Toen terroristen nog gewoon terroristen heetten

Zonder de naïviteit van een beginnend correspondent had ik Oom Jan waarschijnlijk nooit ontmoet. In de veronderstelling dat je de Zuid-Afrikaanse wegen eenvoudig zonder voertuig met vierwielaandrijving kunt bedwingen verliet ik de grote stad in een zeven jaar oude Golf. De wegenkaart beloofde snelwegen van oost naar west en van noord naar zuid. Ik ging naar zuid.

Kort nadat de Volkswagen het gezellige dorpje Jozini in het oosten van KwaZulu Natal was gepasseerd, was het asfalt plots verdwenen. Dit moest de dirt road zijn waar de bezitters van 4x4's op feestjes met begeerte over spreken. De eerste meters geloofde ik nog dat langzaamaan het leed voor de auto kon verzachten. Maar ook stapvoets was het bonken en stoten ondraaglijk. Vijfenzestig kilometer later loeide de wagen als nooit tevoren: de knalpijp in tweeën en de versnellingsbak naar z'n grootje. De Golf wilde alleen nog rijden in de drie, wat vooral bij het inparkeren heel onhandig en tijdrovend bleek.

Hoewel de situatie, zo ver van huis, in mijn ogen hopeloos leek, verblikte of verbloosde Oom Jan niet toen hij me aan zag komen hobbelen.

`Oom Jan maak 'n plan' stond er op het hek voor zijn garage in Sodwana. Vierentwintig uur bereikbaar voor noodgevallen en alle dagen van de week geopend. Dus ook op deze zondag.

Een garage in deze uithoek van Zuid-Afrika had volgens Jan alleen bestaansrecht als de klant dag en nacht op hulp kon rekenen. ,,Wat dat betreft is het hier niet anders dan in de Congo'', zei hij terwijl hij zijn met vet besmeurde voorhoofd onder het chassis vandaan stak. De Congo, Jan? ,,Ja, daar moest je 24 uur paraat zijn om iemand weer op weg te helpen.''

Die opmerking kon twee dingen betekenen. Óf Jan was op jonge leeftijd een reislustige avonturier geweest. Óf Oom had deelgenomen aan de vuile oorlog die het blanke regime tijdens de dagen van de apartheid in noordelijker delen van Afrika uitvocht. Het laatste bleek het geval. Jan was in de jaren zeventig mecanicien in de buitendienst van het Zuid-Afrikaanse politiekorps (SAPS). De namen van de plaatsen die Jan in die tijd bereisde noemde hij nog steeds bij hun koloniale naam. Geen Maputo maar Lourenço Marques, geen Harare maar Salisbury, geen Zambia of Zimbabwe maar Noord- en Zuid-Rhodesië.

Meestal gingen ze maar voor een paar weken naar de Congo, zei Jan. Om het gevaar op ontdekking zo klein mogelijk te houden. ,,Gewoon vanuit Noord-Rhodesië de grens over.'' Daar lag hij dagen in het veld, met een baard zo lang als de dopsleutel in zijn hand, op zoek naar hen die nu tot Jans grote verdriet Zuid-Afrika regeren. Daarmee bedoelde hij het Afrikaans Nationaal Congres (ANC), in die dagen verboden, verbannen en bestempeld tot een staatsondermijnende communistische organisatie. ,,We noemden ze toen nog wat ze in werkelijkheid zijn'', zei Jan: ,,terroristen.''

Het apartheidsregime waar Jan voor vocht, hield er een Bushiaanse filosofie op na. Was je niet voor Zuid-Afrika dan was je tegen. Het Zuid-Afrikaanse leger en de Zuid-Afrikaanse politie stookten vuurtjes in de omliggende `frontlijnstaten' waar het ANC zijn trainingskampen had. In Mozambique ontketende Zuid-Afrika een burgeroorlog en in Angola steunde het apartheidsregime, met behulp van Amerika, de rebellenbeweging UNITA die tot op de dag van vandaag in een bloedige strijd is verwikkeld met de communistische regering.

,,We deden het om onze landgenoten te beschermen'', zei Jan, ,,blank en zwart.'' De grootste terrorist was in zijn ogen Nelson Mandela die ,,eigenhandig scholen met kinderen opblies''.

Zeer terecht hadden Jan en zijn collega's (,,wij'') Mandela begin jaren zestig in de kraag gevat en achter de tralies gezet.

Wat Jan betreft had hij daar mogen blijven. Apartheid was niet zo slecht als boze tongen beweerden, meende hij. Wat de architect van de raciale scheiding, Hendrik Verwoerd, indertijd in feite bedoelde was ,,onafhankelijke ontwikkeling''. Dat was volgens Jan niet zo'n slechte gedachte , ,,kijk maar wat voor een rotzooi het hier nu is.''

Wat Oom Jan precies in de Congo uitspookte, wilde hij niet vertellen. ,,Vertrouwelijk'', zei hij geheimzinnig lachend. Loslippigheid over dit onderwerp leek hem zelfs na dertig jaar geen goed idee. ,,Die lui van de waarheidscommissie lopen hier nog steeds ergens rond.''

Als ik echt iets van Zuid-Afrika zou willen begrijpen, moest ik gewoon wat langer rondhangen, adviseerde Jan terwijl hij de deur van de Golf dichtsloeg ten teken dat de klus geklaard was. Voor een goed begrip was geduld heel belangrijk, hij had er zelf eenenzeventig jaar over gedaan.

Ik had die dag alvast één ding geleerd. Wegenkaarten in Zuid-Afrika zijn niet te vertrouwen.