Oranjemythe als bindmiddel

Doordat de leden van het koninklijk huis van kindsbeen af via de media bij de mensen in huis komen worden ze zo'n beetje familie van iedereen. Over honderd jaar kan dat nog zo zijn. Het koningschap is er elastisch genoeg voor.

Ook staatsvormen blijken aan mode onderhevig. Maar in staatkundig opzicht wordt de Nederlandse geschiedenis gekenmerkt door een charmante tegendraadsheid. Toen er in heel Europa koningshuizen regeerden was Nederland een republiek; nu vrijwel alle landen republieken zijn is Nederland een koninkrijk. Over honderd jaar zal dat niet veel anders zijn. Het constante element is de bijzondere relatie tussen de Nederlanders en het Huis van Oranje. De 19de-eeuwse Franse historicus E. Renan sprak zelfs van `un marriage si intime'. Deze relatie is het resultaat van een langdurig cultuurhistorisch proces, waarin de Oranjemythe een centrale rol speelt.

Vanzelfsprekend is dat allerminst. Ook de nu heersende politieke logica met zijn principes van democratie en rationaliteit biedt geen natuurlijke aanknopingspunten voor een erfelijk koningschap en een daaraan ten grondslag liggende nationale mythe. Omdat niettemin de overgrote meerderheid van de burgers sterk aan het koningschap gehecht blijkt te zijn, is er sprake van een `republikeins dilemma'. De verkiesbaarheid van het staatshoofd wordt door deze meerderheid kennelijk niet ervaren als de ultieme lakmoesproef om de moderniteit en het democratische gehalte van een samenleving aan af te meten. Intellectualisme verliest het van gevoelsmatige sympathie.

De democratie als abstractie blijkt het af te leggen tegen de democratie zoals deze beleefd wordt in samenhang met de staatkundige voorgeschiedenis en binnen de cultuurhistorische context. Daar zijn ook wel verklaringen voor. Francis Fukyama schetst in The end of History and the Last Man en ook in latere geschriften de moderne liberale democratie als een lege huls waarvan de kwetsbaarheid hem zorgen baart. In de lijn van de 19de-eeuwse Franse historicus De Tocqueville moet hij toegeven dat juist niet-rationele overwegingen en bindingen ten grondslag liggen aan de maatschappelijke samenhang en gemeenschapszin, die een democratie nodig heeft om levensvatbaar te zijn. Dat zijn natuurlijk onmeetbare grootheden. Maar uit zijn publicaties en ook uit die van anderen (o.a. Samuel Huntington en Jean-Marie Guéhenno) spreekt het besef dat juist die onmeetbare grootheden onmiskenbaar functioneel kunnen zijn. De Oranjemythe is zo'n niet-rationele factor binnen de Nederlandse samenleving.

De Oranjemythe vindt zijn oorsprong in de 16de eeuw toen Willem van Oranje de leiding van het verzet op zich nam tegen de Spaanse onderdrukking. In zijn Apologie zou hij vèr voor de Amerikaanse en Franse revoluties het recht op verzet tegen tirannie verdedigen. Door zijn offer van `Lijf en goed' waarvan het Wilhelmus verhaalt, werd de ontstaansgeschiedenis van Nederland onlosmakelijk verbonden met het Huis van Oranje. De herinnering aan de tolerantie die Willem van Oranje bepleitte en aan de strijd voor nationale onafhankelijkheid waar zijn zoons Maurits en Frederik Hendrik en ook latere Oranjes zich voor inzetten, gaf de mythe een verdere invulling. Het feit dat het gewone volk en de Oranjes elkaar nogal eens vonden in hun aversie tegen de regentenelite completeerde de mythe en gaf er een populistisch tintje aan. De Oranjemythe was de reden voor een volk met een republikeinse voorgeschiedenis van ruim twee eeuwen om in 1815, na de Franse Tijd, het koningschap van de Oranjes te aanvaarden. Deze bijzondere ontstaansgeschiedenis verklaart tevens het bescheiden karaker ervan. Door mr.G. Groen van Prinsterer werd het treffend gekenschetst als een 'republikeins koningschap'.

Uiteraard wordt een nationale mythe niet geheel door de historische werkelijkheid gedekt. De Oranjemythe is het verhaal, de invalshoek waaronder de Nederlanders gezamenlijk hun geschiedenis en daarmee hun nationaliteit willen duiden. Koningin Wilhelmina identificeerde zich in de oorlogsjaren dermate sterk met de Oranjemythe dat ze er de belichaming van werd. Voor de Nederlandse bevolking vervulde ze daarmee haar functie op een manier zoals men op grond van de historische rol van de Oranjes ook van haar verwachtte. Ook nu is er bij de bevolking nog steeds sprake van grote betrokkenheid bij alles wat Oranje betreft. De Oranjemythe zou gezien kunnen worden als het mission statement van de Nederlandse samenleving door de eeuwen heen.

Het huidige koningschap heeft hooguit nog een afgeleide politieke betekenis. Het belichaamt de nationale continuïteit en vertegenwoordigt de natie naar binnen en naar buiten. Nu instituties kleurlozer zijn geworden en de maatschappij amorfer, lijkt de waardering voor het koningschap toegenomen omdat het op herkenbare wijze gezicht geeft aan de Nederlandse identiteit. Doordat de leden van het koninklijk huis van kindsbeen af via de media bij de mensen in huis komen, worden ze zo'n beetje familie van iedereen. In deze `familialisering van het koningschap' wordt de bindende functie ervan extra bekrachtigd.

Er is wel gesteld dat de teloorgang van de godsdienst het koningschap zou meeslepen. Maar het tegendeel blijkt het geval. Het lijkt erop dat in het vacuüm dat de officiële religie nalaat, het koningschap aan symboliek gewonnen heeft en dat het een essentiële functie gekregen heeft in een soort van civic religion. Hierin wordt het culturele erfgoed gekoesterd of het nu de Matthäuspassion of het koningschap betreft. Men vindt elkaar op basis van een vage, gemeenschappelijk gedeelde humaniteit en de behoefte ergens - als het enigszins kan op een zinnige manier - bij te horen. Om hierin te kunnen functioneren, dat wil zeggen om de democratie ten dienste te kunnen zijn, moet er een wisselwerking mogelijk zijn tussen de koning en de samenleving. De koning moet wat kunnen zeggen. Een te angsthazige uitleg van de ministeriële verantwoordelijkheid zoals we thans zien, past daar niet bij.

De grenzen zullen telkens in het licht van de veranderende omstandigheden worden afgetast. Dat bepaalt ook het toekomstbeeld van het Nederlandse koningschap. Elasticiteit is er in elk geval een kenmerkende eigenschap van gebleken. De invloed van verschijnselen als de mondialisering en de Europese integratie zal alleen maar toenemen. Het is voorspelbaar dat de nationale staten nog meer soevereiniteit zullen overdragen aan supranationale organisaties. De zwakkere positie van de natiestaat zal gevolgen hebben voor de nationale politieke instituties inclusief het koningschap. Maar omdat het gedepolitiseerde koningschap op dit gebied al zo veel heeft ingeleverd, is het daar minder gevoelig voor. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het Nederlandse volk in de komende eeuw geen waarde meer zou hechten aan een instituut dat al zo lang de nationale identiteit belichaamt. Het zal alleen veel minder om Nederland als politieke en meer om Nederland als culturele gemeenschap gaan. Doordat de koning niet door en uit de politiek geselecteerd is, zou juist het koningschap het geëigende instituut kunnen zijn om méér dan het politieke aspect van de Nederlandse natie te representeren. De nadruk zal nog meer komen te liggen op het Oranjekoningschap als cultureel erfgoed. Het ligt voor de hand dat het koningschap daarom steeds minder onderwerp van staatsrechtelijke discussies zal zijn en steeds interessanter voor historici, sociologen en cultuurfilosofen.

Ook de ontwikkeling in de richting van een multiculturele samenleving zal zich in de komende eeuw voortzetten. Als integratiefactor die zijn nut al bewees in het verzuilde Nederland van de 19de en 20ste eeuw, biedt het koningschap op dit terrein specifieke mogelijkheden. Het maakt enerzijds deel uit van de moderne westerse samenleving, maar belichaamt anderzijds een eeuwenoude traditie. De mythen waarmee het koningschap verbonden is, dragen vage religieuze en sociale herinneringen met zich mee aan oudere culturen. Het koningschap kan hierdoor eerder een natuurlijke brugfunctie vervullen naar de allochtone bevolking, die veelal afkomstig is uit culturen waar de traditie nog een belangrijke plaats inneemt. Verder zou ook voor nieuwkomers de koning als constante representant van de Nederlandse samenleving wel eens een gemakkelijker herkennings- en oriëntatiepunt kunnen zijn dan de wisselende presidenten, die meestal voor niet-ingewijden een weinig overzichtelijk partijpolitiek krachtenveld vertegenwoordigen.

Het fenomeen van het moderne koningschap wordt wel afgedaan als een contradictie. Het kan echter ook gezien worden als een inspirerende paradox omdat de vluchtige democratische samenleving er zich door bewust wordt van haar cultuurhistorische context. Maar nooit zal het een voor de hand liggende staatsvorm zijn. Mediahectiek, jetset-allures, decorumverlies; het is de vraag in hoeverre ook het koningschap van de Oranjes uiteindelijk bestand zal zijn tegen de onttovering, die Max Weber zo kenmerkend achtte voor de westerse wereld. De 18de-eeuwse staatsman William Pitt sr. zei eens over het koningschap: ,,There is something behind the throne greater than the king himself.' Nu heeft een samenleving die leeft altijd iets van een 'societas ludens'. Veel hangt daarom af van de bereidheid van de Oranjes én hun publiek ook in de toekomst het spel te blijven spelen alsof ze er zeker van zijn dat er zich ook iets achter de troon bevindt.

Historicus Coos Huijsen (1939), in zijn studententijd voorzitter van de toenmalige Christelijk-Historische Jongeren Organisatie, werd later lid van de Partij van de Arbeid. Hij was korte tijd Tweede-kamerlid en gedurende een groot aantal jaren rector aan de Scholengemeenschap Gerrit van der Veen in Amsterdam. Kortgeleden verscheen bij De Europese Bibliotheek in Zaltbommel van zijn hand `De Oranjemythe, een postmodern fenomeen'.

Gerectificeerd

Monarchie

De illustratie in de bijlage Thema over de monarchie (zaterdag 2 februari, pagina 49) geeft aan dat Bernhard en Annette Sekrève een dochter Anna hebben. Anna is het kind van Maurits en Marilène van den Broek. Annette Sekrève is nog in verwachting van haar eerste kind.