Verstand is aangeboren

Slimme mensen hebben vaak slimme kinderen. Dat zou kunnen betekenen dat intelligentie erfelijk is, maar dat is wel erg kort door de bocht. Slimme mensen hechten immers aan intellectuele activiteit in hun omgeving. Aardige kinderen van slimme mensen doen daarom hun best om ook slim te lijken. Ze krijgen ook de kans om hun verstand te scherpen, want ze groeien op in een intellectuele omgeving, waarin leren en probleem oplossen worden gestimuleerd. Allicht dat zo'n kind beter scoort op een IQ-test.

Onderzoekers die willen weten of intelligentie aangeboren is, hebben het niet makkelijk. Niet alleen is het lastig om de bijdragen van aanleg en omgeving te ontwarren, het is ook een beladen onderwerp. IQ is nu eenmaal een sterke voorspeller van maatschappelijke status en inkomen. Slimme mensen klimmen meestal hoger op de maatschappelijke ladder en verdienen meer. Als dat alleen te wijten zou zijn aan opvoeding en omgeving, moet de staat ingrijpen en de opvoeding en omgeving van achterstandskinderen verbeteren: iedere Nederlander een doctorstitel. Als daarentegen je IQ een aangeboren eigenschap is, waar weinig aan veranderd kan worden, is het beter om een realistischer uitgangspunt te kiezen: voor elk kind goede ontplooiingsmogelijkheden, maar niet coûte que coûte een tien voor wiskunde.

Naarmate de aanwijzingen sterker werden dat er een fikse erfelijke component zit in het IQ, werden de discussies grimmiger: IQ-testen meten geen intellect maar verschillen in sociale klasse; de testen zijn ongeschikt voor kinderen uit een andere cultuur (boer, neger, allochtoon); aanleg en opvoeding zijn onontwarbaar verwerkt in de testscores; ieder denkbaar bezwaar werd bedacht. Vandaar dat de discussie zich heeft toegespitst op tweelingenonderzoek. Dat lijkt simpel. Je hebt eeneiige en twee-eiige tweelingen. De eeneiige zijn genetisch identiek, omdat ze uit één eicel ontstaan die, na de bevruchting door één zaadcel, alsnog in twee individuen opsplitst. Twee-eiige tweelingen ontstaan uit twee eicellen, die ieder door een aparte zaadcel zijn bevrucht. Twee-eiige tweelingen zijn dus genetisch even verwant als broer en zuster, dat wil zeggen ongeveer de helft van hun genen is gelijk. Waar eeneiig meer op elkaar lijkt dan twee-eiig, is erfelijke aanleg in het spel.

De eerste resultaten van tweelingenonderzoek leken ondubbelzinnig: eeneiige tweelingen scoren veel gelijker bij IQ-testen dan twee-eiige. Intellect is dus aangeboren. Zo simpel is het echter niet. Eeneiige tweelingen lijken meer op elkaar en zouden dus ook een gelijker opvoeding en behandeling uit kunnen lokken dan twee-eiige. Gelijke opvoeding, niet gelijke aanleg, was de kritiek van marxistische psychologen, onder andere in het boek `Not in our genes' van Lewontin, Rose en Kamin uit 1984. Daarbij kwam dat het tweelingenonderzoek in diskrediet raakte door de fraude van Cyril Burt, die zo overtuigd was van de erfelijkheid van intellect dat hij tweelingen uit zijn duim ging zuigen om zijn vooroordeel te staven. Weinig wetenschappelijke fraudes zijn zo breed uitgemeten in de pers. Dat met die ene misser niet het hele tweelingenonderzoek waardeloos is geworden, is daarbij uit zicht geraakt.

Wie in de jaren '60 en '70, de hoogtijdagen van de marxistische wetenschapsbeoefening, beweerde dat intellect erfelijk was, kreeg de wind van voren. De mens was maakbaar; aanleg was politiek incorrect; `niet in onze genen' gold niet alleen voor verstand, maar ook voor karakter, emotionele stabiliteit, agressieve neigingen. Ik heb in die tijd eens een college gegeven aan studenten in de gamma-faculteit over aangeboren ziekten, die verstand en gedrag beïnvloeden. Eén enkel aminozuur in één enkel eiwit verkeerd, en dat mooie brein werkt niet goed meer. Heel vreemd vonden die studenten dat toen. Dat het brein niet een lopendebandproduct was, in aanleg altijd identiek en naar believen te vullen en te kneden, was geen standaardkennis in de universiteit van 1970.

In de jaren '80-'90 is die aanlegdiscussie langzaam van politieke angels en klemmen ontdaan. De marxisten vielen van hun geloof of raakten overtuigd van de kracht van het tweelingenonderzoek. Nieuw onderzoek eindigde in een soort compromis: intellect berust voor 50% op aanleg, 50% op omgeving. Iedereen een beetje gelijk. Dat compromis wordt onderuitgehaald door het recente tweelingonderzoek, onder andere van prof. Dorret Boomsma in de VU. Bij tweelingen van 18 jaar en ouder vindt zij dat erfelijke factoren 82 tot 88% van de individuele verschillen in IQ-scores kunnen verklaren. Verstand is dus aangeboren. Bij kinderen van 5 komt die dominante bijdrage van aanleg nog niet zo duidelijk naar voren. Kleuters testen is lastig, zodat de resultaten wisselender zijn. Op die leeftijd maakt het ook uit voor de testscores of de ouders aan de intellectuele ontwikkeling van hun Jeroentje trekken of niet. Bij de Cito-toets aan het eind van de lagere school vinden Boomsma en haar medewerkers echter al een verbluffend hoog aanlegeffect: De bijdrage van de genen komt uit boven de 80%. Dat geldt zowel voor de onderdelen taal als rekenen; bij `wereldoriëntatie' is het verschil in score tussen een- en twee-eiige tweelingen veel minder groot, zoals je ook zou verwachten.

Verstand is dus een kwestie van aanleg. Je moet de juiste genen van je beide ouders krijgen om hoog te scoren. Die overerving is complex. Er is een groot aantal genen bij betrokken en je weet dus nooit van tevoren wat er zal gebeuren als je de genen van pa en ma combineert in een nieuw mensje. Domme mensen kunnen geniale kinderen krijgen en er is beangstigend veel domheid bij de kinderen van slimme ouders. Maar gemiddeld ben je beter uit met slimme ouders als je later naar het gymnasium wilt.

De vraag blijft waarom de bijdrage van de genen aan het intellect nu zoveel hoger geschat wordt dan 30 jaar geleden. Boomsma denkt dat de goede toegankelijkheid van goed onderwijs een rol speelt. Nu iedereen in Nederland de kans krijgt om het onderwijs te volgen dat bij zijn aanleg past, spelen omgevingsfactoren nauwelijks een rol meer bij de IQ-scores van volwassenen. Dit verklaart ook de teleurstellende resultaten van programma's om het IQ van achterstandskinderen op te vijzelen door extra scholing en begeleiding.

Niet alleen IQ wordt in de VU getest bij tweelingen, ook gedrag. Uit dat onderzoek komen ook fascinerende resultaten, door Boomsma samengevat in `Biologie en psychologie: naar vruchtbare kruisbestuivingen', een uitgave van de KNAW uit 2001. Zij vindt dat religie uitsluitend door omgevingsfactoren wordt bepaald. De genen komen dus niet altijd hoog uit de bus in de VU. De keuze om wel of niet te gaan roken is ook maar voor een klein deel genetisch bepaald. Als een puber echter eenmaal gaat roken, komen de genen met verdubbelde kracht terug: bij 18-jarigen is het aantal gerookte sigaretten per dag voor bijna 90% erfelijk bepaald. De neiging tot verslaving is erfelijk, maar of een puber er mee begint en een sigarettenjunk wordt, is sociaal bepaald. Daar kunnen minister en Tweede Kamer iets aan doen.