Het huwelijk tussen romantiek en realisme

Flaubert schreef met `Madame Bovary' de eerste en de invloedrijkste 19de-eeuwse roman over een gedoemd huwelijk, constateert

Pieter Steinz in zijn literaire stoomcursus.

Alle gelukkige huwelijken lijken op elkaar, elk ongelukkig huwelijk is ongelukkig op zijn eigen wijze. Met die variatie op de beroemde beginzin van Tolstojs Anna Karenina zijn enkele van de beste romans van de negentiende eeuw samen te vatten. De verstikkende conventies en seksuele escapades van de hopeloos verveelde bourgeoisie inspireerden schrijvers uit alle landen, van Fontane in Duitsland tot Pérez Galdos in Spanje en Couperus in Nederland. Optimistische boeken leverde dat niet op; de burgerlijke overspeligen, opvallend genoeg bijna altijd vrouwen, kwamen ellendig, en meestal door zelfmoord, aan hun eind (`Wilt u een enkele reis of een retourtje, mevrouw Karenina,' grapte De bescheurkalender in de cursus `Humor voor geschoolde intellectuelen'). Pas een halve eeuw na Tolstoj maakte de buitenechtelijke liefde weer haar comeback als motor voor bittere komedies.

Anna Karenina verscheen precies 125 jaar geleden, maar is nóch de eerste, nóch de invloedrijkste negentiende-eeuwse roman over een gedoemd huwelijk. Die eer gaat naar Madame Bovary van Gustave Flaubert, een schrijver die op het moment van publicatie, 1857, alleen maar mislukte projecten op zijn naam had staan. Op aanraden van twee vrienden baseerde hij zich voor zijn eerste rechttoe-rechtaan-roman op een krantenbericht over een overspelige doktersvrouw die zichzelf en haar echtgenoot had geruïneerd. Het resultaat was de tragische levensgeschiedenis van Emma Bovary, een Normandisch provinciaaltje dat droomt van de romantische liefde, gevangen zit in een onbevredigend huwelijk en vlucht in vreugdeloze affaires.

Madame Bovary, dat de ondertitel `moeurs de province' meekreeg, was meer dan de kroniek van een aangekondigde zelfmoord. Het was net zo goed een satire op de domheid en gewichtigdoenerij van de kleinsteedse burgerij, zoals die belichaamd wordt door Monsieur Homais, een apotheker die er – net als zijn nazaat Anijs in Thomas Rosenbooms Publieke werken – geen been in ziet om slachtoffers te maken bij het dienen van de vooruitgang. Dat Emma Bovary eindigt met een maag vol arsenicum, is niet alleen een gevolg van schulden en schuldgevoel, maar ook van de verpletterende saaiheid van haar omgeving.

`Il faut écrire froidement men dient koel te schrijven' was het credo van Flaubert. In Madame Bovary beweegt hij zich tussen romantiek (het melodramatische gegeven, de sierlijk uitgesponnen metaforen) en realisme; maar vooral zijn documentaire stijl en voorliefde voor schijnbaar onspectaculaire hoofdpersonen in de provincie was van invloed op de schrijvers na hem. Drie weken geleden riep Joost Zwagerman (van de Bovary-variaties De buitenvrouw en Zes sterren) in deze krant Madame Bovary nog uit tot zijn Beslissende Boek. Een van de redenen die hij daarvoor aanvoerde was dat Flaubert zoveel sympathie had voor zijn niet al te sympathieke heldin. `Madame Bovary, c'est moi' is een uitspraak die Flaubert nooit gedaan schijnt te hebben; dat neemt niet weg dat hij Emma's laatste uren zó indringend heeft beschreven dat je er op zijn minst een nare smaak in je mond aan overhoudt.

Pieter Steinz: ps@nrc.nl