Vloeiende intelligentie

Wat is IQ? Al bijna honderd jaar zijn de meeste IQ-testers ervan overtuigd dat deze test een enkelvoudige en algemene vorm van intelligentie meet. Deze factor `g' (general intelligence) zou ten grondslag liggen aan vrijwel al het hogere mentale functioneren van de mens en zou ook sterk erfelijk bepaald zijn. Maar een duidelijk fysiologisch fenomeen of een helder hersenmechanisme is voor `g' is nooit vastgesteld. Onderzoek naar de snelheid van prikkelgeleiding in de zenuwbanen of de omvang van het werkgeheugen hebben nog geen bevredigende biologische substraten voor intelligentie opgeleverd.

De Australische psycholoog Dennis Garlick presenteert nu een nieuwe oplossing voor het mysterie van `g', in zijn artikel `Understanding the general factor of intelligence' (Psychological Review, februari). Hij zoekt de biologische basis van intelligentie in het vermogen van hersencellen om onderlinge verbindingen aan te maken in reactie op invloeden van de omgeving. Dit vermogen wordt wel synaptische flexibiliteit genoemd (synapsen zijn de punten waar zenuwcellen met elkaar in verbinding staan). Verschillen in intelligentie worden dan dus niet veroorzaakt door één anatomisch vastgelegde factor, maar door een samenspel van deze omgevingsinvloeden èn het erfelijk bepaalde vermogen om snel nieuwe verbindingen tussen hersencellen aan te leggen.

Het gaat niet om intelligentie die voortkomt uit ervaring en aangeleerde inzichten, maar om wat Garlick noemt `vloeiende intelligentie': redeneren, omgaan met abstracte begrippen en het leggen van logische verbanden.

Garlick onderbouwt zijn betoog onder meer met verwijzingen naar neurologisch onderzoek. Zijn basisstelling is dat intelligentie wel gelegen moet zijn in de kwaliteit van de verbindingen tussen zenuwcellen, omdat juist daarin het centrale mechanisme van het brein is te vinden. Hersencellen zelf zijn eenvoudige schakelstations. Ook verwijst Garlick uitgebreid naar computersimulaties van deze neurale netwerken, waarbij allerlei kenmerken van intelligentie zouden kunnen worden teruggevonden (zoals een gefaseerde groei, het effect van onderwijs). Die netwerken functioneren beter wanneer er meer onderlinge verbindingen kunnen worden gelegd als reactie op nieuwe prikkels.

Een ander belangrijk argument van Garlick is dat zijn theorie allerlei problematische verschijnselen in het intelligentie-onderzoek redelijk kan verklaren. Een implicatie van Garlicks these is bijvoorbeeld dat niet intelligentie zèlf erfelijk is, maar alleen de onderliggende genetisch bepaalde synaptische flexibiliteit. Een mens dankt in deze visie een hoge intelligentie niet alleen aan erfelijke factoren, maar ook aan de blootstelling aan bepaalde invloeden in zijn jeugd. Garlick legt daarbij de grens bij ongeveer zestien jaar. Uit onderzoek blijkt dat dan de belangrijkste verbindingen in de hersenen zijn gelegd èn dat het IQ ook niet meer verder toeneemt. (Bij kinderen jonger dan 16 wordt de IQ-score altijd aangepast aan de leeftijd, om toch een leeftijdsonafhankelijke score te krijgen.) Deze grote invloed van de omgeving op intelligentie verklaart ook het Flynn-effect: de afgelopen decennia stijgt het gemiddelde IQ ongeveer drie punten per decennium hoogst waarschijnlijk door het beter onderwijs.

Er is daarbij wel een probleem. Want verschillen in intelligentie zoals gemeten in IQ-testen lijken wel degelijk sterk erfelijk bepaald. In tweelingonderzoek is die erfelijkheid bijvoorbeeld zo'n 80 à 90 procent, schijnbaar onafhankelijk van omgevingsinvloeden. Maar Garlick heeft daarvoor een ingenieuze verklaring. Volgens hem meet de IQ-test maar een relatief klein deel van wat intelligentie is, maar precies dàt deel waarbij de variatie in omgevingsinvloeden het geringst is in de huidige cultuur. De samenstelling van de IQ-testbatterij (waarbij de voorspellende waarde van de ene test voor de uitkomst van een andere het belangrijkste criterium is) zou daar een belangrijke rol in spelen, schrijft hij. En omdat omgevingsinvloeden niet zo'n grote invloed hebben op de geteste redeneercapaciteiten, meet de test in feite vrij direct de wèl erfelijk bepaalde synaptische flexibiliteit. En die flexibiliteit uit zich natuurlijk ook in allerlei vormen van intelligentie die niet onder de IQ-test vallen.

Volgens de theorie van Garlick bestaat er dus wel een algemeen vermogen tot synaptische flexibiliteit, maar in feite geen algemene factor `g' meer. Want grote synaptische flexibiliteit kan tot uiting komen in allerlei verder losstaande vormen van intelligentie, van muzikaliteit tot natuurkundige intuïtie, al naar gelang de omgevingsinvloeden tijdens de jeugd. Het is maar net wat er gebeurt in een kinderbestaan. Maar kinderen die geen mogelijkheden hebben om zich te ontwikkelen blijven dom, ondanks hun mogelijk grote synaptische flexibiliteit.

Of het ook in werkelijkheid allemaal zo simpel in elkaar zal zitten is nog de vraag. In de biologische en psychologische praktijk worden gecompliceerde processen zelden door één dominante factor bepaald. Bijvoorbeeld de ontdekking van een genetisch gemanipuleerde slimme muis (Nature, 2 september 1999) lijkt Garlicks idee wel te bevestigen. Dit diertje had zijn slimheid te danken aan een enkel extra gen waardoor in zijn brein gemakkelijker nieuwe verbindingen tussen zenuwcellen werden aangelegd. Dankzij die manipulatie behield de muis dit vermogen ook in volwassenheid, met alle gevolgen vandien: een groter gemak in het rennen door labyrinten, een veel beter geheugen voor ooit getoonde voorwerpen en een sneller aanpassing aan nieuwe situaties (zoals wel of geen elektrische schokken op een platform). Maar in latere proeven (Neuropharmacology 2001, vol 40/6) bleek dat deze slimme muis amper voordeel had bij plaatsing in `verrijkte omgevingen', waarvan gewone muizen wel veel slimmer werden. En dat klopt natuurlijk niet helemaal met het idee dat die grotere synaptische flexibiliteit onder invloed van de omgeving leidt tot grotere intelligentie.