De bloemiste en de messias

Een op de tien Israëliërs is werkloos. Investeer- ders verlaten het land door het aanhoudende geweld. Waarom komt niemand in opstand tegen de regering- Sharon?

Tel Aviv, een week geleden. De zon schijnt over het terras aan zee. Een ambassadeur uit een klein westers land nipt aan zijn glas wijn. Het is een mooie dag in Israël.

,,Ik zou mijn kinderen hier niet laten'', zegt de ambassadeur. We hebben tijdens de lunch van gedachten gewisseld over premier Ariel Sharon, de Palestijnse leider Yasser Arafat en mogelijke Amerikaanse bemiddeling.

,,Mijn kinderen hier laten is te gevaarlijk'', zegt de ambassadeur. ,,Want wat houdt de toekomst hier nog in voor de mensen?''

Thuis, niet ver van het strand, zet ik de radio aan. Opgewonden doet de correspondente van radio Israël verslag van weer een Palestijnse zelfmoordaanslag. Doden en gewonden. Huilende mensen. Voor de zoveelste maal krijgt Israël de mantel van de angst om. In zestien maanden heeft de Palestijnse intifadah bijna 1.200 mensen het leven gekost: meer dan 250 Israëliërs en 900 Palestijnen.

Ik ken nogal wat Israëliërs die de eerste uren van een aanslag opzettelijk aan zich voorbij laten gaan. Ze luisteren niet meer naar de radio, kijken geen televisie en schuiven de kranten opzij. Ze verbeelden zich liever in een land van melk en honing te leven in plaats van in een land van bommen, kogels en bloed. Mijn correspondentschap gebiedt me het nieuws op de voet te volgen. Maar na zoveel aanslagen huiver ik soms om de knop van de radio om te draaien. Hoeveel doden en gewonden nu weer, vraag ik me af.

In zo'n klein land kan je alleen met oordoppen en oogkleppen ontsnappen aan de gespannen sfeer als een Palestijnse zelfmoordenaar heeft toegeslagen. De gezichten van de mensen lijken langer, grauwer ook. Het contrast tussen de stralende zon aan de blauwe hemel en de triestheid op straat doet pijn aan je ziel. Alsof de Israëliërs niet blij mogen zijn. ,,Het komt wel goed'', zegt een bevriende drukker. ,,Wanneer'', vraag ik hem. Hij trekt zijn zwarte pet verder over zijn ogen. ,,Jeheje beseder'', herhaalt hij – het komt wel goed.

Hij en zoveel anderen hebben geen ander antwoord. Het is de oude joodse reflectie uit de getto's van Oost-Europa. Ondanks hun door vervolging gekarakteriseerde geschiedenis hebben Israëliërs het geloof in een betere toekomst nooit willen opgeven. Dat lijkt een ontkenning van de werkelijkheid maar is eigenlijk een door de geschiedenis bepaalde vlucht in mystiek. Het joodse volk dat in Israël een Israëlisch volk probeert te worden wacht al duizenden jaren op de Messias, de verlosser. Daarom kan de atheïstische man met de zwarte pet diep over zijn ogen, die in Israël werd geboren, zeggen dat het ,, wel goed komt''. De Messiaanse belofte, waarvan de seculiere vertaling ,,hoop'' is, leeft in het collectieve bewustzijn van de Israëliërs.

De seculiere zionistische revolutie, het streven naar een eigen joodse staat, putte haar kracht uit de sluimerende Messiaanse verwachtingen van de joden in Oost-Europa. Toch was Israël tot de Zesdaagse oorlog met Egypte, Syrië, en Jordanië van 1967 een joodse staat met een markante wereldlijke geest. Toen ik in 1965 premier David Ben Gurion tegen de afspraak in niet op sabbat belde – uit respect voor de sabbatrust – kreeg ik de dag erna de volle lading van zijn echtgenote Paula. ,,Waarom heb je gisteren niet gebeld?'', snauwde ze me toe. ,,Ben Gurion heeft uren op je gewacht. Met sabbatrust hebben wij hier niets te maken.''

De invloed van rabbijnen op de regeringen onder Ben Gurion was gering. Na de oorlog van 1967 veranderde dat langzaam maar diepgaand. De Messiaanse component van het zionisme kwam naar boven door de `bevrijding' van de Klaagmuur in Jeruzalem en van Judea en Samaria, oftewel Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever. Van de holocaust tot de Zesdaagse oorlog hing in Israël een stemming alsof het laatste uur had geslagen. Het Israëlische volk raakte in een bijna Messiaanse trance toen de Arabische dreiging in zes dagen werd afgewend door de legers van Egypte, Syrië en Jordanië te verpletteren. De zege van het Israëlische leger werd als een wonder ervaren – dit was Gods antwoord op de holocaust.

David Ben Gurion was een van de weinigen die zich daarna uitspraken voor vrede met de Arabische wereld in ruil voor opgave van alle bezette Arabische gebieden – met uitzondering van Oost-Jeruzalem. Hij was een roepende in de woestijn. Israël is nu in een uitzichtloze strijd met de Palestijnen verwikkeld omdat het toen niet luisterde naar de waarschuwingen van de atheïstische stichter van Israël. En die van de zeer gelovige orthodoxe filosoof Yeshayahu Leibowitz. ,,Een kankergezwel in de Israëlische samenleving'', definieerde professor Leibowitz de Israëlische onderdrukking van de Palestijnen in de veroverde gebieden. Hij riep op tot dienstweigering toen Likud onder Menachem Begin in 1977 met een ambitieus nederzettingsprogramma aan de macht kwam.

Menahem Begin stichtte Israëlische nederzettingen tot diep in de Westelijke Jordaanoever, van Nablus tot Hebron, op de bergrug waar de meeste Palestijnen wonen. Daarmee onderscheidde hij zich van van eerdere socialistische regeringen die om veiligheidsredenen ook nederzettingen stichtten, maar op bescheidener schaal en zoveel mogelijk buiten gebieden met een grote Palestijnse bevolkingsdichtheid. De Palestijnen legden Begins politiek uit als een Israëlische poging om de stichting van een Palestijnse staat in de kiem te smoren. De huidige premier Sharon speelde daarbij – in verschillende ministeriële functies onder Begin – een hoofdrol. Het Palestijns gebied moest worden versnipperd in bantoestans, dat was zijn `grote gedachte'. Het leverde hem de bijnaam ,,bulldozer'' op.

Geconfronteerd met deze dreiging begonnen de Palestijnen in 1987 de eerste Palestijnse intifadah. Daarop volgde het autonomie-akkoord van Oslo (1993), dat Arafat met een grote politiemacht naar de Palestijnse gebieden terugbracht. Maar op 28 september 2000 brak de tweede intifadah uit, na het mislukken van de top tussen de Israëlische premier Barak, de Palestijnse leider Arafat en de Amerikaanse president Clinton in Camp David, en na een provocerend bezoek van Sharon aan de Tempelberg/Al Haram al-Sharif in Oost-Jeruzalem.

Vredesduif

Israëlische en Palestijnse extremisten hebben de hoop op vrede vermoord. Ze weigeren zich – in naam van God – neer te leggen bij een compromis over `het heilige land'. Israël heeft een haast onomkeerbare ruk naar rechts gemaakt nadat Barak erin slaagde zijn eigen falen in Camp David af te wentelen op Arafat. Arafat moest ontmaskerd worden, zei de sociaal-democraat Barak, hij is de doodsvijand van de joodse staat. En Shimon Peres, internationaal erkend als vredesduif, was bereid om onder Likuds Sharon in een regering van nationale eenheid te gaan zitten. Het Israëlische vredesfront is vermorzeld.

Van de `vrede en veiligheid' die Sharon in zijn verkiezingscampagne beloofde is niets terechtgekomen. Per maand zijn er nooit zoveel Israëliërs gedood en verwond als onder zijn premierschap. En het einde van de Palestijnse terreurgolf is volgens de hoofden van de binnen- en buitenlandse veiligheidsdiensten niet in zicht. ,,Het wordt nog erger'', waarschuwen zij dagelijks.

Dat geldt ook voor de economische situatie. Een op de tien Israëliërs is werkloos. Het toerisme is in een jaar tijd afgenomen met 60 procent. Buitenlandse investeringen, die na het akkoord van Oslo leidden tot de economische groei van 9 procent per jaar, vallen snel terug. Zelfs de glans van de Israëlische hightech is eraf – achtduizend mensen in deze bedrijfstak zijn inmiddels ontslagen. Hotels, winkels, restaurants en tal van andere bedrijven sluiten. De mooiste bloemenwinkel in Tel Aviv staat op het punt te sluiten. ,,Grote zaken waaraan ik vroeger iedere week grote bossen bloemen zond bestellen niet meer. Geen geld, zeggen ze'', vertelt de bloemiste.

Door de recessie komt er minder belastinggeld in de schatkist en moet er voor miljarden euro's worden bezuinigd. Intussen lopen de defensie-uitgaven snel op tot – voorlopig – 20 procent van het bruto binnenlands product.

De Israëlische welvaartsstaat wordt langzaam ontmanteld. Voor invaliden is geen geld – in Jeruzalem protesteren ze al meer dan zes weken onder barre omstandigheden, dag en nacht. De armoede groeit, net als de kloof tussen rijk en arm. Volgens een Israëlische econoom beschikt één procent van de Israëlische gezinnen over eenderde van het nationale bezit.

Normaal zou dat het recept zijn voor een opstand der armen of een diepgaande herstructurering van de politiek. Maar er gebeurt niets van dat alles. Tegen Sharon wordt niet of nauwelijks gedemonstreerd. Zijn positie aan het hoofd van de regering van nationale eenheid, met socialisten als Shimon Peres en Benjamin ben Eliezer, is voorlopig onaantastbaar. Een alternatief ontbreekt namelijk. De Palestijnse zelfmoordaanslagen maken het Sharon makkelijk om Arafat te criminaliseren. Met het geduld van een kat die voor het hol van een muis zit heeft Sharon de Palestijnse leider in zijn kantoor in Ramallah tot gevangene gemaakt. Aan de voorwaarden die Sharon stelt kan Arafat zonder gezichtsverlies in eigen kring niet voldoen.

De Israëliërs houden van televisiebeelden van de tanks voor het bureau van Arafat in Ramallah. Dat bevredigt de wraakgevoelens. Zij bewonderen de listen van Sharon en steunen zwaar militair geweld, ook het inzetten van F-16 straaljagers, tegen Palestijnse doelen en het stelselmatig liquideren van ,,gezochte Palestijnen''. Ze luisteren niet naar de waarschuwing van Ami Eyalon, ex-hoofd van de binnenlandse veiligheidsdienst, die onlangs zei dat ideologieën niet kunnen worden vermoord door het uitschakelen van leiders.

De Israëliërs en Palestijnen komen er niet meer uit. Sharon weigert een compromis te sluiten met Arafat over de verdeling van Palestina volgens de bestandslijnen van 1967. Hij aanvaardt een door Israël gecontroleerde Palestijnse mini-staat op ruim 40 procent van de Westelijke Jordaanoever. Arafat weigert een Israëlisch dictaat dat de Palestijnen een levensvatbare Palestijnse staat, met Oost-Jeruzalem als hoofdstad, onthoudt.

Achter dit onoverbrugbare meningsverschil gaat een grote persoonlijke rivaliteit schuil tussen Sharon en Arafat. Sharon beschouwt Arafat als een terrorist, die hij eigenlijk al in 1982 in de Libanese oorlog had willen doden. Sharon heeft van Arafat zijn persoonlijke vijand gemaakt. De propagandisten van de regering hebben die boodschap samen met de populaire middagbladen als de hoogste waarheid in de geesten van de Israëliërs gepompt. Een vrouw in een nederzetting zag ik misselijk worden bij het horen van Arafats naam. Ze verkrampte, terwijl ze de ergste scheldwoorden riep.

Kinderen

Met zoveel haatgevoelens jegens Arafat, én met de toegenomen steun van de Amerikaanse president George W. Bush, zit Sharon op rozen. Hij kan het zich veroorloven de Palestijnen geen enkel perspectief voor een oplossing te bieden.

Jossi Beilin, een van de architecten van Oslo en eens de vertrouwensman van Shimon Peres, is bezorgd. Zo bezorgd dat hij de geëmigreerde kinderen van Israëls leiders bij het politieke debat heeft betrokken. Hij vroeg zich deze week af waar ministers het lef vandaan halen om over het lot van zijn kinderen te beslissen, terwijl ze hun kinderen hebben laten vluchten. De kinderen van minister van Defensie Ben Eliezer en die van (generaal) Matan Vilnai zijn in het buitenland, zei hij.

De Israëlische pers sprong er bovenop en publiceerde een lijst van ministers en andere leidende Israëliërs wier kinderen Israël tijdelijk of voorgoed hebben verlaten. De zoon van David Ben Gurion woont al lang in New York. De dochter van Ehud Barak ook. De zoon van Yitzhak Rabin verblijft in Washington en die van de ex-minister van Defensie Moshe Arens in Los Angeles. De lijst is lang. ,,De meeste van mijn vrienden zijn in het buitenland'', zegt de bloemiste die moet sluiten. De ambassadeur had gelijk. Israël is te gevaarlijk voor zijn kinderen.