Honkvast

Voor Amerikanen is honkbal een sprookje en Cal Ripken Jr. de absolute held. Hard, taai, eerlijk en vrij van schandalen. Vorig najaar nam hij afscheid van zijn fans.

He was a throwbackto a time of true heroes...

Bernard Malamud, The Natural

Het moment waarop een Amerikaanse jongen een honkbalhandschoen onder de kerstboom vindt, is een van de gelukkigste in zijn leven. De dag waarop hij voor het eerst met zijn vader in de tuin, op een grasveldje of in een weiland een honkbal overgooit is een mythische Amerikaanse gebeurtenis, die is bezongen in films, romans en memoires.

Maar waarom? Wat is er zo bijzonder aan honkbal? Waar komen de pretenties vandaan dat het niet zo maar een sport is, maar een vorm van religie, zoals Annie Savoy (actrice Susan Sarandon) zegt in de openingsscène van de honkbalfilm Bull Durham?

Misschien geeft een andere film, Field of Dreams, het antwoord. In die film speelt acteur James Earl Jones een teleurgestelde activist uit de jaren '60, die een teruggetrokken bestaan leidt. Totdat hij op middelbare leeftijd de charmes van honkbal herontdekt. Honkbal, zegt hij, 'herinnert ons aan wat ooit goed was, en misschien weer goed kan worden'. Zo goed als vroeger wordt het natuurlijk nooit meer, maar de herinneringen aan de eerste aarzelende worp, de curve van de bal, en de plof waarmee hij in de honkbalhandschoen van vader, oom of vriendje belandde, maken veel goed.

Niet alleen in Hollywood keerden verbitterde maatschappijhervormers uit het tijdperk-Reagan terug naar 'de eeuwige waarden' van het honkbal. Overal liepen Terence Manns rond, radicale zonen die de generatiekloof met hun conservatieve vaders in honkbalstadions probeerden te dichten.

Voor wie meer wilde, waren er de populaire 'fantasiekampen'. Voor enkele tienduizenden dollars werden babyboomers daar genezen van hun honkbalnostalgie. Een week lang konden ze zich uitleven onder begeleiding van voormalige professionals; zelfs sportblessures werden gekoesterd als een trofee. Geen beter bewijs dat het 'weer goed kan worden'.

Deze 'viering van het honkbal' vond haar apotheose in de bouw van tientallen retro-stadions. De betonnen monsters die in de jaren '50 en '60 op industrieparken langs snelwegen waren neergezet, werden vervangen door publieksvriendelijke honkbaltempels, aan de rand van gerenoveerde binnensteden.

De eerste daarvan, Camden Yards, verrees in 1992 aan de opgeknapte binnenhaven van Baltimore. Het geldt als het mooiste sportstadion van Amerika en trekt jaarlijks miljoenen fans. Het is ook de thuishaven van de Baltimore Orioles, een team in de hoogste honkballiga en het biedt onderdak aan de populairste honkbalspeler van het land: Cal Ripken Jr.

The Only Way I Know (1997) luidt de titel van zijn autobiografie, en daar is geen woord van gelogen. Ripken werd bijna op het honkbalveld geboren.

Zijn vader, Cal Ripken Sr., was klusjesman, buschauffeur, scout en trainer voor de club die zijn oudste zoon in 1981 in het eerste team liet debuteren. Afgelopen seizoen nam Junior op 41-jarige leeftijd afscheid van zijn sport. Zuinig op zijn lichaam is hij nooit geweest. Tussen 1981 en 1998 stond hij 2.632 wedstrijden achter elkaar in de basisopstelling. Daarmee verpulverde hij een onaantastbaar gewaand record van New York Yankee Lou Gehrig, die in de jaren '20 en '30 van de vorige eeuw 2.130 wedstrijden achter elkaar had gespeeld. Het is al bijzonder als een honkballer een seizoen speelt zonder één wedstrijd te missen; het is krankzinnig als hij dat 17 seizoenen achter elkaar doet. Honkbal is geen fysiek inspannende, maar wel een harde sport. Het gevecht tussen werper en slagman is, op de vechtsporten na, de meest directe en de agressiefste confrontatie tussen twee atleten. Blessures liggen voortdurend op de loer. Als veldspeler was Ripken bovendien extra kwetsbaar. Hij was jarenlang kortestop, de positie waarin een speler zowel de meeste honkslagen van de tegenstander verwerkt als aanstormende tegenstanders moet zien uit te tikken.

Geleidelijk aan begon zijn lichaam slijtageverschijnselen te vertonen. In 1999 werd hij geopereerd aan zijn rug, het afgelopen seizoen brak hij tijdens de voorbereiding een rib. Hij oogde traag, was in de zomer enkele maanden weer de oude, maar haalde in september strompelend de finish. Honkballiefhebbers zaten er niet mee. In alle stadions werd hij hartstochtelijk toegejuicht. Fans namen spandoeken mee waarop Ripken werd bedankt voor 'de herinneringen' of voor zijn 'inspanningen'. Er was, schreef politiek schrijfster en honkballiefhebber Doris Kearns Goodwin in de New York Times, sprake van een 'nationale liefdesverklaring'.

Ik wilde al lang over Ripken schrijven, maar niet zonder hem te hebben gesproken. Waar haalde hij de motivatie vandaan? En hoe doorstond hij, een sportman met dezelfde status als basketballer Michael Jordan en golfer Tiger Woods, de druk om jarenlang te moeten voldoen aan de verwachtingen van het publiek? In A Pitcher's Story, hét Amerikaanse sportboek van het afgelopen jaar, over het leven van topwerper David Cone, schrijft honkbalessayist Roger Angell dat 'alleen in honkbal en in de politiek het wilde leven van een beroemdheid nog tegen een ethisch licht' wordt gehouden. 'Ouders en kiezers', aldus Angell, 'verlangen van honkbalspelers en presidenten dat zij een moreel zuiver leven leiden en het goede voorbeeld geven. In geen enkel ander beroep speelt dat nog een rol.'

Weinig tophonkballers zijn tegen deze druk opgewassen. Cone raakte eind jaren '80 verwikkeld in een seksschandaal. De beroemdste honkbalspelers van de afgelopen dertig jaar naast Ripken, Darryl Strawberry en Pete Rose, gingen ten onder aan respectievelijk drugs- en gokverslaving.

Dat was het interessante aan Ripken: niet alleen in het stadion maar ook daarbuiten bleef hij zijn imago trouw. Hij was de lieveling van het publiek, zuiver op de graat, vrij van het exhibitionisme dat sinds bokser Mohammed Ali in Amerika de norm is onder topsporters. Inmiddels is hij bijgezet in een honkbalmuseum, het Ripken-museum, dat is gevestigd in zijn geboorteplaats Aberdeen in de staat Maryland. Het stelt zich tot doel 'de traditionele waarden van de familie Ripken te doorgronden en inzicht te verschaffen in de betekenis van trots, discipline en leiderschap'. Hoogtepunt is de fotovitrine van de dag, 6 september 1995, toen Ripken het record van Lou Gehrig brak. Vader, moeder en zoon Ripken rennen het veld op, toegejuicht door tienduizenden supporters. Overal in Amerika werden die avond honkbalwedstrijden tijdelijk gestaakt. De triomf van de Ripkens werd op grote schermen getoond. De recordhouder zelf was zo vriendelijk de wedstrijd nog extra luister bij te zetten door een homerun te slaan. President Clinton, die de gebeurtenis vanuit het stadion via de radio van commentaar voorzag, sprak daarbij de memorabele woorden: 'Go baby, get on out of here.' Aldus geschiedde. Het was een honkbalsprookje.

Eenvoudig was het niet, om Ripken te spreken te krijgen. Begin jaren '90 bracht hij zijn nevenactiviteiten, waaronder public relations, onder in de Tufton-Group, een bedrijf van dertien medewerkers dat zich tot doel stelt 'het product Ripken' aan de man te brengen. Volgens directeur Ira Rainess, die inmiddels voor zichzelf is begonnen als honkbalmakelaar, is Ripken 'zo Amerikaans als appeltaart, Chevrolet en hotdogs. Hij maakt reclame voor Chevy trucks, omdat hij er graag in rijdt en voor hotdogs, omdat hij die lekker vindt. Zo simpel is het.'

Journalisten kunnen dit pure imago natuurlijk schade berokkenen, en dienen dus op afstand te worden gehouden. Namens Tufton en Ripken is John Maroon met deze taak belast.

Een vriendelijke man, die Maroon, daar niet van. De tweede keer dat ik hem bel, begroet hij me al met een hartelijk 'hey dude'. Maar een interview met Ripken kan hij onmogelijk op korte termijn regelen. 'Kom maar naar het stadion van de Orioles', zegt hij. 'Daar komen we waarschijnlijk wel tot zaken.'

Honkbaljournalisten in Amerika hebben weinig reden tot klagen. Voor en na afloop van de wedstrijden is er uitgebreid gelegenheid om in de kleedkamer met de spelers van gedachten te wisselen. Althans, in theorie. In de praktijk zijn de sterren grillig. Ripken is een superster, die leeft volgens zijn eigen wetten. Hij blijkt onbenaderbaar.

Maroon legt uit wat de oorzaak is: 'Journalisten in Amerika zijn niet allemaal even positief in hun benadering', zei hij. 'Je moet dus als speler altijd op je hoede zijn. Dat valt niet mee. Cal is nu bezig aan zijn laatste seizoen, iedereen wil vijf minuten van zijn tijd. Hij wordt er gek van. Daar heb je waarschijnlijk alle begrip voor. Het is niets persoonlijks.'

Wachten dus, er zit niets anders op. Het heeft ook zijn plezierige kanten: ik zie veel wedstrijden en heb alle tijd om Ripken te observeren. In het veld toont hij enkele keren zijn specialiteit: een bal wordt door de slagman zijn kant op geslagen, hij pakt hem op met zijn honkbalhandschoen aan z'n linkerhand, laat de bal in een vloeiende beweging in z'n rechterhand vallen, houdt even in, en gooit dan zijdelings snoeihard naar de eerstehonkman. De slagman komt steevast een halve stap te kort om veilig op het eerste honk te belanden. Die halve stap te laat, een fractie van een seconde, is het handelsmerk van Ripken en de reden dat ik hem in 1986, toen ik enkele jaren in Baltimore woonde, ben gaan volgen. Op welke manier een bal ook op hem afkwam, hij pakte hem, wachtte even, en gooide op de centimeter nauwkeurig naar de eerstehonkman. Hoe snel een slagman ook was, er viel voor hem geen eer aan te behalen. Nét niet. Ripkens geheim was, zo werd gezegd, zijn 'krachtige arm'; hij gooide vuurpijlen naar de eerstehonkman. Dat mocht dan zo wezen, ik was zelf het meest onder de indruk van het moment waarop hij even inhield, vlak voor de worp. Geen speler die het hem nadeed. Alsof hij de renner naar het eerste honk valse hoop wilde geven.

Een kwestie van sterke schoenen, en een fabelachtig gevoel voor timing.

In de kleedkamer straalt Ripken op 41-jarige leeftijd ondanks z'n recente blessures een verpletterende gezondheid uit. Hij is 1.92 meter lang en weegt 105 kilo, heeft een gebruind gezicht, helderblauwe ogen die Paul Newman naar de kroon steken en een smetteloos lichaam: geen tatoeages, geen piercings of oorbellen, geen kleurspoeling in z'n haar - hij is kaal, op wat zilvergrijze sprietjes boven z'n oren na - geen stilettobakkebaarden en geen grunge-sikje. De lichaamsattributen van de gemiddelde honkballer anno 2001 laten hem koud. Misschien niet vreemd voor een speler die het al ongepast vindt na het slaan van een homerun met gebalde vuisten rond de honken te rennen.

Ripken is de enige honkballer met twee kleedcabines, vlak bij de nooduitgang in de kleedkamer, zo ver mogelijk van de journalisteningang. Hij bemoeit zich weinig met de andere spelers, die gemiddeld tien tot vijftien jaar jonger zijn. De jongste speler, de 23-jarige werper Josh Towers, verzekert mij echter dat Ripken een leider is: 'Je kunt bij hem altijd met vragen terecht. Soms, na een wedstrijd, praten we over mijn werptechniek. En hij geeft mij advies over de sterke en zwakke kanten van sommige spelers van de tegenpartij.'

Volgens Melvin Mora, een Venezolaanse kortestop die dit jaar voor het eerst bij de Orioles speelt, heeft Ripken de mentaliteit van een 18-jarige. 'Hij wil altijd winnen, en praat voortdurend over honkbal.'

Dat moet dan in de dug-out gebeuren, of op het veld, want in de kleedkamer is Ripken het tegendeel van een gangmaker. Hij kleedt zich zwijgzaam uit, doet zijn honkbaltenue aan, en loopt voor de wedstrijd naar de zaal met het 'werpkanon', waar hij zich inslaat. Na afloop van de wedstrijden is hij als een van de eersten verdwenen.

Na drie weken wachten en twee afspraken die weer worden afgezegd, word ik gebeld door Maroon: 'Hey dude. Morgen, drie uur. In het stadion.'

Kwart over drie de dag daarop komt Ripken aanlopen. Hij draagt een spijkerbroek en een t-shirt, een teken dat hij niet speelt. Last van z'n rug, zegt hij. Een oude blessure die weer opspeelt. Hij vertelt over ruggenwervels die zijn afgesleten door een kwarteeuw van sprints en slidings naar de honken. Vorig seizoen had hij zo'n last van zijn rug dat hij niet meer kon zitten. Hij stond of hij lag op z'n zij, wekenlang. De pijn trok naar z'n linkerbeen, waar alle gevoel uit verdween. Hij is er voor behandeld, maar het spierweefsel is permanent aangetast. Daarom rent hij niet meer zoals vroeger. Ripken lacht. Hij heeft dus geen bionisch lichaam, zegt hij. Die vraag kan achterwege blijven.

Ik zeg dat het volgens scouts en oud-spelers onmogelijk is om 2.632 wedstrijden achter elkaar te spelen zonder blessures op te lopen of pijn te lijden. 'Ik heb geluk gehad', antwoordt Ripken, 'dat ik nooit langdurig ziek ben geweest tijdens een van die zeventien seizoenen. Het blessureleed kwam gelukkig pas later. Verder heb ik een hele hoge pijngrens. Dat komt door mijn vader. Die zei vroeger dat je als speler eigenlijk trots moet zijn als je door een honkbal wordt geraakt. Als een werper zo'n kogel op je lichaam afvuurt, in plaats van over de plaat, betekent het dat hij je vreest, als slagman. Als ik in het veld door een speler van een ander team omver werd geschoffeld, keek hij even bezorgd, maar als hij dan zag dat het meeviel zei hij achteloos: "Opstaan. De pijn is verdwenen, voordat je aan je tweede huwelijk toe bent." Dat was een standaard uitdrukking van hem. Als ik hinkend rondliep gaf hij mij het advies tabakssap op m'n wond te spugen, of er aarde in te wrijven, of de wond af te plakken met tape. Geen verband, of pleisters, maar tape. Hij was vroeger zelf een honkballer, en iemand die liever door blessures heenspeelde dan dat hij een arts raadpleegde. Dat heeft hem wel zijn carrière gekost, toen hij twee keer kort na elkaar op dezelfde plek op zijn schouder door een bal werd geraakt. Hij had zich natuurlijk meteen onder behandeling moeten laten stellen, maar dat weigerde hij. Hij was er ook niet voor verzekerd, en had een gezin te onderhouden.

'Gelukkig bleek hij didactische kwaliteiten te hebben. Zo kwam hij bij de Orioles terecht. Zijn mentaliteit was: doorspelen als je pijn lijdt en de volgende dag je uniform weer aandoen. Hij hield ons voor dat er niets mooier was dan dat: het aantrekken van een honkbaltenue.'

De genegenheid voor zijn vader, die in 1999 overleed, is het thema van Ripkens autobiografie. Het was

Cal Sr. die hem de wilskracht en de discipline bijbracht om 2.632 wedstrijden te spelen en die hem leerde de blessurepijn te verbijten. Volgens de trainer van de Orioles, Mike Hargrove, was Ripkens vader 'een meedogenloos harde man. Hij was eerlijk, maar snoeihard. En bot. Junior heeft de mentale hardheid van zijn vader. Ik ken niemand die zich zo goed op een wedstrijd voorbereidt. Niemand ook, die zo gedreven is, die zich zo goed concentreert.'

'Mijn vader', zegt Ripken, 'was een pietje precies. Hij hechtte aan discipline. Als we 's avonds aten, verwachtte hij van ons - Ripken heeft een oudere zus en twee jongere broers, waarvan een, Billy, ook honkballer was (MdG) - dat we met schone handen, een schoon shirt en het haar keurig in een scheiding aan tafel verschenen. Dat gold ook voor honkbal. Het spel diende volgens hem op een bepaalde manier te worden gespeeld, met minutieuze aandacht voor details. Hij had een grote kennis van het spel, en die zoog ik op. Ik overlegde veel met hem, niet alleen over spelsituaties, maar ook over de zakelijke kant. Toen ik na de middelbare school mijn eerste contract tekende, praatte ik daar met hem over en toen ik na een jaar meer opslag vroeg dan de club mij wilde geven, belde ik hem om te vragen of dat in orde was.'

Honkbal is een verwarrende sport voor jongens die er hun beroep van willen maken, zegt Ripken. Ze komen uit een kleine provincieplaats, ze werden op de middelbare school als held vereerd en ineens spelen ze in een team waarin iedereen ooit de beste was. 'Voor het eerst in hun leven staan ze niet meer in het centrum van de aandacht. Ze zijn op zichzelf aangewezen, ver van huis, op een leeftijd waarin de verleiding om de teugels te laten vieren groot is. Aan de ene kant is er de druk om te presteren, aan de andere kant heb je voor het eerst in je leven een salaris en een zee van vrijheid.'

Ik vraag Ripken wat de belangrijkste verandering in het honkbal is sinds zijn eerste seizoen in de hoogste divisie, in 1981. Hij is even stil. Dan zegt hij: 'De meeste stadions worden nu bevolkt door gezinnen die een bezoek aan een honkbalwedstrijd als een dagje uit beschouwen, en door zakenlieden die een skybox huren om relaties te onderhouden. Voor beiden geldt dat ze niet in de subtiliteiten van het spel zijn geïnteresseerd. Ze komen voor het drama, voor sterspelers, voor home- runs, voor spelletjes en muziek tussen de innings.'

Ripken vindt dat geen negatieve ontwikkeling. 'Je kunt honkbal spelen in een weiland, op een ijzingwekkend hoog niveau, zonder dat er iemand naar komt kijken. Persoonlijk geniet ik van de sfeer in een stadion, van de toeschouwers die mij herkennen en mijn naam scanderen. Honkbal is er het afgelopen decennium in geslaagd een nieuw publiek aan te boren.'

Wie van Ripken verwacht dat hij openlijk kritiek levert op het wangedrag van verwende topsporters of op de geldzucht van de clubeigenaren, komt bedrogen uit. Niet voor niets is hij door de Amerikaanse honkbalbond benoemd tot ambassadeur van zijn sport. Na zijn afscheid als speler zal hij het 'positieve imago' van de honkbalcultuur in Amerika uitdragen. Het talent om zijn mond te houden en zich te concentreren op het spel, leverde hem in 1989 al de onderscheiding op van de 'intelligentste honkbalspeler van Amerika'. Volgens Dave Sheinin, honkbalverslaggever van de Washington Post, wordt hij als een heilige vereerd. In werkelijkheid is hij natuurlijk complexer. Als je maar diep genoeg graaft, stuit je op zijn schaduwzijden, net als bij iedereen. Maar als honkballer is hij fatsoenlijk, niet arrogant, hij houdt van zijn sport en is bereid zijn enthousiasme te delen met de fans. Die waarderen dat hij de club trouw is gebleven en jaar in jaar uit alles heeft gegeven. Die trouw en dat doorzettingsvermogen verklaren zijn buitengewone populariteit.

Wie wil weten wat Ripken van de honkbalcultuur vindt, doet er goed aan zich te concentreren op zijn daden en niet op zijn woorden. Midden jaren '90 verkeerde het professionele honkbal in een crisis. Er was een slepend arbeidsconflict tussen spelers en clubeigenaren. De spelersvakbonden weigerden in te gaan op de eis van een maximumsalaris, wat volgens de eigenaren noodzakelijk was om de kosten beheersbaar te houden. Toen beide partijen voet bij stuk hielden, legden de eigenaren de competitie plat. Voor het eerst in de geschiedenis van het honkbal was er eind 1994 geen World Series tussen de beste teams van beide divisies. Er moest in 1995 een federale rechter aan te pas komen om het conflict te beslechten - in het voordeel van de spelers. In mei van dat jaar werd er weer gespeeld, maar de supporters lieten het afweten, ze hadden hun bekomst van de geldzucht van de spelers.

Ripken komt volgens velen de eer toe dat hij de band met de fans heeft hersteld. In 1995 begon hij voor en na wedstrijden met het uitdelen van handtekeningen, op honkballen, t-shirts, wedstrijdboekjes en posters die toeschouwers meenamen naar het stadion. De meeste spelers waren daartoe alleen te bewegen op speciale honkbalbeurzen, waar ze tussen de tien en honderd dollar per handtekening in rekening brachten. Ripken deed het gratis.

Gevraagd naar het gedrag van z'n medespelers zegt Ripken er 'prijs op te stellen daar niet over te hoeven praten'. Als ik aandring zegt hij: 'De spelers zijn de afgelopen twintig jaar ook veranderd, net als de supporters. Televisie heeft daar een belangrijke rol in gespeeld. Toen ik begin jaren '80 op het hoogste niveau debuteerde, werd er wekelijks een wedstrijd uitgezonden. Nu zijn er dagelijks wedstrijden te zien, en worden de belangrijkste spelmomenten vaak herhaald. De spelers zijn niet alleen topsporters meer, ze zijn volksvermakers, net als filmsterren. Dat heeft goede en minder goede kanten. Goed is dat de salarissen exponentieel zijn gestegen. Wie de hoogste divisie haalt, hoeft zich geen zorgen meer te maken over zijn financiële toekomst, althans niet als je een betrouwbare manager hebt. Maar met het stijgen van de salarissen en de extra aandacht van de media is ook de druk om te presteren en je te gedragen toegenomen.

Niet iedereen kan daarmee omgaan. Als ik mezelf als voorbeeld mag nemen: tijdens die streak van 2.632 wedstrijden had ik momenten dat ik belabberd speelde; ik wist soms geen bal te raken. Journalisten suggereerden dan dat het goed was als ik buiten de basis werd gehouden, om bij te tanken. Was ik niet een enorme egoïst, schreven ze, dat ik het breken van een record liet prevaleren boven de prestaties van het team? Als ik mij daar wat van had aangetrokken, was ik er aan onderdoor gegaan. Mond houden en spelen, was het advies van mijn vader in dergelijke situaties. Daar heb ik me aan gehouden.'

Zo zijn we weer beland bij zijn vader. Cal Ripken Sr. overleed in maart 1999 aan keelkanker. Hij was een kettingroker van sigaretten zonder filter. Ter nagedachtenis van hem richtte Junior na zijn dood een sport-kankerfonds op. Daarbij bleef het niet. In 1999 besloot hij tevens dat de herinnering aan zijn vader als honkbal-onderwijzer levend moest blijven. Daarom wil hij in mei in zijn geboorteplaats Aberdeen de eerste jeugdhonkbal-academie in Amerika beginnen. Toen Ripken in 1999 voor het eerst langdurig was geblesseerd, keek hij een aantal keren naar de wedstrijden van zijn zoon Ryan. Hij vond het afschuwelijk, wat hij daar zag. Fanatieke ouders die hun kinderen uitscholden als ze in hun ogen iets verkeerd deden. Coaches die daar niets van zeiden. 'Niemand die de kinderen de basisbeginselen van honkbal bijbracht, niemand die aandacht besteedde aan de verdediging, aan verzorgd spel, aan strategie. Toen besloot ik een honkbalschool voor jongeren op te richten. Ik wil kinderen bijbrengen dat honkbal een moeilijke sport is die geduld vereist. Ik hoop ze liefde voor het spel bij te brengen. Niet iedereen heeft het talent om professional te worden, dat is snel genoeg duidelijk. Maar ook als doorsnee speler kan je van honkbal genieten. Mijn vader zei dat je spelers die door hun ouders onder druk zijn gezet, er zo uithaalde. Zodra ze op een leeftijd waren gekomen dat ze zelf beslissingen namen, gaven ze er de brui aan. Ze keerden zich dan voorgoed van honkbal af. Dat is het eerste wat ik ze zal bijbrengen: honkbal speel je voor de lol. Ik kan niemand garanderen dat hij de top haalt. Wel hoop ik iedereen te kunnen uitleggen waarom het zo'n mooie sport is.'

Op zondag 7 oktober 2001 speelde Ripken zijn laatste wedstrijd. De reputatie van honkballers is gebaseerd op cijfers: Ripken heeft in 21 jaar 3.001 wedstrijden gespeeld, waarvan 2.632 achter elkaar. Hij heeft 11.551 slagbeurten, 3.184 honkslagen en 431 homeruns achter z'n naam staan. Het staat vast dat hij over enkele jaren zal worden vereeuwigd in de prestigieuze Baseball Hall of Fame, in Cooperstown in de staat New York. In een redactioneel commentaar schreef de New York Times dat Ripken zal worden herinnerd wegens zijn arbeidsethos. Dat klopt, maar het verklaart op zich nog niet zijn uitzonderlijke populariteit.

In A Pitcher's Story schrijft Angell dat honkbal het afgelopen decennium een 'vloeibare sport' is geworden. Spelers veranderen zo vaak en zo snel van team, dat de fans er zeeziek van worden. Het is al lang geen uitzondering meer als een club aan het begin van een seizoen een volledig nieuwe groep honkballers aan de supporters presenteert. Ripken ging tegen die trend in. Hij was een van de laatste clubspelers van Amerika. Hij speelde altijd, en altijd voor hetzelfde team. Hij had bij andere clubs meer kunnen verdienen, maar hij koos ervoor om in Baltimore te blijven. Dat, én zijn ambachtelijke opvatting van het spel, verklaart waarom meer dan de helft van de toeschouwers in Camden Yards een shirt met zijn naam of rugnummer droeg. Het verklaart ook waarom hij het afgelopen seizoen bij uitwedstrijden hartstochtelijk werd toegejuicht. Hij personifieerde de eeuwige waarden van de sport. Hij was honkvast. M

Menno de Galan is journalist en verblijft regelmatig in Amerika.

[streamliners] Ripken is zo Amerikaans als Chevrolet en hotdogs

Honkballers zijn volksvermakers, net als filmsterren

'Mond houden en spelen, zei mijn vader in moeilijke situaties'

'Ik wil kinderen bijbrengen dat honkbal geduld vereist'