ELKE LES EEN FEESTJE

Ze bestaan wèl, de bevlogen leraren die zich graag laten bijscholen. Op bezoek bij een conferentie van geschiedenisleraren.

Leraren zijn lui als het gaat om nascholing, ze zijn onzeker en te methodetrouw. Dat zei professor Roel Bosker, hoogleraar Onderwijsorganisatie en -management op 5 januari in deze bijlage. Dit schoot de Vereniging van Geschiedenisleraren Nederland (VGN) in het verkeerde keelgat. En dus wil deze vereniging graag de andere kant laten zien, de kant van de leraar die er alles aan doet om zijn vak zo goed mogelijk te geven. Op de jaarlijkse conferentie voor geschiedenisleraren zouden ze te vinden zijn, die bevlogen leraren. Oude rotten in het vak, maar ook starters. Zoals Sandra van den Berg (37), die na een carrière in het bedrijfsleven drie jaar geleden koos voor het leraarschap. ``Omdat ik met mijn vak bezig wil zijn. En ik vind het geweldig. Ik probeer van elke les een feestje te maken.''

Het is vrijdagochtend half tien. In Huize Bergen in Vught storten twaalf jonge geschiedenisleraren zich in de workshop `Zicht op Geschiedenis'. George van der Vliet en Willem Janssen, beiden werkzaam als geschiedenisleraar en auteurs van de lesmethode `Bronnen', vertellen hoe illustraties in de loop der tijd echte informatiedragers zijn geworden. ``Het rendement van je onderwijs is groot als je in je lessen dieper ingaat op afbeeldingen'', zegt Janssen, die voor de gelegenheid zijn pijp even opzij heeft gelegd. Tineke Keizer (28) maakt op overtrekpapier een contourtekening van een afbeelding van Lodewijk XIV, de Zonnekoning. ``Dit plaatje zit ook in onze methode op school. Maar nu ik het zo groot zie, zie ik dat er meer in zit. Bijvoorbeeld de Franse lelies op zijn mantel en zijn halsketting met de zon. Ik denk dat ik dit wel ga gebruiken in de klas. Maar waar haal ik die sheets vandaan?'' Ook daar weten de docenten een antwoord op: zelf maken.

De kranten staan er vol mee: lerarentekort, slechte faciliteiten op scholen, de vele onderwijshervormingen, lastige kinderen, lastige ouders. Wie wil er dan nog leraar worden? Daar willen de geschiedenisleraren na afloop van de workshop wel wat over vertellen. Voor allemaal heeft de liefde voor het vak de doorslag gegeven. ``Ik wil proberen de leerlingen zo enthousiast te krijgen dat ze ook iets van die liefde ontdekken'', vertelt Marije Meijering (28), sinds twee jaar leraar en nu werkzaam op het Stedelijk Gymnasium in Arnhem. ``Mensen vinden het wel `stoer' als je ondanks alles toch leraar wil zijn'', zegt Marian Heesen (43), die na een loopbaan in musea sinds dit schooljaar als leraar werkt op het Sancta Maria Lyceum in Haarlem. En allemaal vinden ze kinderen 'gewoon leuk'. Of in de woorden van Tjalling Bouma (27), van het Minkema College in Woerden: ``Pubers zijn het leukste soort mensen dat er is.''

`Leuk', `geweldig', `elke les een feestje.' De conferentie wordt inderdaad bezocht door leraren die er zin in hebben, in totaal zo'n honderd. ``Het is heel inspirerend om te praten met anderen, nieuwe methoden te zien'', benadrukken Marije Meijering en Sandra van den Berg.

De jonge geschiedenisleraren maken zich niet al te druk over de onderwijshervormingen. Als echte historici kijken zij achterom om te constateren dat ook in het onderwijs golfbewegingen troef zijn. Het vak geschiedenis is daar een uitgesproken voorbeeld van. De sinds de basisvorming en het studiehuis ingevoerde thematische aanpak met veel aandacht voor vaardigheden moet binnenkort plaatsmaken voor een opzet waarin historisch besef centraal staat. Kennis, inzicht en toepassing zijn dan de sleutelwoorden. Marian Heesen staat er niet van te kijken: ``Het is een illusie dat je over geschiedenis kunt praten zonder het over waarden en normen te hebben. Het is een moralistisch vak en dat willen we ook. Wij willen die kinderen tot nadenken aanzetten.''

De geschiedenisleraren voelen zich vrij om in hun lessen accenten te leggen die zij belangrijk vinden. ``Wat op papier staat klopt, maar wat je in de klas doet is iets anders'', zegt George van der Vliet. Daarmee duidt hij op het PTA, het Programma Toetsing en Afsluiting, waarin staat welke onderwerpen en toetsen dat schooljaar aan bod komen om aan de eindtermen te kunnen voldoen. ``Je sjoemelt omdat het niet anders kan. Wij moeten dingen doen die niet haalbaar zijn.'' En dus kan een leraar ervoor kiezen om van de drie hoofdstukken die in het PTA staan er maar twee te behandelen, de derde in tien woorden na te vertellen en er in de toets niets over te vragen.

En zo klinkt ook hier, onder al deze enthousiaste leraren het eerste `maar...'. De werkdruk in het onderwijs is hoog. Een fulltime baan blijkt voor een beginnend leraar niet te doen. Marije Meijering geeft 17 uur les (26 uur is `volle bak'), maar draait in de praktijk een fulltime werkweek. ``Je betaalt in feite je eigen inwerktijd'', zegt ze. En dan zijn er nog vergaderingen, werkmiddagen, cursussen en taakuren.

Zo belanden we bij de tweede `maar': het mentorschap. Als mentor ben je het aanspreekpunt voor je leerlingen. Dat geeft het vak meerwaarde, maar kan emotioneel zwaar zijn. ``Ik had een leerlinge van boven de 18 die abortus wilde laten plegen. Maar haar ouders mochten het niet weten'', vertelt Esther Koops (33) van het HM Werkman College in Groningen. ``Wat moet ik dan doen?''.De derde `maar' die op tafel komt is het gebrek aan respect en status. Het steekt dat een deel van de ouders neerkijkt op het leraarschap. `Mijn kind mag alles worden, behalve leraar', is letterlijk opgetekend uit de mond van een ouder. ``Op mijn school, een witte school, met kinderen van artsen en advocaten, merk ik het ook'', vertelt Marije Meijering. Hierdoor hebben de leraren niet het gevoel aan dezelfde kant te staan als de ouders.

En dan rest het `maar' van de arbeidsomstandigheden. De bureaustoel die in 27 jaar wordt afgeschreven. De werkkamer die er niet is. De pennen en mappen die ze zelf moeten betalen. Dat werkt demotiverend. Net als het kwartje dat Sandra van den Berg onder de vorige rector voor iedere kop koffie zelf moest betalen. Kortom: het leraarschap is een mooi vak, maar....