Trouw niet met een buitenlander

Zes weken na haar verloving kreeg Máxima Zorreguieta het Nederlands staatsburgerschap. Een uitzondering. Andere buitenlanders die een Nederlander trouwen belanden in een bureaucratisch labyrint. `De overheid ontzegt je het recht op een gezinsleven.'

Het was een van de zwartste dagen in zijn leven, zegt hij aarzelend. Hij wil er niet dramatisch over doen, daar is hij te nuchter voor. Toen Kees Janson op 8 december zijn Braziliaanse vrouw en beide kinderen op het vliegtuig naar São Paulo zette, had hij het die zaterdagochtend even heel moeilijk. Maar hij wist dat hij zijn gezin alleen terug kon krijgen door hen weg te sturen.

Graça, de vijfjarige Esmée en de nu elf maanden oude baby Bryan logeren sindsdien in een haveloze buitenwijk van São Paulo bij zijn schoonmoeder. Ze telefoneren twee keer per week, vijftien, twintig minuten, en Graça vertelt hem dan hoe het met de kinderen gaat. Dat Bryan zijn eerste melktandje heeft gekregen, het eerste woordje heeft gesproken, de eerste stapjes heeft gezet. De 43-jarige vader, een pezige man met gemillimeterd haar en felle, grijsblauwe ogen, had er graag bij willen zijn. Dat beleef je immers maar eenmaal, verzucht hij.

Geen moment had Kees Janson kunnen vermoeden dat het zover zou komen. Dat hij in het bureaucratische labyrint van de Nederlandse regelgeving zo het spoor bijster zou raken. Want toen hij in 1996 zijn vakantieliefde Maria das Graças Elias Sampaio huwde, was er geen vuiltje aan de lucht. Zij gaf haar baan bij de overheid op en trok in juli van dat jaar mee naar Breda, waar hij een baan bij Philips had.

Al na een maand ontving zijn vrouw een verblijfsvergunning zonder dat iemand in hun privé-leven had zitten wroeten. Trouw volgde ze een inburgeringscursus, in de hoop dat ze na de geboorte van hun eerste kind weer als accountant aan de slag kon gaan, maar dat was door taalproblemen moeilijker dan Graça had gedacht. Omdat zij nog altijd de Braziliaanse nationaliteit had, scheen hun een terugkeer naar haar geboorteland de meest voor de hand liggende oplossing. Met zijn achtergrond als werktuigbouwkundige moest het voor Kees Janson geen probleem zijn een baan te vinden.

Ze hadden tweeënhalf jaar in Breda gewoond en waagden begin 1999 een nieuwe start in São Paulo. Het werd een grote deceptie. Niet alleen was er als gevolg van de economische recessie geen passend werk voor Graça, ook zijn baan viel zwaar tegen. Daarom besloten ze in november 2000 opnieuw hun heil in Nederland te zoeken. Een kennis had Kees Janson al geholpen aan een baan als manufacturing engineer bij een bedrijf in Best. Graça was bovendien hoogzwanger, en aangezien ze door middel van een keizersnee moest bevallen – Esmée was eveneens op die manier geboren – leek hun een Nederlands ziekenhuis de meest aangewezen plaats. In São Paulo is de medische zorg of onbetaalbaar of heel slecht.

Welgemoed meldden ze zich op 15 januari 2001 bij de Bredase vreemdelingendienst om voor Graça, die een toeristenvisum voor drie maanden had, een vergunning tot verblijf aan te vragen, een vtv. Louter een formaliteit, geloofden ze, maar dat pakte heel anders uit. ,,Ga maar een advocaat zoeken'', kregen ze bij de immigratiebalie te horen. Hoewel ze inmiddels hadden vernomen dat een en ander in het toelatingsbeleid was veranderd, snapten ze er niets van. Per slot van rekening kon niemand beweren dat ze een schijnhuwelijk voerden. En doorstond Graça niet eerder, in 1996, de toets? Als ze toen een half jaar langer in Breda waren gebleven, had niets haar naturalisatie tot Nederlandse meer in de weg gestaan.

Uit de droom

Hun advocaat hielp hen snel uit de droom. In de afgelopen drie jaar was het beleid aanzienlijk aangescherpt, met als ouverture een initiatiefwet die de CDA-politici Jaap de Hoop Scheffer en Maxime Verhagen in 1996 hadden ingediend en die eind 1998 in werking trad. Voordien was het gebruikelijk dat de buitenlandse partner van een Nederlandse vrouw of man de behandeling van het vtv-verzoek in Nederland mocht afwachten. Volgens de initiatiefwet moet de partner terug naar het land van herkomst om daar eerst een zogenoemde `machtiging tot voorlopig verblijf' aan te vragen, een mvv. De mvv-plicht geldt overigens niet voor bewoners uit de andere lidstaten van de Europese Unie en uit geïndustrialiseerde landen als de Verenigde Staten, Japan, Zwitserland en Australië.

De wettelijke behandeltermijn voor de aanvraag werd op acht weken vastgesteld, een periode die de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de IND, en de vreemdelingendienst in staat moest stellen de documenten van de partner op echtheid te controleren en de inkomenssituatie van de Nederlandse man of vrouw – in het vakjargon referent geheten – na te gaan. Het voordeel van deze regeling zou zijn dat `de vreemdeling' zich bij een afwijzing in het land van herkomst bevindt en dus niet meer hoeft te worden uitgezet. Het is namelijk niet toegestaan de procedure in Nederland af te wachten. Pas wanneer de IND het consulaat in het betrokken land heeft gemachtigd een mvv te verstrekken, kan de partner naar Nederland afreizen en een vtv voor in eerste instantie één jaar aanvragen.

In de nieuwe vreemdelingenwet, die op 1 april 2001 in werking trad, is de mvv-plicht onverkort gehandhaafd gebleven, hoewel toen al duidelijk was dat de IND en de vreemdelingendienst door onderbezetting het werk niet aankonden. In 2000 bedroeg de gemiddelde wachttijd 5,4 maanden en sindsdien is er weinig verbeterd. Het komt voor dat de termijn tot een jaar oploopt, met als resultaat dat mensen vaak op hoge kosten worden gejaagd. Afgezien van wat ze aan vliegtickets en honoraria voor advocaten moeten betalen, zijn ze dikwijls gedwongen dubbele huishoudens te voeren.

Verder is in de nieuwe wet niet aan de inkomenseis getornd, en als het aan de VVD en het CDA ligt, wordt die verder opgeschroefd. Nu nog moet een ongehuwde partner over een jaarcontract beschikken dat hem of haar een netto-inkomen van rond 1.100 euro per maand – 100 procent van de bijstandsnorm – garandeert. Voor gehuwden en geregistreerd samenwonenden is dat 770 euro, ofwel 70 procent.Dit is een overgangsregeling, want vanaf 1 april 2004 geldt voor iedereen de norm van 100 procent.

Complexer ligt het voor een partner die een contract heeft voor een termijn korter dan een jaar. In dat geval moet hij kunnen aantonen een arbeidsverleden van drie jaar te hebben waarin hij een duurzaam inkomen heeft gehad. Dit betekent dat jonge mensen die aan het begin van hun carrière staan, studenten, jonge kunstenaars, freelancers, startende ondernemers, geen schijn van kans hebben, als zij althans niet bereid zijn zich te schikken en een willekeurig vast baantje te nemen. Nederland mag zijn zonen en dochters steeds verder de wereld insturen, naar buitenlandse universiteiten, voor stages of backpackend, de tijd is voorbij dat iemand spontaan zijn of haar sweetheart mee naar huis kan nemen om gezamenlijk een nieuw leven op te bouwen.

Ondermijnd

,,De Nederlanders hebben zich niet gerealiseerd, dat ze met die nieuwe wet hun eigen rechtspositie hebben ondermijnd'', zegt mr. Pieter Boeles, hoogleraar immigratierecht aan de Universiteit van Leiden. ,,Ik vind dat je met je nationaliteit het fundamentele recht hebt onbelemmerd in eigen land een gezin te stichten en je eigen werk te kiezen. Het mag niet zo zijn dat de overheid je het recht op een gezinsleven ontzegt, omdat je geen inkomen hebt.

Vervolg op pagina 26

Trouw niet met een buitenlandse

Vervolg van pagina 25

Boeles: ,,Dat recht is in de grondwet verankerd. Door de inkomenseisen steeds meer aan te scherpen wordt dat alsmaar lastiger gemaakt. En alsof het niet genoeg is, word je met groot wantrouwen behandeld als je met iemand van buiten de Europese Unie wil huwen. Veel mensen voelen zich diep beledigd. Opeens worden ze ermee geconfronteerd dat instanties als de IND en de vreemdelingendienst hun documenten niet vertrouwen.''

Volgens hem is deze ontwikkeling toe te schrijven aan de asielzoekersproblematiek, die de afgelopen jaren het debat heeft gedomineerd. De sfeer is daardoor compleet omgeslagen, zonder dat de samenleving zich rekenschap heeft gegeven van de consequenties die de wet heeft voor wat professor Boeles sarcastisch ,,de keurige Nederlanders'' noemt: ,,Ooit vroeg de vader van de bruid aan de bruidegom wat zijn perspectieven waren. Die vraag stelt nu vadertje staat.'' Vooral de angst voor schijnhuwelijken zou ertoe hebben geleid dat het begrip `nationaliteit' is uitgehold en nauwelijks meer iets voorstelt.

Boeles geldt in Nederland als een van de grootste deskundigen op zijn vakgebied, en het is niet de eerste keer dat ik hem spreek. Vorig jaar, toen hij nog advocaat in Amsterdam was, sprak ik eerder met hem. Mijn zoon Olivier (32), net terug uit Los Angeles en freelance-regisseur zonder vast contract, wilde toen weten wat hij moest doen om zijn Chileense vrouw Paola aan een verblijfsvergunning te helpen. Tot dan had ik er evenals hij geen benul van wat de obstakels zouden kunnen zijn: er moest toch iets te regelen zijn. Maar de advocaat Boeles liet er geen twijfel over bestaan dat Paola's kansen vrijwel nihil waren. Of Olivier zou zijn werk als regisseur vaarwel moeten zeggen. Voor nieuwkomers liggen jaarcontracten in de tv- en filmsector nu eenmaal niet voor het oprapen.

Nederland is met zijn aanpak naar de andere kant doorgeslagen, constateert de hoogleraar Boeles, ook binnen de Europese Unie waar het op dit punt ,,tamelijk alleen'' staat. Tot ongeveer dezelfde conclusie komt het Centrum voor Migratierecht van de Katholieke Universiteit Nijmegen dat een vergelijkend onderzoek in Nederland, Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk heeft ingesteld. De uitkomst is dat `Den Haag' als enige de inkomenseis voor eigen burgers zo strikt hanteert. Het grote spook heet immers schijnhuwelijk, maar toen in april 1998 de vier jaar oude Wet Voorkoming Schijnhuwelijken werd geëvalueerd, was de oogst nogal mager: in slechts 69 gevallen was een huwelijkssluiting geweigerd.

Het bizarre is dat Nederland wel een soepeler regeling heeft onderschreven die voor de hele Europese Unie geldt. Op grond hiervan kunnen de bewoners van de lidstaten zich samen met hun al dan niet buitenlandse partner elders in de Europese Unie vestigen zonder dat ze een jaarcontract moeten overleggen dat hen het bestaansminimum garandeert. Ze moeten alleen aantonen over reële arbeid te beschikken. Hun partner, die geen machtiging tot voorlopig verblijf hoeft aan te vragen, krijgt dan ongeacht de duur van het contract een verblijfs- en werkvergunning voor vijf jaar. De Nederlandse regering weigert echter deze regeling voor de eigen bewoners te laten gelden.

Een Portugees met een Armeense vrouw kan zich hier dus vrijwel ongehinderd vestigen, terwijl een Nederlander zich in eigen land aan allerlei strikte eisen dient te onderwerpen. Discriminatie, zegt Boeles. De Europese Commissie heeft geprobeerd aan deze misstand een einde te maken in een ontwerp-richtlijn over gezinshereniging. Daarin staat dat een lidstaat zijn eigen onderdanen niet mag achterstellen bij die uit de rest van de EU, als die verkiezen in hun land te blijven. Aangezien de Nederlandse regering vreest dat de richtlijn de angel uit de nieuwe wet zal halen, is zij fel tegen. Eind 2001 is daarom afgesproken dat de Commissie een minder vergaand voorstel zal formuleren.

,,Voorlopig mag de regering haar restrictieve beleid voortzetten'', zegt Boeles. Het enige advies dat hij Olivier en Paola dan ook kan geven is naar een ander land van de EU te verhuizen en daar een bestaan op te bouwen, wat zij inderdaad van plan zijn. Vermoedelijk wordt het Spanje.

Om hoeveel gedupeerden het in totaal gaat weet Boeles niet. De overgrote meerderheid verkiest de anonimiteit. Hun angst is dat als ze zich roeren, dit averechts op hun kansen zou kunnen uitwerken. Dat zou tevens de reden zijn dat slechts een klein groepje desperado's zich heeft georganiseerd, zo'n 250 vrouwen met een buitenlandse partner in de Stichting Lawine en tegen de tweehonderd mannen en vrouwen in het Actiecomité Referenten, die voor een versoepeling ijveren.

Kroongetuige

Ook voor Graça en Kees Janson zag het er somber uit, maar er was nog een sprankje hoop: de hardheidsclausule. Zoals in de wet is voorzien kan in geval van een medische indicatie – Graça's keizersnee – vrijstelling van de mvv-plicht worden verleend. De vreemdelingendienst toonde zich niet onder de indruk en op 27 februari van het vorige jaar berichtte de dienst dat hun beroep was verworpen.

Als kroongetuige werd een arts van het Bredase ziekenhuis De Baronie opgevoerd die verklaarde dat van ,,een onvoorziene medische noodzakelijke behandeling'' geen sprake was. Voor de bevalling kon Graça net zo goed in Brazilië terecht. Een ander argument was dat ,,betrokkene, mede gelet op haar leeftijd, in staat kan worden geacht zichzelf in het land van herkomst te kunnen handhaven''. En wat lette Kees Janson samen met haar de beslissing op de mvv-aanvraag in Brazilië af te wachten?

Desondanks kon hij door middel van een voorlopige voorziening uitstel bewerkstelligen: Graça mocht tot zes weken na haar bevalling blijven, maar moest dan echt vertrekken. Na de geboorte van Bryan, die evenals Esmée de Nederlandse nationaliteit kreeg, tekende hij opnieuw bezwaar aan, in de stille hoop dat de IND alsnog de hand over het hart zou strijken. Maar toen hij er eindelijk in slaagde via de altijd overbelaste telefoonlijnen het IND-bastion in Den Bosch binnen te dringen, werd hem op korzelige toon meegedeeld dat het nog tien weken kon duren alvorens ze aan Graça's dossier toe waren. Aan hun besluit hielden ze echter onverbiddelijk vast: `de vreemdelinge' moest het land uit. Wie er dan voor de baby moest zorgen was niet hun zaak.

En weer vroeg Kees Janson uitstel, al was hij zich ervan bewust dat Graça onderhand als illegaal te boek stond, zonder medische en sociale voorzieningen, zonder rechten. Tegelijkertijd probeerde hij vergeefs een verklaring van de GG&GD los te krijgen dat een zuigeling in de slums van São Paulo een groot risico liep. De kindersterfte is er zes keer hoger dan in Nederland. Ook bestookte hij Tweede-Kamerleden, de Nationale Ombudsman, staatssecretaris Kalsbeek van Justitie, en zelfs premier Kok met brieven en e-mails. Het mocht niet baten. Moegestreden na alle juridische schermutselingen besloot hij eind 2001 zijn gezin op het vliegtuig te zetten. Graça was het hele gedoe toch al beu.

De kerstdagen bracht hij bij zijn moeder door, oudejaarsavond zat hij alleen voor de tv: ,,Ik was door mensen uitgenodigd, maar ik had er niet zoveel zin in.'' Op 18 januari leek een doorbraak in zicht: die vrijdag deelde de IND hem mee dat ze het dossier van Maria das Graças Elias Sampaio een urgentiestatus had gegeven. En vorige week heeft de dienst laten weten geen bezwaar tegen de afgifte van een mvv te hebben, zodat het wachten nu is op de thuiskomst van zijn vrouw en kinderen.

Terugblikkend zegt hij dat ,,het gevoel van totale machteloosheid'' zijn bloed soms nog doet koken: ,,Hoe ze je voortdurend afschepen, van het kastje naar de muur sturen. Dan ligt het dossier weer op de verkeerde plaats, vervolgens kom je er bij de IND niet doorheen. Je kan alleen tijdens kantooruren bellen, zodat ik steeds meer moeite had me op mijn werk te concentreren.'' Alles bij elkaar heeft het hem meer dan 4.500 euro gekost, aan advocaten- en reiskosten, de telefoontjes, maar hij heeft nog altijd niet het gevoel iets fout te hebben gedaan.

Dit artikel is ten dele gebaseerd op de documentaire `Welkom thuis' – onder regie van Olivier van der Zee – die de VPRO morgenavond om 23.05 uur in het programma 7-Dagen op Nederland 3 uitzendt.

Reacties naar zbrieven@nrc.nl