Een vijfde Amsterdam is arm

Ruim 20 procent van de huishoudens in Amsterdam leeft onder het bestaansminimum. Dat is twee keer zoveel als het landelijk gemiddelde. De cijfers zijn het resultaat van een onderzoek dat de gemeente Amsterdam heeft laten verrichten.

Voor 15 procent van de huishoudens duurt deze situatie al langer dan drie jaar. In sommige stadsdelen, zoals Bos en Lommer en Zuidoost, loopt het percentage huishoudens dat op het bestaansminimum leeft op tot zo'n 28 procent. Meer dan de helft (53 procent) van de huishoudens met een inkomen op het bestaansminimum heeft een bijstandsuitkering. Bijna 20 procent ontvangt een AOW-uitkering.

De armoede treft vooral gezinnen met kinderen. Volgens de gemeente Amsterdam betekent dit in de praktijk dat veel kinderen verstoken blijven van voorzieningen als sport en culturele activiteiten.

De grootste groep huishoudens met een laag inkomen wordt gevormd door eenoudergezinnen (51,7 procent). In 21 procent van de gevallen gaat het om meerpersoonshuishoudens met kinderen. Van de alleenstaanden zonder kinderen leeft eveneens onder 21 procent onder het bestaansminimum.

Uit het onderzoek blijkt verder dat 40 procent van de etnische minderheden een inkomen heeft dat lager is dan 105 procent van het minimuminkomen. Onder de minima die langer dan drie jaar op dit niveau leven, bevinden zich veel huishoudens van Surinaamse en Marokkaanse afkomst.

Van de jongeren in Amsterdam heeft 33 procent een inkomen heeft dat lager is dan 105 procent van het minimuminkomen. Dit is twee keer zoveel als het landelijke cijfer.

Voor het onderzoek werden voor het eerst bestanden van de sociale dienst, het bevolkingsregister, de gemeentebelastingen en de stedelijke woningdienst aan elkaar gekoppeld. Hierdoor ontstond een scherper beeld dan voorheen van de positie van de Amsterdammers.

Uit een apart onderzoek blijkt dat gebruikers de zogenaamde `plusvoorziening' erg waarderen. Via deze voorziening hebben alleenstaanden die drie jaar op het minimum leven recht op duizend gulden en meerpersoonshuishoudens op vijftienhonderd gulden.

Volgens directeur André Jansen van de sociale dienst in Amsterdam blijkt uit de cijfers dat het armoedebeleid in de hoofdstad moet worden voortgezet. ,,Voortzetting van armoedebestrijding is pure noodzaak, anders zijn met name (eenouder)gezinnen het kind van de rekening'', schrijft hij in een toelichting.