In Nederland is er al lang een republiek

Eigenlijk is Nederland helemaal geen monarchie. Het is een republiek, met een door het volk zelf gekozen vorst.

`Wil men mij niet meer'', moppert koning Willem I in 1840 over zijn volk, ,,ze zeggen het maar. Ik heb hen ook niet nodig.'' Datzelfde jaar nog treedt hij mokkend af. `Ze' hádden het dus maar gezegd.

Zo gaat dat kennelijk in Nederland, volksmonarchie. Geen van God gegeven instelling is het koningschap hier, zou je denken, maar een aan de nukken van het volk overgeleverd ambt. Lees maar hoe Willem I in 1813 werd ingehaald.

Zijn vader was nog stadhouder Willem V geweest; het land was onder diens bewind in voortdurende machtsstrijden verwikkeld, totdat de `patriotten' hier hun eigen Franse revolutietje maakten en de Oranjes verjoegen. Rust bracht de machtsgreep niet; de Fransen trokken het land binnen om de revolutie te redden, maar de weerzin tegen de bezetter mondde in 1813, na Napoleons nederlaag bij Leipzig, uit in een uitnodiging – door vooraanstaande burgers – aan prins Willem om de soevereiniteit te aanvaarden. De Leidse hoogleraar Kemper verwoordde het als volgt in een proclamatie: ,,Het is geen Willem de Zesde, welke het Nederlandse volk heeft teruggevraagd (...) Het is Willem de Eerste, die als Souverein vorst, naar de wens van de Nederlanders onder het volk optreedt.''

Die dubbele nadruk op het volk verbergt een dubbelzinnigheid, die sindsdien altijd aan de monarchie is blijven kleven. De Nederlanders wensen namelijk helemaal geen monarchie. Die hadden ze nou net afgeschaft in 1581. Nee, de Nederlanders zijn tot op het bot republikeins, maar dan wel met Oranje for president.

Willems moeder Wilhelmina, weduwe van stadhouder Willem V, had dat goed begrepen. Zij stuurde haar zoon op 5 maart 1813 een brief met goede raad: ,,Ik zou U echter sterk moeten aanraden, zelfs de schijn te vermijden van een koningschap te zoeken. Ik kan ook niet denken dat dat Uw bedoeling zou wezen, al ware het alleen maar om het vooroordeel dat in het land nog zolang tegen de titel bestaat.'' Willem I heeft die raad opgevolgd. Dat wil zeggen, hij heeft gewacht tot de omringende Europese machten de door hem gewenste uitbreiding van Nederland met de Belgische provincies tot stand hadden gebracht. Zij moesten toen wel oordelen dat zo'n groot land toch echt een koning nodig had en niet een drager van de malle titel `souverein'.

De vooraanstaande burgers van Nederland anno 1813 benoemden dus weliswaar op eigen gezag een staatshoofd, maar konden `naar de wens van de Nederlanders' niemand anders benoemen dan de prins van Oranje.

Dat volksgevoel is van 1813 tot en met 2002 het krediet gebleven van het Oranjehuis. In tijden van nood hebben de Oranjes ook niet geaarzeld daar een beroep op te doen. Willem II bijvoorbeeld heeft tijdens zijn koningschap een paar momenten gekend van nood, of misschien moet je zeggen van deernis. Bij het volk was hij populair als playboy en `Held van Waterloo' – hoewel de geallieerde bevelhebber daar, Wellington, geringschattend opmerkte: ,,Too much is not to be expected from him''. De politieke elite deelde dat oordeel. Maar het is de vraag of zij in het Europese revolutiejaar de bevolking tegen de vorst in het geweer had kunnen brengen, als hij niet `in 1848 in 24 uur van conservatief liberaal' was geworden en Thorbeckes grondwet had geaccepteerd.

Ook de minst populaire Oranjevorst, Willem III, kon altijd nog door Amsterdam lopen, door volksbuurten als de Jordaan en Kattenburg, zich laten toejuichen door de menigte en zich laten omhelzen door een vrouw, die hem kuste en riep: ,,En toch ben je mijn Willempje.''

Het zou tot de regeerperiode van Wilhelmina duren eer het koningschap zijn eerste openlijke uitdaging kreeg. In 1918, dat andere Europese revolutiejaar, stelde de socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra dat ook in Nederland de tijd was gekomen om de macht over te dragen aan de arbeiders. Die vergissing kwam hem duur te staan. Een massale, goedgeregisseerde aanhankelijkheidsbijeenkomst op het Haagse Malieveld liet zien dat het volk nog altijd op de hand van Oranje was. En socialisten die daar anders over dachten, werden afgetuigd in enkele `Oranjefuries'.

Het Haagse volk van 1918 was misschien niet zo heel anders dan het `zooitje' dat in 1672 de grote tegenstanders van de stadhouder, Johan en Cornelis de Witt, doodsloeg. Het verschil is dat die lynchpartij in 1672 de Oranjes nog lang is aangerekend, terwijl in 1918 het pleit definitief in hun voordeel werd beslecht. De tweestrijd die de Nederlanden onder de Oranje stadhouders zo had gekenmerkt, maakte plaats voor de consensus van `één volk onder één huis'.

De vorstelijke Oranjes werden de belichaming van de natie, nog eens onderstreept door Wilhelmina's houding tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gesteld al, dat zo'n onderstreping nodig was. Want kijk maar eens wat minister Pierson noteerde bij de inhuldiging van Wilhelmina in 1898: ,,Toen zij daar met opgeheven hand stond, werden allen als geëlectrificeerd.''

In die permanent verhoogde staat van majesteit konden de Oranjes zich eigenlijk alles veroorloven zonder dat het wezenlijk afbreuk deed aan hun populariteit. Juliana kon eigenhandig koekjes presenteren aan bezoek, Beatrix kon juist weer een strak protocol voeren. Prins Bernhard kon vliegtuigfabrikant Lockheed van advies dienen, prins Claus kon zijn das demonstratief afzweren en daarop weer aantrekken – maakt niet uit.

Diezelfde prins Claus voelde zich in 1970 zó zeker van de positie van het koninklijk huis, dat hij rustig kon zeggen, bij wijze van late echo van Willem I: ,,Als het Nederlandse volk een eind aan de monarchie zou willen maken, dan geloof ik niet dat u leden van het koninklijk huis op de barricade zou vinden om het instituut van de monarchie als zodanig te verdedigen.''