Ik kan kaartlezen

Je wist op de achterbank dat je je muisstil moest houden, als je vader steeds driftiger begon te schakelen en je moeder de kaart zenuwachtig in haar handen draaide. ,,Ik geloof dat we bij dat witte huis naar links hadden gemoeten. Als we omlaag rijden tenminste. Maar als ik de kaart omdraai, is het naar rechts. Maar dan kan ik hem weer niet lezen...'' Mijn vader zette de auto abrupt langs de weg, rukte zwijgend de kaart uit mijn moeders hand, wierp er een enkele blik op en begon de auto te keren. ,,Ik kan niet sturen en kaartlezen tegelijk'', zei hij zijn woede beheersend.

Kaartlezen is niet ieder gegeven. Er wordt een beroep gedaan op een ruimtelijk gevoel. Sommige mensen hebben het, andere niet. De meeste mensen zitten er tussen in. Maar met enige voorbereiding kom je een eind.

Koop kaarten die voor het doel geschikt zijn. Kaarten met een schaal van 1:50.000 (2 cm op de kaart is 1 km in het terrein) of 1:25.000 (4 cm = 1 km) zijn geschikt om op te wandelen, maar met de auto ben je er zo af. Voor lange fietstochten is 1:100.000 precies goed. Automobilisten kunnen met een kaart van 1:200.000 overweg. In `lege landen' als Noorwegen kun je zelfs nog wel op een kaart van 1:1.000.000 rijden.

Wie veel moet kaartlezen, ontwikkelt vanzelf een voorkeur voor een bepaalde kaartstijl. Sommige mensen zweren bij de Michelin-kaarten, die in essentie zwartwit zijn (en goed leesbaar bij slecht licht), anderen voelen meer houvast bij gekleurde kaarten, waarvan de ANWB-kaarten het bekendst zijn. Kies in principe kaarten met een makkelijk deelbare schaal, dus geen 1:38.000 bijvoorbeeld. Vooral `toeristenkaarten' uitgegeven door plaatselijke VVV's lijden aan dit euvel. Je krijgt moeilijk gevoel voor afstanden op zo'n willekeurige schaal.

Een bestuurder en een bijrijder hebben tijdens een tocht een vanzelfsprekende taakverdeling. Terwijl de bestuurder zijn aandacht op de weg houdt, wil de bijrijder nog wel eens wegzakken. Houd de kaartlezer bij de les: wat is de volgende afslag, hoeveel komen er nog, welke steden moeten we aanhouden als we van de Autobahn af gaan?

Een automobilist heeft niet veel aan een kompas. Door al het ijzer is het sowieso onnauwkeurig. Je hebt er alleen wat aan als steuntje – bijvoorbeeld dat je op de snelweg precies de verkeerde kant oprijdt.

De wandelaar die de vrije natuur in gaat, heeft juist erg veel aan een kompas. In combinatie met een kaart werkt een Recta-kompas het gemakkelijkst. Het is een plastic vloeistofkompas gemonteerd op een doorzichtig plastic rechthoekje. De gebruiksaanwijzing is doodsimpel. Leg het kompas op de kaart als een liniaal van de plaats waar je bent naar de plek waar je heen wilt, de pijl richting doel. Draai de kompasring zo dat daarop de lijnen naar het kaartnoorden wijzen. Neem het kompas nu in de hand en draai het zo dat de naald samenvalt met de noordmarkering. De doelpijl op het plastic rechthoekje zal nu naar het doel wijzen. Dat geldt tenminste voor Nederland, waar het magnetische noorden vrijwel samenvalt met het geografische noorden.

Neem voor elke tocht de moeite om de kaart vooraf rustig te bestuderen. Bekijk ook de legenda eens. Zo kom je erachter dat voor deze tocht de hoogspanningsmasten, ook al zijn die kilometers weg, letterlijk een leidraad vormen. En je ziet dat alles goed komt als je maar ten zuiden van de spoorlijn blijft.

Vouw tijdens het gebruik de kaart zo dat je er ongeveer midden op het opgeslagen deel zit. Wandelaars oriënteren zich het beste als ze de kaart precies in dezelfde stand houden als de omgeving, het kaartnoorden naar het noorden. Automobilisten houden de kaart gewoon rechtop, ze zullen zich mentaal moeten draaien. Dat kan voor sommigen wel eens lastig zijn in zuidwaartse richting.

Vouw na afloop de kaart goed op. De meeste kaarten gaan overdwars en daarna harmonicagewijs. Volgende keer: GPS.