Nicolaas Matsier over Wispelwey in de Noorderkerk

Geluk, in welke vorm ook, is niet te beschrijven; misschien geldt dat speciaal voor muzikaal geluk. Maar voor het geluk waar het hier over zal gaan, zijn de benodigdheden als volgt. Men dient van Amsterdam te houden, bij voorkeur als voetganger of fietser. Liefst is men een buurtbewoner voor wie de Prinsengracht toevallig de voornaamste verkeersader is. De Noordermarkt vind je het mooiste plein van Amsterdam. Heel goed, dat die kerk daar staat, dat er twee keer per week markt is, dat er terrassen zijn en linden. Dat is één.

Verder moet je van Bach houden. Je bent van mening dat diens cellosuites tot de allermooiste muziek horen die er bestaat. De rest gaat vanzelf. Je moet er tijdig aan denken dat je een paar kaartjes koopt. 't Is een mooie traditie aan het worden, Wispelwey in de Noorderkerk.

In 1998 was de restauratie van de kerk - een kostbare en heldhaftige onderneming - voltooid. Vanaf dat jaar moest het gebouw weer 'gewoon' onderhouden worden. En voor dat gewone onderhoud was Pieter Wispelwey (een buurman van het gebouw: vanuit zijn huis kijkt hij bij de kerk naar binnen) zo vriendelijk te hulp te schieten, in oktober vorig jaar voor de vierde keer.

Welnu, om in deze kerk met 450 anderen naar de mooiste muziek ter wereld te luisteren, gespeeld door Pieter Wispelwey, is als gezegd een groot geluk. Maar valt daar verder nog wat van te zeggen? Niet veel, ben ik bang. Er is een gedicht van Lars Gustafsson dat 'De stilte van de wereld voor Bach' heet. In Bernlefs vertaling begint het zo: 'Er moet een wereld bestaan hebben / voor de Triosonate in d, een wereld voor de partita in a mineur, / Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank / overal onwetende instrumenten.'

De Noorderkerk, de eerste in Amster- dam die speciaal voor de protestantse eredienst gereed kwam, was al een jaar of vijfenzestig bij Bachs geboorte in 1685. Toen hij zijn cellosuites schreef - het is niet bekend voor wie of waartoe - was Bach vijfendertig. Voor cello solo was tot op dat moment nog nooit geschreven. Wispelwey speelt de suites uit het hoofd en in hemdsmouwen. Het moet een enorme krachtsinspanning zijn. Op zijn laatste cd-opname deed hij er 140 minuten over.

Een suite bestaat uit een prelude ge- volgd door vijf dansen. Het is dus wereldlijke muziek die Wispelwey in deze kerk ten gehore brengt. Nou ja, wereldlijk, het hele onderscheid tussen religieus en wereldlijk is bij Bach met een korrel zout te nemen. Soms gebruikte hij dezelfde melodieën eerst voor het ene en vervolgens voor het andere doel. Vermoedelijk zijn noten en maten en thema's net zo min als bouwstenen en voegwerk en gewelven inherent religieus van aard.

Daar zit Wispelwey en twee simpele feiten blijven iets ongelofelijks houden: dat al die muziek (op de zesde suite na dan) tot stand komt met behulp van dat ene instrument met maar vier snaren; en dat deze toch behoorlijk gecompliceerde muziek - langzamer of sneller, bijna tot stilstand komend dan wel opzwepend doedelzakachtig, van suite tot suite opgebouwd tot een paleis van zes maal zes vertrekken - zo veel duur kan verkrijgen, terwijl je natuurlijk nooit meer dan pakweg een handvol seconden tegelijk in het hoofd kunt hebben.

Wispelwey heeft zijn ogen wel open, heel of half, maar zijn blik is die van een blinde. Hij kijkt noch ziet. Hij is volledig van zijn toehoorders afgesloten. Zeer geconcentreerd is hij zelf aan het luisteren naar de muziek die zijn strijkstok en zijn snaren hem voortoveren. Hij is werkelijk een blinde; het is zijn stok die hem leidt. Hij vindt zijn weg door middel van zijn stok, intussen scherp luisterend naar al wat hij passeert. En terwijl hij zijn wonderbaarlijke route aflegt over die vier of die vijf snaren, is het alsof de Noorderkerk en Bach, altijd al voor elkaar bestemd, hier en nu versmelten. M

Nicolaas Matsier is schrijver. Zijn laatste verhalenbundel Meneer Kortom kijkt uit het raam verscheen in 2000 bij uitgeverij De Bezige Bij.