IJZER IN OCEAAN KOMT UIT DIEPTEWATER, NIET UIT ATMOSFEER

Het ijzer dat in sterke mate bepaalt in hoeverre de oppervlaktewateren van een oceaan voedselrijk zijn, komt niet - zoals tot nu toe aangenomen - via stofdeeltjes uit de atmosfeer in zee terecht, maar via opwelling van ijzerrijk dieptewater. Dat geldt in ieder geval voor de Zuidelijke IJszee (rondom Antarctica) (Paleoceanography, december 2001).

Aan ijzer bestaat in oceanische oppervlaktewateren vaak een zo groot tekort dat de mariene fauna zich er onvoldoende kan ontwikkelen. Er zijn zelfs grote gebieden in de oceanen waar door dit gebrek aan ijzer bijna geheel geen leven voorkomt. Uit het nu uitgevoerde onderzoek blijkt dat in het verleden verhoogde bioproductiviteit in delen van de Zuidelijke IJszee samenviel met toenames in de concentratie van biologisch beschikbaar ijzer, èn met de influx van materiaal vanuit de omringende continenten. Een groot deel van dat materiaal komt met het bij Antarctica omlaag zakkende (want koude en dus relatief zware) water diep in de oceanen terecht. Wanneer er een nieuw koudeperiode optreedt, wordt het stromingspatroon in de oceanen volgens de onderzoekers intenser, wat ertoe leidt dat plaatselijk opwellingen ontstaan. Daarmee worden de eerder weggezakte ijzerhoudende componenten weer naar het oppervlak gebracht. Dat zou een veel belangrijker bron van ijzer zijn dan het ijzer dat via stofdeeltjes de zee in wordt geblazen.

De ijzerkringloop gedurende de afgelopen paar miljoen jaar is van groot belang, omdat een toename van het fytoplankton betekent dat er meer fotosynthese plaatsvindt, waardoor de hoeveelheid koolzuurgas in de atmosfeer afneemt. Dit kan weer leiden tot een 'negatief broeikas-effect' (positieve feedback). Een beginnende ijstijd zou zo een extra steuntje in de rug krijgen.