WAT PEKING VAN MOSKOU KAN LEREN

Hoe hervorm je een communistische dictatuur? Door in één klap politieke en economische hervormingen door te voeren, zoals Michail Gorbatsjov heeft gedaan? Het resultaat is een vrij Rusland vol chaos, corruptie en misdaad. Of door alleen de economie te liberaliseren en de autoritaire eenpartijstaat instand te houden, zoals de Chinezen doen? Ian Buruma reisde van Peking naar Moskou en ontdekte dat het inefficiënte Rusland een betere toekomst tegemoet gaat dan het explosieve China.

Dat de wereld, geheel los van 11 september, ook in Azië is veranderd, wordt mij duidelijk ergens boven Irkoetsk, tijdens een vlucht met China Air van Peking naar Moskou. Mijn medepassagiers zijn voornamelijk Chinezen, met hier en daar een Rus. Het vermaak aan boord bestaat uit hedendaagse Chinese soaps en oude films over revolutionaire helden die allerlei fascistische vijanden bevechten. Maar boven Irkoetsk krijgen we een documentaire van het Amerikaanse History Channel te zien over de superioriteit van Amerikaanse slagschepen. Wendingen als 'strijd voor de vrijheid' en 'de stoerheid van Amerika' stromen uit onze koptelefoons, terwijl Amerikaanse marinehelikopters torpedo's afvuren en het geschut der vrijheid buldert. Ik kijk om me heen om de Russische en Chinese reacties te peilen. De meeste passagiers zijn in diepe slaap.

De reden om deze route te vliegen is dat ik een hypothese wil toetsen, of liever gezegd: een idée reçue, namelijk dat de overgang van het communisme naar het kapitalisme de Chinezen beter afgaat dan de Russen. In Rusland is het een rommeltje - de economie is in de jaren van Jeltsin verwoest door een ideologisch gemotiveerde shocktherapie en door graaiende oligarchen, het dagelijks leven is een ellende als gevolg van corruptie en misdaadbendes.

Van China wordt daarentegen aangenomen dat het uit de Russische ervaring een les heeft getrokken. De 'mislukking' van Michail Gorbatsjov vormt voor de Chinese leiders een waarschuwing tegen politieke hervormingen waardoor de greep van de partij op de macht zou verminderen. Geruggensteund door enorme investeringen van Chinezen in het buitenland, hebben zij dan ook besloten zich op economische hervormingen te richten. Bijna niemand in China, ook niet het merendeel van het partijkader, gelooft echt in het communisme, maar een autoritaire eenpartijstaat past wel in de Chinese traditie en wordt door de meeste Chinezen verkozen boven de mogelijke wanorde van een haastige democratisering.

Zo luidde het verhaal dat ik bij herhaling heb gehoord van buitenlandse zakenlieden, diplomaten en van een Engelse kenner van de Chinese economie, Peter Nolan van de universiteit van Cambridge. Volgens hem is het van wezenlijk belang dat de Chinese Communistische Partij het voor het zeggen houdt en de economische hervormingen begeleidt, wil China niet net als Rusland in een toestand van chaos vervallen. Als het aan hem lag, verzekerde professor Nolan me, zouden alle volgelingen van de Falun Gong worden opgesloten. Ook de loopbaan van Nolan zelf is trouwens een teken van veranderende tijden: hij adviseert niet alleen de Staatsraad van de Volksrepubliek China maar ook Coca-Cola.

Natuurlijk lijkt China met zijn enorme plattelandsbevolking niet op Rusland, dat stedelijker is, gemiddeld hoger opgeleid, rijk aan natuurlijke hulpbronnen en dicht bij Europa. En terwijl enorme sommen Russisch geld naar Zwitserse bankrekeningen weglekken, wordt de Chinese economie juist aangezwengeld door grootscheepse investeringen van Chinezen in het buitenland, en in Hongkong en Taiwan. De Chinese economie is veel levendiger dan de Russische, ook al liggen er reusachtige problemen in het verschiet als gevolg van een combinatie van insolvente banken, geplunderde natuurlijke hulpbronnen, failliete staatsbedrijven, massale werkloosheid en ambtelijke corruptie.

De vraag is of het Chinese experiment met een autoritair kapitalisme onder leiding van de Partij stabieler zal zijn dan de strompelende Russische democratie.

Stralende etalage van high-tech

Peking ziet er niet meer uit als een stad onder een communistisch bewind. Bij aankomst op de voortreffelijke, nieuwe internationale luchthaven word je begroet door foto's van de Chinese Muur, de Verboden Stad, traditionele Chinese dansers, enzovoorts, maar er zijn geen verwijzingen naar het communisme te zien. De luchthaven is een efficiënte, stralende etalage van moderne high-tech, waar het Londense Heathrow slonzig bij afsteekt. Peking hangt vol met affiches, spandoeken en borden die de 'Grootse Olympische Spelen' in het 'Nieuwe Peking' welkom heten en er zijn patriottische oproepen om het vaderland lief te hebben, maar vrijwel geen leuzen over de klassenstrijd of de dictatuur van het proletariaat. Het 'Leiderschap van de Partij' wordt aangeprezen, maar eerder in de zin dat het een patriottische in plaats van een revolutionaire plicht is om de Partij te volgen. Zelfs kapitalistische ondernemers zijn tegenwoordig welkom als partijlid.

De weidse vlakte van het Plein van de Hemelse Vrede, met aan de ene kant Mao's portret en aan de andere kant Mao's mausoleum, heeft nog altijd iets bedreigends en draagt het stempel van het staatsgezag, maar het valt ook uit de toon in een stad die steeds meer wordt beheerst door winkelcentra, discotheken, internationale hotels, grote banken en vestigingen van McDonald en Starbuck. Marsliederen schetteren uit luidsprekers en een schrille vrouwenstem op een bandje houdt de mensen op het plein telkens weer voor welke activiteiten streng verboden zijn, zoals kauwgom weggooien, op straat spugen, demonstreren of zonder toestemming bloemen leggen bij het Monument voor de Volkshelden (Daar zijn in het verleden betogingen begonnen).

Maar dit heeft allemaal eerder iets nerveus dan dat het doet denken aan revolutionaire jubel. Aanhangers van de religieuze sekte Falun Gong worden hier aangehouden, zodra ze als rituele oefening hun armen heffen. De politie kijkt uit alle hoeken toe, in uniform en in burger.

Het jaar 2001, het jaar van Pekings geslaagde gooi naar de Olympische Spelen, viel samen met het tachtigjarig jubileum van de Chinese Communistische Partij. Het Volksdagblad, de officiële partijkrant, kondigde wel allerlei festiviteiten aan, maar opnieuw zette het patriottisme de toon: opera's die 'uiting geven aan het verlangen van het Chinese volk naar de eenwording van het Chinese vaderland' en zo. Ik besluit een tentoonstelling van tachtig jaar partijgeschiedenis in het nieuwe Millenniummonument te bezoeken.

Groepen mensen, van wie velen in legeruniform, staan in de rij om binnen te komen. Ze kijken verveeld, alsof dit een plicht is die doorstaan moet worden, wat voor de meesten ook zo is. Bij de deur word ik tegengehouden. Er zijn geen individuele kaartjes verkrijgbaar. Maar ik heb belangstelling voor geschiedenis, zeg ik. Ik wil graag naar binnen. Ga maar praten met de leiding, krijg ik te horen. De leiding is een opgeblazen figuur in een blauw pak, die argwanend is. Wie ben ik? Tot welke organisatie behoor ik? Waarom heb ik zo'n belangstelling voor de geschiedenis van de Communistische Partij? Waarom ben ik alleen? Het idee dat iemand dit zelf zou willen, lijkt hem te onthutsen. Ten slotte, na enig getelefoneer met een hogere ambtenaar, word ik toegelaten, vergezeld van een vriendelijk glimlachende jonge gids en een fotograaf, die telkens als ik ergens naar wijs een foto maakt.

De tentoonstelling heeft een merkwaardig eigentijdse inslag. De partijgeschiedenis begint met Mao Zedong, zijn nederige afkomst, zijn opleiding, zijn strijd om China 'te bevrijden' en zijn triomf in 1949. Maar dan maakt de geschiedenis een reuzensprong. Er zijn wat foto's van industriële bedrijven in de jaren '50 en er is een model van de eerste Chinese auto, maar er zijn geen verwijzingen naar de Grote Sprong Voorwaarts eind jaren '50, toen er meer dan 30 miljoen mensen zijn verhongerd, of naar de Culturele Revolutie van de jaren '60 of naar welke andere politieke zuivering of ramp door mensenhand ook. Ik doe navraag bij de gids. Dat is allemaal niet belangrijk, zegt ze. In plaats daarvan is alles gericht op de economische hervormingen van Deng Xiaoping in de jaren '80 en de handel en techniek van de jaren '90. Wat hier wordt geëerd, is niet het communisme maar de technocratie. Het eenpartijbewind wordt niet gerechtvaardigd door een politieke leer, maar door economische doelmatigheid en vooruitgang, precies wat veel westerse zakenlui zo in China bewonderen en vaak gunstig vinden afsteken bij het rommeltje in Rusland.

De combinatie van een politieke dictatuur en een min of meer kapitalistische economie lijkt aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Beter kan het toch niet? Geen vakbonden die last veroorzaken en niet dat geknoei met die verkiezingen wat democratische systemen zo onvoorspelbaar maakt.

Natuurlijk is deze combinatie niet uniek voor de Volksrepubliek China. Het model is het Chili van generaal Pinochet. Een communistische partij kan hem moeilijk openlijk ten voorbeeld stellen, maar in vertrouwen krijg ik te horen dat hij in de zogeheten hoofdstroom van de Partij zeer wordt bewonderd. In Chinese overheidskringen gaat de discussie niet tussen politieke liberalen en autocraten, maar tussen voorstanders van het Pinochet-model en 'links' georiënteerden, die het kapitalisme niet zonder reden als verraad van de socialistische idealen zien. De huidige leiding lijkt zich in het kamp van Pinochet te bevinden.

Dissidenten monddood

Je komt in China ook wel vrijzinniger mensen tegen die een andere kijk hebben en democratische hervormingen bepleiten, maar die worden weggedrukt. Dat gebeurt niet per se meer met gevangenisstraf of lichamelijk geweld. Die methoden worden gereserveerd voor mensen die dapper of roekeloos genoeg zijn om zich in te laten met georganiseerde oppositie. Dissidente denkers worden monddood gemaakt door hen te beletten nog les te geven of hun denkbeelden te publiceren. Een van die mensen is Qin Hui, hoogleraar economische geschiedenis aan de Qinghai-universiteit van Peking, een zeer erudiet man met liberale opvattingen; hij mag niet meer doceren. Een ander is Liu Xiaobo, een beroemd literatuurcriticus, die tien jaar in gevangenissen en werkkampen heeft doorgebracht wegens zijn steun aan de studenten op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 en zijn pleidooi voor burgerlijke vrijheden. Zijn geschriften zijn verboden. Een beroemd economisch journaliste, He Qinglian, schreef in 1998 een bestseller De valkuilen van de modernisering, over de gevaren van een kapitalisme zonder politieke vrijheden. Sindsdien is haar het zwijgen opgelegd en eerder dit jaar is ze gedwongen in ballingschap gegaan. En dan is er nog Dai Qing, een journalist en historicus die in China niet mag publiceren en die, nadat we 's avonds laat afscheid van Qin Hui hadden genomen, tegen me zei: 'Daar gaat een van de grootste geesten van China, een man met een enorme sociale verantwoordelijkheid, en die hebben ze de mond gesnoerd.'

Voorstanders van het Chinese eenpartijbewind doen zulke dissidente intellectuelen af als onbelangrijk, of erger nog, als een bedreiging van de stabiliteit. En het feit dat de Chinese overheid hen als een bedreiging behandelt, verraadt nervositeit, alsof ze ongerust is over haar eigen breekbaarheid. Want hoe modern Peking van buiten ook mag lijken, misschien is China helemaal niet zo stabiel als het eruitziet, en er is een goede reden om aan te nemen dat het eenpartijsysteem zelf de hoofdbron van instabiliteit is. Allereerst is de ambtelijke corruptie inherent aan het systeem. Zonder oppositie kan het partijkader in het semi-kapitalistische casino van het hedendaagse China min of meer doen wat het wil. Staatsfunctionarissen kopen natuurlijke hulpbronnen tegen vastgestelde overheidsprijzen en verkopen die met enorme winsten op de particuliere markt, of ze 'privatiseren' staatsindustrieën door arbeiders zonder loon te ontslaan en de ondernemingen daarna leeg te plunderen. Wie durft te protesteren, kan in een ommezien worden gearresteerd. Het gevolg is een maffia-economie, beschreven in het boek van He Qinglian, waarin moeilijk een verschil is te bespeuren tussen politieke bazen en grote criminelen.

Corruptie is misschien bij elke overgang naar het kapitalisme wel onvermijdelijk. Rusland is ervan vergeven en zelfs de vs zijn er bepaald niet immuun voor. Maar in China heeft de systematische corruptie waar geen politieke vertegenwoordiging tegenover staat al tot oproer geleid. Ze was de aanleiding tot de betogingen in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede, en de reden dat boeren en arbeiders telkens als ze de kans krijgen protesteren, soms met geweld. De overheid weet dit en voert van tijd tot tijd campagnes tegen corrupte ambtenaren. Maar aangezien partijbazen en hun vazallen de hoofdrol spelen in de maffia-economie, zijn zulke campagnes niet veel meer dan zuiveringen gericht op politieke rivalen, en dragen ze weinig bij tot een stabiele overheid of een versterking van de rechtsstaat.

Misdaadbendes en partijbonzen

Vaak wordt gesteld dat economische vrijheden leiden tot de vorming van een middenklasse, en daarmee van een 'burgerlijke maatschappij' die op den duur democratie zal brengen. Die stelling wordt ook over China verkondigd, vandaar de algemene opvatting, bij Chinese functionarissen maar ook bij buitenlandse zakenlui en tal van deskundigen, dat de Chinese regering zich terecht in de eerste plaats richt op economische hervormingen. Inderdaad is de opkomst van een nieuwe middenklasse in Peking zichtbaar. Restaurants en discotheken zitten vol jongelui met meer geld dan hun ouders ooit hebben kunnen dromen. Sommigen werken bij Hongkongse of Amerikaanse bedrijven, anderen beginnen hun eigen zaak met een minimum aan partijbemoeienis. Ook in hun privé-leven hebben ze aanzienlijke speelruimte. En toch wordt elke poging om tot iets als een burgerlijke maatschappij te komen de grond ingeboord. Onafhankelijke vakbonden, politieke partijen, denktanks, studentenvakbonden, godsdienstige gemeenschappen en eigenlijk alle organisaties buiten de controle van de partij zijn verboden. De vonkjes van de vrije vereniging zijn destijds gedoofd op het Plein van de Hemelse Vrede.

Misdaadbendes zijn in China de enige organisaties die min of meer onafhankelijk opereren, maar ook die spelen vaak onder één hoedje met autoriteiten van de Partij. Zo is bekend dat plaatselijke partijbonzen boeren extra belasting afpersen door ze gangsters op hun dak te sturen. Er komen steeds meer verhalen van het platteland over boeren die dit niet meer pikken en bij wijze van protest overheidskantoren kort en klein slaan. In Sjenjang deden hoge ambtenaren zaken met een gangster die voor 100 miljoen dollar burgers had opgelicht en in Xiamen kreeg de partijsecretaris, zoals zovelen, smeergeld van de leider van een smokkeloperatie ter waarde van 6,6 miljard dollar. Die dingen gebeuren ook in Rusland, maar het Chinese geval bewijst dat een autoritaire eenpartijstaat geen betere bescherming biedt tegen maffiapraktijken. Het gebrek aan een institutioneel tegenwicht tegen de overheidsmacht maakt alles alleen maar erger.

Chinese websites

De literatuurcriticus Liu Xiaobo heeft het stelselmatig opgenomen voor de mensenrechten, de vrijheid van meningsuiting, de democratie en, het grootste waagstuk, de zelfbeschikking voor Tibet.

Dat heeft hij niet alleen in persoonlijke gesprekken gedaan maar ook in het openbaar, in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede, en later in petities aan de overheid. Hij is pas vorig jaar uit de gevangenis vrijgelaten.

Ik tref hem in de coffeeshop van een sjofel hotel in de buurt van zijn flat, niet zover van het Millenniummonument. Net als Qin Hui vindt Liu dat de Russen in veel opzichten beter af zijn dan de Chinezen, misschien niet materieel, maar 'zij leven tenminste in een democratie en kunnen vrijuit spreken'. Het probleem in China is volgens hem niet dat mensen niet genoeg te eten hebben. Het probleem is dat 'elk soort initiatief uit het volk dat niet onder overheidscontrole staat, onmogelijk wordt gemaakt. Arbeiders en boeren mogen geen georganiseerde vertegenwoordiging hebben. En zodra een blad of krant iets publiceert wat de overheid niet aanstaat, wordt de redactie ontslagen of de publicatie stopgezet. Wat heb je aan privé-meningen als je ze niet openbaar mag maken?'

Maar de Chinese dissidenten hebben één voordeel dat de sovjet- intellectuelen van weleer nooit hebben gehad: het reusachtige netwerk van Chinese websites en publicaties in het buitenland, in Hongkong, Taiwan, de vs en Europa. Publicaties van ballingen en internet zijn de enige uitlaatkleppen voor een man als Liu Xiaobo. De Chinese overheid kan weinig doen aan die wereldwijde Chinese links, behalve met intimidatie. De recente arrestaties van Chinese academici uit het buitenland - op beschuldiging van spionage - zijn daar voorbeelden van. Het zal de uitingen van onvrede niet keren, maar het verspreidt wel angst.

Liu Xiaobo walgt van de uitwerking die de eeuwenlange autoritaire politiek op zijn volk heeft gehad. Net als bij zoveel Chinese intellectuelen in de afgelopen honderd jaar of daaromtrent is zijn politieke kritiek verzuurd tot een gevoel van culturele wanhoop. Zijn jongste geschriften staan vol aanvallen op de Chinese volksaard, de lafheid van de Chinese intellectuelen, het grove materialisme van het gewone volk.

'Het enge aan China is', zegt hij, 'dat bijna iedereen privé het ene zegt en in het openbaar het tegendeel.' Hoezo eng? 'Vanwege de psychologische schade', zegt hij. 'Het tast de samenleving aan. Het druist in tegen de menselijke waardigheid.'

Liu heeft gelijk, maar culturele wanhoop is niet de oplossing voor de Chinese politieke problemen, het is een symptoom. Een eenpartijdictatuur heeft geen vreedzame oplossing voor de belangenconflicten die in elke maatschappij bestaan, zeker niet als die zo groot en complex is als de Chinese. Aanvankelijk bracht de Chinese Communistische Partij dit vraagstuk terug tot een brute klassenstrijd. Daarna, toen de mensen het maoïsme zat waren, werden ze gesust met de belofte van algehele welvaart, gewaarborgd door een technocratische elite. Omdat die droom voor veel - zo niet de meeste - mensen niet kan uitkomen, worden ze onderworpen aan agressieve nationalistische propaganda, alsof binnenlandse belangenconflicten te verbloemen zijn door voortdurende nationale campagnes om China groot te maken, om pal te staan tegen het Amerikaanse imperialisme, om de Olympische Spelen naar Peking te halen, om meer gouden medailles te winnen, enzovoorts.

Campagnes en oproepen zijn van oudsher een vorm van sociale controle in Oost-Azië en het is mogelijk dat de angst voor chaos de eenpartijstaat nog een tijdje overeind zal houden. Maar de kernproblemen van ambtelijke corruptie en belangenconflicten blijven onopgelost. Als alle vreedzame oppositiekanalen worden afgesloten, is geweld het enige wat overblijft. Misschien is dat in Peking nog niet zichtbaar, maar gewelddadige opstandigheid, vooral op het platteland, waar eens te meer iets broeit, maakt al duizenden jaren deel uit van de Chinese geschiedenis. Economische technocratie kan niet genoeg zijn om de overheid te legitimeren.

Zodra het volk in opstand komt, in een economische crisis, als het bestaan van miljoenen op het spel staat, is het niet meer te houden. Michail Gorbatsjov mag veel fouten hebben gemaakt, maar het minste wat je over zijn politieke hervormingen kunt zeggen is dat ze met een minimum aan bloedvergieten een eind hebben gemaakt aan een autoritair eenpartijbewind. Die beproeving staat China nog te wachten.

Achterlijk, inefficiënt, traag, corrupt

Zodra ik in Moskou aankom, bel ik Tatjana Tolstaja, schrijfster en politiek essayiste. Ik vertel haar dat ik in Boedapest, Praag en Warschau ben geweest, maar nooit in het hart van het oude Sovjetrijk. Ze zegt: 'Maar dat zijn Europese steden. Dit is Azië.'

Als ik een andere Rus vraag naar het gebrek aan internetcafés in Moskou, krijg ik hetzelfde te horen: 'Dit is Azië.' Maar er zijn zoveel internetcafés in Azië, zeg ik. 'Niet in ons Azië', is het antwoord.

'Azië' is niet altijd een positieve aanduiding. Het wordt natuurlijk soms gebruikt als fier symbool van antiwesterse opstandigheid, maar hier betekent het achterlijk, inefflciënt, traag, corrupt, het niet-Europese gezicht van Rusland. Het is een vorm van nationale zelfminachting, misschien wel een uiting van de 'faalervaring', zoals een Russische socioloog het heeft genoemd - het idee dat Rusland altijd achterloopt op het westen.

Toen Michail Gorbatsjov in de jaren '80 met zijn politieke hervormingen begon, probeerde hij het socialisme te redden, maar voerde hij ook een show op voor het westen. Net als andere liberale hervormers vóór hem wilde hij dat Rusland zich bij het westen aansloot. Hij koesterde zich in zijn westerse geliefdheid, zelfs toen veel Russen hem de schuld gaven van alweer een nieuwe faalervaring: de ineenstorting van het Sovjetrijk.

Ook de Chinezen zijn overgevoelig voor vermeende westerse superioriteit. Maar hun nationalisme berust niet zozeer op een perifeer minderwaardigheidscomplex als wel op een gevoel van vernedering, doordat de zwakte van het Midden-Koninkrijk werd blootgelegd door het negentiende-eeuwse westerse imperialisme. Het Chinese nationalisme heeft iets hoogdravends en pompeus, wat te zien is in de monumentale nieuwbouw in Peking, grote nationale uitstalkasten van graniet en glas, vaak met een vrij onzinnig nep-Chinees dak.

Moskou heeft weinig monumentale nieuwbouw, maar er worden veel oude gebouwen opgeknapt, in een poging terug te grijpen op een sierlijker, Europeser pre-communistisch verleden. En anders dan in Peking, waar de verwoesting van het verleden door Voorzitter Mao vrijwel is voltooid dankzij een dolzinnige modernisering, is er in Moskou nog altijd veel geschiedenis zichtbaar.

Van Olga Aleksakova, een Russische architecte die in Rotterdam werkt, hoor ik dat de restauratie van pre-communistische gebouwen in Moskou een poging is om culturele lijnen door te trekken die door het stalinisme werden afgesneden. Vandaar de flirt met niet alleen de achttiende- en negentiende-eeuwse architectuur, die ook invloed had op de stalinistische bouw, maar ook met Jugendstil en art deco. Veel postmoderne bouw in Moskou is quasi-art deco of quasi-Jugendstil.

We eten bij haar ouders thuis in een haveloos, grauw flatgebouw niet ver van het centrum van Moskou. Op de deuren van de flats zitten hangsloten om kwalijke buren op afstand te houden. Olga's vader, Alexander Aleksakov, ontwerper van kerncentrales, laat me zien hoe hij de ongemakken van het Russische bestaan het hoofd biedt: een zelfgemaakte boiler in de badkamer levert warm water als er alleen koud is, wat elke zomer een aantal weken het geval is. In de gang hangen foto's van een recente vakantie in Spanje.

Olga's moeder, Tatjana Goloebkina, werkt in het verzekeringswezen, maar haar passie is de Franse literatuur. Ze praat over haar eerste reis naar het westen, in 1989, toen ze 36 was. Bij de herinnering aan de avond dat ze uit het donker van Oost-Berlijn in het helle licht van het westen kwam, krijgt ze nog altijd tranen in haar ogen. Terwijl we ons de rode kaviaar en het koude vlees laten smaken, weggespoeld met wodka, merkt Aleksakov op dat het leven in Rusland zo snel is veranderd dat jongeren zich niet eens kunnen voorstellen hoe het onder het communisme was. 'We vergeten hoe dat was', zegt hij. 'Ik zal het nooit vergeten', zegt zijn vrouw. Haar ergste nachtmerrie is dat de grenzen van Rusland weer dichtgaan.

De betrekkelijke welvaart in Moskou - de overvloed van prima restaurants, de levendige cafés, de welvoorziene winkels - is natuurlijk bedrieglijk. Net zoals Peking rijker is dan de meeste plaatsen in China, ligt de rest van Rusland mijlenver op Moskou achter. En de problemen van de worstelende Russische democratie zijn niet altijd even zichtbaar als de Moskouse winkelcentra. Zo lang de vuile oorlog in Tsjetsjenië voortduurt, kunnen de Russen de Chinezen moeilijk op de vingers tikken wegens de mensenrechten, en de pogingen van president Poetin om de onafhankelijke pers aan banden te leggen, lijken verdacht veel op Chinese methoden. Maar hét probleem voor de Moskovieten is de wetteloosheid. Eén kant daarvan is zelfs heel goed te zien. In een week tijd was ik meer dan eens getuige van dezelfde procedure. Een verkeersagent gebiedt een auto om te stoppen, beveelt de bestuurder zijn papieren te overhandigen en beschuldigt hem van een zogenaamde verkeersovertreding, de bestuurder haalt een biljet uit z'n portefeuille, geeft dat aan de agent en daar is meestal de kous mee af.

Concurrerende maffia's

Ik zit met Tatjana Tolstaja in de buurt van het museum voor moderne kunst in een wonderlijk parkje, dat vol staat met afgedankte beelden van sovjetleiders: hier een borstbeeld van Brezjnev, daar een marmeren figuur van Lenin en hoog boven ons uit, als een boze, bronzen geest, Feliks Dzjerzjinski, hoofd van Lenins geheime politie en stichter van het strafkampennetwerk de Goelag. Tientallen jaren lang stond zijn beeltenis op wacht voor het hoofdkwartier van de kgb in Moskou, totdat het in 1991 door een woedende menigte omver werd getrokken. Vaag staan op zijn jas nog de woorden 'bloedige beul' te lezen. 'Niemand krijgt genoeg betaald', zegt Tolstaja, 'dus iedereen moet bijverdienen met smeergeld of omkoperij of iets van dien aard. De mensen maken hun eigen regels, en die zijn in feite zinniger dan de regels die de overheid probeert op te leggen.'

De communistische overheid was natuurlijk ook corrupt, net als in China. Dat was een van de redenen waarom Gorbatsjov met zijn hervormingen begon. Sinds de instorting van het sovjetstelsel heeft de ene maffia, de partij zelf, plaatsgemaakt voor allerlei concurrerende maffia's. Ik vraag Tolstaja of haar leven daardoor makkelijker is geworden. 'Alles is makkelijker', zegt ze. 'Toen één bende de baas was, werd elk initiatief gesmoord. Iedereen was altijd mismoedig. Het leven was vreselijk. Het is nu onvergelijkelijk veel beter.'

Aan Jegor Gaidar stel ik dezelfde vraag. Gaidar met zijn vollemaansgezicht was als voormalig vice-premier en minister van Financiën onder Boris Jeltsin verantwoordelijk voor de prijsliberalisering en andere economische hervormingen die in de jaren '90 alom tot ellende leidden. Hij besloot toen dat een shocktherapie de enige manier was om de zieltogende Russische economie te hervormen, of zoals hij zelf zei: 'de patiënt uit zijn bed te sleuren'. Helaas verspeelde de patiënt daarbij het merendeel van zijn bezittingen. Gaidar staat nu aan het hoofd van een liberale denktank. Hij is nog altijd zeer impopulair. Hij smakt bedachtzaam met zijn rode lippen en zegt: 'In Rusland is de corruptie tenminste openlijk aan de orde. Politici beschuldigen elkaar van allerlei vuiligheid. Vaak zijn dat valse beschuldigingen. Maar er wordt tenminste openlijk over gepraat. Dat helpt ons het probleem te doorgronden en er hopelijk iets op te vinden.'

Toen Gaidar begin jaren '80 nog een jonge econoom was en in het geniep met andere dissidenten de neoklassieke economische theorie besprak (de term 'markteconomie' was nog verboden), was de gedachte dat Rusland een democratie zou worden nog een hersenschim. In die tijd keken Russische hervormers als mogelijk model nog naar China. De Chinese economische politiek was onder Deng Xiaoping vrijer dan de Russische hervormingen, vooral in de landbouw. Maar toen Gorbatsjov tot ieders verbazing, ook tot die van de jonge dissidenten, opriep tot politieke hervormingen, was China voor de liberale hervormers geen voorbeeld meer.

De enigen die China nog altijd als een positief model zien, zijn oude communisten en het soort mensen (deels medestanders van president Poetin) die wel iets zien in het idee van Pinochets Chili. Het is een merkwaardig verschijnsel dat het enige wat autoritaire Russische denkers en Chinese communisten gemeen hebben hun bewondering voor generaal Pinochet is. 'Ja,' zegt Jegor Gaidar, 'die trend is er nog steeds. Wij zijn een jonge democratie, de eerste in de Russische geschiedenis. We zijn het eens over de markteconomie, maar nog niet over de democratie.' Wat zou de steun voor de democratie versterken? Gaidar kijkt me aan en zegt met een weemoedig lachje: 'Het leven.'

Confucianisme en marxisme

Sergej Tichvinski, ere-voorzitter van de Chinees-Russische Vriendschapsvereniging, oud-afdelingshoofd van de kgb in Londen en in de jaren '50 diplomaat in China, toen Rusland officieel nog China's grote broer was, is het soort man die vindt dat de Chinezen gelijk en de Russen ongelijk hebben. Ik drink Chinese thee bij hem in zijn grote flat vol Chinese snuisterijen, niet allemaal van de hoogste kwaliteit. Zijn lievelingswoord is 'efficiënt'. De politieke hervormingen van Gorbatsjov waren 'niet efficiënt'. Ook hij vindt dat er in de jaren '80 hervormingen nodig waren, want de partij was corrupt geworden en het Politburo was 'inefficiënt', maar de 'efficiënte' manier om van het communisme op een markteconomie over te gaan, is door de overheid in handen van de Partij te houden. Daarom gaat het beter bij de Chinezen. Als ik Tichvinski hoor praten, besef ik hoe nauw de technocratie bij de kgb-geest aansluit. Hij is geen communistisch ideoloog, alleen maar een autoritaire man die vindt dat een sterke staatscontrole essentieel is voor de oplossing van alle menselijke problemen.

Net als de meeste westerse sinologen analyseert Tichvinski de Chinese politiek hoofdzakelijk in culturele termen. Hij bewondert wijlen Deng Xiaoping, want die 'herstelde het contact tussen het confucianisme en het marxisme'. Het klassieke marxisme is uit de tijd, zegt hij. 'Je moet je aanpassen. Dat is de Chinese traditie. Die is heel efficiënt.' Maar de bewondering gaat niet alleen één kant op. 'Er is in China groeiende belangstelling voor het beleid van president Poetin, in positieve zin.'

Wat zien de Chinezen als het meest positieve aan president Poetin? Tichvinski: 'Zijn pogingen om het centrale gezag over de verschillende gebieden te versterken en het separatisme een halt toe te roepen, dat is het voornaamste. En de Chinezen kopen nog altijd veel Russische wapens. Ook dat is belangrijk.' Niet de persvrijheid? vraag ik een beetje ondeugend. Tichvinski verslikt zich walgend in zijn kopje thee van Chinees porselein. 'Ik sta heel kritisch tegenover de massamedia', zegt hij. 'Daar is niets positiefs aan. De Chinezen weten alle negatieve invloeden in te perken... misdaad, pornografie, seks. In ons land zijn die nog niet ingeperkt.'

Een oude kgb-man als Tichvinski is misschien niet maatgevender voor de Russische opinie dan een overtuigde liberaal als Jegor Gaidar. Maar het valt in Rusland ook niet mee om te zeggen wie of wat maatgevend is - zoals trouwens in geen enkele maatschappij. Daarom gaan in een vrije maatschappij de mensen naar de stembus en is er een openbaar debat door middel van de massamedia. De meeste Russen geloven misschien niet in de democratie zoals Gaidar, maar volgens opiniepeilingen willen ze wel aan hun nieuwe vrijheden vasthouden. In die zin is de verwarde politiek van president Poetin misschien juist wel maatgevend voor de publieke opinie. Veel mensen delen zijn wantrouwen jegens de pers en zijn wens om door versterking van de staat een eind te maken aan de institutionele chaos van de jaren-Jeltsin, en staan velen zelfs achter hem in de smerige oorlog in Tsjetsjenië, maar ze delen ook zijn wens om een meerpartijenstelsel te behouden.

Het zou kunnen dat Rusland uiteindelijk weer een autoritair bewind krijgt, maar voorlopig is het nog niet zover. En wat betreft het Pinochet-model, al in 1991 kwam Gaidar tot een rake formulering: mensen die denken dat Rusland het voorbeeld van Chili kan volgen, kennen het verschil niet tussen hetsovjetleger en de Chileense militaire elite.

Geloof is hoe dan ook geen wezenlijke factor binnen een democratische overheid. Maar het is wel onmisbaar in een eenpartijstaat. Omdat mensen niet mogen stemmen, moeten ze hun geloof belijden. Welke rechtvaardiging kan één leider of één partij anders hebben om de regeringsmacht te monopoliseren? En geloof in de oude partijdogma's ontbreekt nu juist in het huidige China. Tenzij je gelooft dat de Chinezen van nature gezagsgetrouw zijn, wordt het Chinese systeem daardoor breekbaar. Het is best mogelijk dat Moskou minder efficiënt is dan Peking. De Russische economie is in veel opzichten nog altijd een ramp. Maar efficiëntie is niet alles. In het begin van de 20ste eeuw was Duitsland efficiënt, trots op zijn industriële kunnen, niet bepaald democratisch, en ten prooi aan rancuneus nationalisme. En we weten allemaal wat daar is gebeurd.

Voordat ik uit Moskou vertrek, bel ik een oude China-kenner, Vladimir Skossirev. Hij is nu journalist bij Vremja MN, maar eind jaren '50 studeerde hij in China. In 1992 was Skossirev er als verslaggever terug voor Izvestia. Het was een onthutsende ervaring, zegt hij. Hij was jaloers, ongerust en had een raar, vervreemd gevoel. Die gevoelens waren vooral sterk, toen hij in 1992 het congres van de Chinese Communistische Partij bijwoonde. De Russen hadden alle communistische symbolen uit het verleden inmiddels afgeschaft. Gaidar was begonnen met zijn vrije-markthervormingen, het standbeeld van Dzjerzjinski lag languit voor de Loebjanka en de communistische staatsgreep was mislukt. En daar in Peking zag Skossirev het allemaal opnieuw: mannen in slechte pakken die de Internationale zongen, die eindeloos oreerden in de oude 'taal van hout', die dezelfde leuzen declameerden, 'net als vroeger in Rusland'. Hij was diep geschokt.

Ik vraag hem waarom hij jaloers was. 'Omdat de Chinezen efficiënter economische hervormingen hadden doorgevoerd.' En waarom ongerust? 'Tja', zegt hij, 'we werden wel warm onthaald, maar alles was geregisseerd. Elke Chinees speelde zijn rol. Wat me verontrust, is dat Chinezen altijd bevelen opvolgen. Ze protesteren nooit. Elke ochtend krijgen ze van hun bazen te horen wat ze moeten doen. Nu zijn de betrekkingen met Rusland goed. Maar er zijn nog altijd problemen met de Chinees-Russische grenzen. Stel dat de tijden veranderen en dat ze Russisch grondgebied opeisen?'

Daar klinkt iets in door van de aloude Russische angsten voor Dzjengis Khan en de gele horden. Een oorlog met Rusland is in wezen onwaarschijnlijk. Maar waarin Skossirev volgens mij echt ongelijk heeft, is met zijn bewering dat de Chinezen altijd gehoorzaam zijn. Dat zijn ze niet. Ze kunnen ook opstandig en anarchistisch zijn. De Russen hebben tenminste, net als het Indiase volk, de instellingen - hoe broos en krakkemikkig ook - om hun onvrede te uiten. De Russische democratie is nog verre van volmaakt en kan nog faliekant mislukken. Maar tot dusver is ze veerkrachtiger gebleken dan menigeen had verwacht.

In China bestaat geen institutionele weg waarlangs mensen kunnen protesteren, en daarom kan China op een dag gemakkelijk ontploffen, terwijl de arme, inefficiënte Russen op min of meer vreedzame wijze blijven voortstrompelen. M

Vertaling: Rien Verhoef

Ian Buruma is schrijver en essayist. Zijn laatste boek, Bad Elements: Chinese Rebels from LA to Beying, verscheen onlangs bij uitgeverij Random House.

Billy Smith is illustrator in Peking.

[streamliners] Bijna niemand in China gelooft echt in het communisme. Maar de meeste Chinezen verkiezen de autoritaire eenpartijstaat boven de wanorde van een haastige democratisering.

Chinese dissidenten hebben één voordeel boven de sovjetintellectuelen van weleer: het reusachtige netwerk van Chinese websites.

De Russische democratie is nog verre van volmaakt en kan nog faliekant mislukken, maar ze is veerkrachtiger gebleken dan menigeen had verwacht.