Huwelijk bevestigt het mystieke verbond van God, Nederland en Oranje

Het huwelijk van prins Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta heeft zich gisteren en vandaag op drie plaatsen voltrokken: in de Arena voor het volk, in de Beurs van Berlage voor de wet, en in de Nieuwe Kerk voor God. Met dit drievoudig ceremonieel is recht gedaan aan drie aspecten die de plaats van het Huis van Oranje markeren: de relatie tussen Oranje en het volk, de constitutionele positie van het koningshuis, en de betrekking tussen het Oranjehuis en de religie, meent Jan de Bruijn.

De Oranjes hebben zich door de eeuwen heen over het algemeen in de volksgunst mogen verheugen. Al in de tijd van de oligarchische Republiek en het aanvankelijk autocratische Koninkrijk was de band tussen vorst en volk een belangrijke troef, die desnoods op politiek gebied kon worden uitgespeeld. Na 1848 raakte de monarchie haar politieke macht goeddeels kwijt en kreeg zij steeds meer een symbolische en morele functie. Ook in die situatie was het contact met het volk van groot belang voor de monarchie, al was het maar omdat met de democratisering van de samenleving ook de rol van de publieke opinie belangrijker werd.

Het is evident dat het koningshuis in de huidige samenleving meer dan ooit is aangewezen op een adequate beeldvorming. Naast traditionele vormen van presentatie, zoals de `blijde incomste' en de rijtoer in de gouden koets, worden ook modernere middelen gebruikt, zoals het tv-interview en de overigens mislukte `chatsessie' op internet. Opmerkelijk is dat bij dit huwelijk voor het eerst ook een afzonderlijke plaats is ingeruimd voor een rechtstreekse ontmoeting met het volk.

Dit nieuwe element is met veel gevoel voor psychologie uitgewerkt. Alleen al de gedachte om de `Nationale Feestavond' in de Amsterdamse Arena te houden is een vondst. Het stadion is in de Nederlandse samenleving immers bij uitstek de plaats waar gevoelens van vreugde en verdriet collectief beleefd kunnen worden. In het stadion gaat de enkeling op in de gemeenschap, die in de beslotenheid van de kring uitdrukking geeft aan het gewenste gevoel van saamhorigheid. Zoals het volk zich vroeger rond de troon schaarde, zo hebben de Nederlandse gemeenten nu burgers afgevaardigd om deel te nemen aan deze manifestatie van nationale eenheid, met het jonge paar als stralend middelpunt. De functie van Oranje als bindend element in een pluriforme samenleving wordt daarmee treffend uitgebeeld. De symboliek wordt nog versterkt door het `Nationale Huwelijksgeschenk', dat zal worden ondergebracht in een Oranjefonds ten bate van het multiculturele ideaal. Ook het thema van de manifestatie, `Meer Samen, Samen Meer', appelleert aan dit gevoel van verbondenheid.

Door de feestavond te houden in een moderne voetbaltempel als de Arena wordt tevens de verbinding gelegd met het andere Oranje-gevoel, dat Nederland zo nu en dan in zijn greep krijgt. Ook dit sportieve Oranjegevoel is een alle partijen overstijgende emotie, die politiek neutraal is en gemakkelijk kan worden gemobiliseerd. Het is een effectief sentiment, dat refereert aan elementaire maar positief geladen noties van vaderlandsliefde (`Wij houden van Oranje om zijn daden en zijn doen') en nationale trots (` We are the champions'). Dit verband ligt in dit geval ook voor de hand, omdat de kroonprins als IOC-lid een sportief man is. Na het volbrengen van de Elfstedentocht werd hij hier en daar zelfs als `stedendwinger' aangeduid, zoals bekend de historische titel van stadhouder Frederik Hendrik. Zo wordt de traditie in ere gehouden en blijft het koningshuis tegelijk bij de tijd, omdat de ware heldendaden tegenwoordig worden verricht op het sportveld.

Het programma van de `Nationale Feestavond' is aangepast aan het niveau van de gemiddelde tv-kijker, zodat het rechtstreekse televisieverslag zeker veel kijkers zal trekken. Verder is gezorgd voor een licht religieuze inslag, die zijn uitwerking evenmin zal missen. Het stichtelijke motto van de bijeenkomst `Meer Samen, Samen Meer', geeft op eigentijdse wijze inhoud aan het bijbelse verhaal van de wonderbaarlijke vermenigvuldiging. Het opdragen van de offerande ontbreekt evenmin en heeft vorm gekregen in de aanbieding van het `Nationaal Huwelijksgeschenk'. Treffend is vooral het `Nationaal Huwelijkslied' van Marco Borsato, dat de onverbloemd religieuze titel `Lopen op het water' (`This mystery') heeft gekregen. In deze ode aan de liefde die alle natuurwetten tart, wordt op het water gelopen en op de sterren gedanst dat het een aard heeft. Tijd en eeuwigheid vloeien ineen, want ,,een tel met jou is mooier dan/een eeuwigheid alleen''. Aldus wordt de liefde tussen man en vrouw in een hoger licht geheven en wordt zij tevens het symbool van de unio mystica het mystieke verbond, moderner gezegd: de `chemie' tussen Nederland en Oranje.

Het huwelijk voor de wet vindt plaats in de Beurs van Berlage, wat een symbolische keuze mag heten voor een overheid die het bedrijfsleven zoveel ruimte biedt. In feite is dit burgerlijk huwelijk de afronding van het constitutionele proces, dat met de goedkeuring van de verbintenis in het parlement zijn hoogtepunt bereikte. Dit parlementaire nihil obstat is noodzakelijk, omdat het huwelijk van de troonopvolger niet uitsluitend een privé-aangelegenheid is, maar ook constitutionele betekenis heeft. Daarom geldt in dit geval onverminderd het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid, dat sinds 1848 in de grondwet verankerd ligt teneinde de politieke invloed van de koning aan banden te leggen. Hoewel koning Willem III moeilijk kon wennen aan de machtsbeperkende werking van de ministeriële verantwoordelijkheid, hebben de Oranjevorstinnen na hem hun politiek neutrale rol doorgaans volgens de regels gespeeld. Hun gezag ontleenden zij immers juist aan het feit, dat zij `boven de partijen' stonden en zich konden profileren als symbool van nationale eenheid. Problemen ontstonden er dan ook niet zozeer door constitutionele competentiegeschillen, maar door affaires van persoonlijke aard, die afbreuk konden doen aan de morele en symbolische functie van de monarchie.

Juist op het menselijke vlak vertoonde het koningschap zijn kwetsbare zijde en moest het meer dan eens gecorrigeerd worden door de werking van de ministeriële verantwoordelijkheid, die men in het ene geval gedragsregulerend, in het andere geval pacificerend zou kunnen noemen. Omgang met de verkeerde personen (Greet Hofmans-affaire, Lockheed-affaire) dwong de ministerraad gedragsregulerend op te treden. De keuze van omstreden huwelijkspartners (Beatrix, Irene) noopte de ministers tot pacificerend manoeuvreren om de publieke opinie te ontzien en het koningshuis uit de wind te houden.

Ook bij de verbintenis van Willem-Alexander met Máxima heeft de ministeriële verantwoordelijkheid een pacificerende functie. Er is veel te doen geweest over de vraag, of de bruid door het politieke verleden van haar vader wel aanvaardbaar was als toekomstig koningin. Wat dit betreft vertoont de situatie overeenkomsten met de verloving van prinses Beatrix met de Duitse diplomaat Claus von Amsberg. In beide gevallen riep de huwelijkskeuze politiek verzet op, dat eerst gepacificeerd moest worden voordat de Toestemmingswet kon worden ingediend. Evenals toen heeft het kabinet ook nu opdracht gegeven tot een onderzoek door een historicus (wat iets anders is dan een historisch onderzoek), om de weg voor parlementaire goedkeuring te effenen. In het geval van Máxima heeft het kabinet bovendien een persoonlijk offer van haar gevraagd, door te eisen dat haar ouders niet bij de bruiloft aanwezig zouden zijn.

Door met deze eis in te stemmen heeft Máxima getoond in elk geval over één noodzakelijke eigenschap te beschikken: het vermogen om persoonlijke gevoelens ondergeschikt te maken aan staatkundige belangen. Dat die keuze haar niet licht moet zijn gevallen, is inmiddels wel gebleken. Het is dan ook de vraag, of de pacificerende oplossing van het kabinet in de toekomst stand zal houden.

Niet alleen door dit huwelijk is het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid weer aan de orde gesteld. Bekend is dat sommige politici kritiek hebben op het functioneren van de monarchie. Met name D66 heeft zich in het recente verleden beklaagd over de invloed van koningin Beatrix. Of dit verwijt gegrond is, kan hier in het midden worden gelaten. Van belang is wel dat de roep om een strikter toepassing van de ministeriële verantwoordelijkheid ook bij het huwelijk tot uiting is gekomen. De gretigheid waarmee uitspraken van de prins inderdaad geen Willem de Zwijger door Kamerleden werden afgestraft, is daarvan een symptoom.

Ondanks de scheiding van kerk en staat is de kerkelijke inzegening van het koninklijk huwelijk in feite even onmisbaar als de parlementaire goedkeuring. Constitutioneel gesproken is de kerkelijke plechtigheid een privé-zaak, maar paradoxaal genoeg vormt zij het onbetwiste hoogtepunt van het feest. Het is dan ook moeilijk voorstelbaar dat een koninklijk huwelijk alleen op het stadhuis zou worden gesloten. Dit geldt niet alleen voor het Nederlandse koningshuis maar voor alle Europese monarchieën. Hoewel het koningschap `bij de gratie Gods' alleen nog in zeer algemene zin wordt beleefd, wordt de relatie met de kerk door alle Europese vorsten instandgehouden. Op zichzelf zegt dit niet zoveel over hun persoonlijke geloofsovertuiging, maar die is in dit verband ook niet van belang. Wat telt is, dat elke vorst op persoonlijke titel deel blijft uitmaken van zijn kerk en daaraan zo nu en dan publiekelijk uiting geeft. Dit patroon is zo algemeen dat men van een monarchale adat kan spreken, van een traditie die ook door ontkerstende onderdanen wordt gerespecteerd. In die zin is in Nederland nog iets bewaard gebleven van het oude `drievoudig snoer' tussen God, Nederland en Oranje.

Daarbij komt dat de meeste vorstenhuizen niet gemakkelijk afstand zullen doen van een ceremonieel dat zoveel luister bijzet aan de hoogtijdagen van de dynastie. Het `sprookjesachtige' van koninklijke huwelijken komt immers het beste tot zijn recht als het omlijst wordt door de rituelen der kerk. De kerkelijke inzegening is dan ook het meest aansprekende onderdeel van de plechtigheden. Het is een televisiegeniek schouwspel, met een sacraal en esthetisch karakter, dat niemand onberoerd zal laten zoals de meest verstokte heiden van Bach kan genieten.

Van oecumenische zijde is kritiek geuit op het feit, dat het kerkelijk huwelijk een hervormd karakter draagt, hoewel de bruid rooms-katholiek is. Die kritiek lijkt mij niet juist. Elk vorstenhuis blijft tot dusver trouw aan zijn eigen kerkelijke traditie. In dit geval is dat de Nederlandse Hervormde Kerk, de `vaderlandse kerk' van weleer. Ook bij eerdere huwelijken van Oranjes met anglicaanse, grieks-orthodoxe of rooms-katholieke partners werd daaraan vastgehouden. Een uitzondering vormde het recente huwelijk van Maurits en Marilène, dat een gemengd hervormd/katholiek karakter droeg. Dit oecumenisch experiment was echter geen succes. Het theologisch rumoer dat erop volgde heeft zeker invloed gehad op het besluit dit keer voor een overwegend hervormde dienst te kiezen.

Hoewel geen zinnig mens iets tegen de oecumene kan hebben de Oranjes zijn zelf zeer oecumenisch ingesteld is het verstandiger in dit geval één stramien te volgen en zich van goedbedoelde liturgische frivoliteiten te onthouden. Protestantisme en katholicisme kennen nu eenmaal elk hun klassieke rituelen, die juist in hun eigenheid een authentieke indruk maken en daardoor in wederzijds respect kunnen worden aanvaard. Een oecumenische `viering' daarentegen leidt al gauw tot een mengelmoes van heterogene elementen, die de stijl en presentatie niet ten goede komen.

Per saldo valt het met dat gebrek aan openheid nog wel mee. De kerkdienst draagt weliswaar een hervormd karakter, maar de theologische opvattingen van de predikant zijn ruim genoeg om ook buitenkerkelijken aan te spreken. Het katholieke element ontbreekt evenmin door de aanwezigheid van een Argentijns priester. Bovendien is bij de keuze van het kerkgebouw rekening gehouden met de katholieke smaak van Máxima. Het zal geen toeval zijn dat niet gekozen is voor de Westerkerk, met zijn calvinistische architectuur, maar voor de Nieuwe Kerk, die uit de Middeleeuwen stamt en daardoor veel meer de geest van het katholicisme ademt. Ironisch is wel dat de Nieuwe Kerk tegenwoordig een museum is, maar dat is dan wellicht een troost voor hen die de kerkdienst meer als cultureel dan als religieus evenement wensen te zien.

Prof.dr. J. de Bruijn is hoogleraar Politieke Geschiedenis en directeur van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de Vrije Universiteit.