Kunst

De vorige week overleden Franse filosoof Pierre Bourdieu heeft in zijn leven over veel dingen nagedacht, maar hij zal de geschiedenis ingaan als de man die een einde maakte aan het argeloze kunstgenot. Niemand gaat een schilderij bekijken omdat hij het mooi of interessant of verbluffend vindt, hij gaat ernaar kijken om te laten zien wie hij is. De aanhangers van Bourdieu zien de kunst allereerst als een sociaal fenomeen, als het middel waarmee je aangeeft tot welke sociale klasse je behoort. Mensen consumeren kunst niet om indrukken te krijgen, maar om indruk te maken. De Haagse vrouw die regelmatig op galeriebezoek gaat, wil ons zo iets over zichzelf vertellen. De jonge allochtoon die hartstochtelijk dweept met Der Ring des Nibelungen, is niet alleen gegrepen door Wagners muziekdrama als kunst; hij legt er ook een sociaal statement mee af. Wanneer socialisten het vroeger over kunst als middel tot verheffing hadden, bedoelden ze geestelijke verheffing. Hopeloos naïef volgens de Bourdieu-adepten: sociale verheffing zul je bedoelen, een mengeling van maatschappelijke ambitie en zuiver snobisme.

Met Bourdieu is het volgens mij als met Karl Marx, die de mensheid liet zien dat achter vrijwel alle idealistische motieven economische argumenten schuilgingen; in de handen van zijn bewonderaars worden zijn reële inzichten tot een verschrikkelijke dooddoener. In hun ogen is iedere beleving van kunst niets anders dan een maatschappelijke positiebepaling, de kunst zelf is niets anders dan een strategie. Geen wonder dat Bourdieu de schutspatroon is geworden van al die beleidsmakers en museumdirecteuren die zich hun hele werkende leven met kunst moeten bezighouden zonder dat ze er iets zinnigs over weten te zeggen. Hun eigen kunstbeleving staat immers ook geheel in dienst van carrièrezucht.

Het zou interessant zijn te weten wat Bourdieu gevonden zou hebben van de golf van poëzie die de laatste jaren over ons land slaat. Nog niet zo lang geleden leken de dichters naar de donkerste uithoeken van het maatschappelijke stamcafé verdreven. Afgezien van een stel goedgebekte plezierdichters die in heel het land volle zalen trokken omdat je hun gedichten zo lekker het ene oor in, het andere uit kon laten gaan, waren de overige dichters nauwelijks meer aanwezig in de samenleving. De stroom reguliere poëzieprijzen ging jaar in jaar uit geruisloos aan de media voorbij, de oplagen van dichtbundels zakten van duizend- naar honderd- naar tientallen. Alleen Nederlandse jazz was nog marginaler.

Dat is nu allemaal anders: de poëzie in Nederland leeft als nooit tevoren. Er is een landelijke gedichtendag, het stikt van de nieuwe prijzen met spannende nominaties, er is een nationale poëzieclub in de maak. Ook moeilijke dichters reizen nu stad en land af, er is een Dichter des Vaderlands, en de openbare ruimte wordt volgepompt met pregnante regels. Uitverkoren gedichten worden uitgedeeld op benzinestations en eens in de zoveel tijd kun je een echte dichter bij je thuis op de koffie krijgen, die ten overstaan van je gezin en de buren uit zijn laatste bundel voorleest. Een poëzieoffensief, zo kun je het gerust noemen. Hoewel de Dichter des Vaderlands zelf ieder jaar de boel probeert te relativeren en roept dat poëzie geen pestepidemie is, heeft hij allang de greep verloren op een beweging die hij eigenhandig een flinke duw heeft gegeven: heel Nederland zal eraan moeten geloven. Poetry rules.

Wat krijgen de kroonprins en zijn vrouw vandaag van de stad Amsterdam aangeboden als huwelijkscadeau? Een bundel versgeschreven gedichten van heel goede dichters. Je ziet de andere genodigden al met hun hand tegen hun hoofd slaan: verdomme, dat zij daar niet opgekomen zijn! Het ideale huwelijkscadeau!

Dat laatste voorbeeld is veelzeggend, zeker wanneer je er met een Bourdieu-blik naar kijkt: het koninklijk huwelijk vandaag is een geestloze vertoning, omdat de monarchie zich nu eenmaal niet meer als een monarchie kan gedragen. De leden van het Koninklijk Huis zijn ornamenten die voortdurend dienen te benadrukken dat ze deel uitmaken van een democratie, waarin iedereen geacht wordt gelijk te zijn. In het Jeugdjournaal zag ik de aanstaanden zich in alle bochten wringen om jong Nederland te laten zien hoe doodgewoon ze waren; er waren thuis geen gouden borden en ook maar nauwelijks bedienden, en als ze alleen waren kwakten ze het liefst een diepvriesmaaltijd in de magnetron.

Aan het eind van het gesprek had niemand er meer zin in.

Wat de kroonprins natuurlijk had moeten doen, was één regel poëzie citeren, al was het maar Annie M.G. Schmidt. Alle kinderen van Nederland zouden als betoverd geweest zijn. Hetzelfde in het geval van de foute vader van Máxima; in plaats van die ingezonden brief van Videla één goedgekozen citaat uit een indringend verzetsgedicht en zelfs Mies Bouhuys was hem in de armen gevallen.

Wat geestloos is, wat grauw en betekenisloos is en zonder magie, moet worden aangekleed met gedichten. Dat is de achterliggende maatschappelijke bedoeling van dat plotselinge poëzieoffensief. Poëzie staat voor geest, en in een samenleving waarin voor verbeelding en fantasie steeds minder plaats is, waarin alle gemeenschappelijke bevlogenheid alleen nog zuiver materialistische doelen nastreeft, krijgt een geslaagde dichtregel vanzelf iets van een aanraking van bovenaf; en een dichter die zich niet eens een magnetron kan veroorloven, maar niettemin volhardt in zijn roeping, krijgt vanzelf iets van een heilige. Het verspreiden van poëzie lijkt veel op zendelingenwerk vandaar de gêne van de Dichter des Vaderlands.

Het is vooral uiterlijk behang, natuurlijk. In de ideale samenleving zoals ik me die voorstel, komt poëzie op een natuurlijke wijze uit een cultuur voort, en is het niet nodig om argeloze mensen overal waar ze gaan met dichtregels te bestoken, in de hoop dat er iets van blijft hangen. De poëzie krijgt op deze manier meer en meer het imago van een sociaal bindmiddel, iets wat je samen moet doen om er beter van te worden.

Maar de onverwachte opleving van de poëzie in Nederland beantwoordt wel degelijk aan een reële behoefte: de behoefte om de verbeelding weer een plaats te geven in het maatschappelijke domein. Juist omdat de kunst vergezichten biedt die de dagelijkse sociale werkelijkheid ver achter zich laat, wordt ze weer aantrekkelijk voor een maatschappij die ieder geloof in zichzelf heeft verloren. In zo'n samenleving kan de kunst opnieuw noodzakelijk worden.