt, dan moet een de verstandigste zijn. Dan moet ik me mak houden en denk ik: hij is nog maar vierentwintig, hij weet het nog niet zo goed.'

Barry: 'Nee. ik vind het niet erg om samen met mijn vader te werken, alleen als hij 's avonds ook nog met me op stap wil, dan zeg ik nee.' M

Rosan Hollak is medewerker van M Magazine.

Inge Ybema is freelance fotograaf.

[streamliners] 'Het is best wel fascinerend werk, hoor, je hebt heel mooi vlechtwerk.'

'Je moet een beetje doorzetten, daar bestaat het hele leven uit: niet zo kinderachtig doen.'

'Ik heb bomen om zien vallen, hoor. Want op een gegeven moment ga je d'r an.'