Conservatisme van Bush is zowel hard als zacht

Het is president Bush niet alleen te doen om herkozen te worden. Hij wil het Amerikaanse conservatisme een nieuwe vorm geven door bedrijfsmatig en barmhartig conservatisme in één beweging te laten samengaan, vindt E.J. Dionne.

Is het mogelijk dat deze president, die ooit door veel democraten (en heimelijk ook door heel wat Republikeinen) was afgedaan als een pesterige corpsbal, een nieuwe, samenhangende politieke filosofie heeft bedacht? Bestaat er zoiets als het `bushisme'?

Al degenen die George W. Bush lange tijd hebben onderschat – en dat zijn er heel wat – zullen dat moeten toegeven. De president heeft de conservatieve ideologie, waar zowel in filosofische als in politieke zin weinig van over was, gered en een nieuwe vorm gegeven.

Bush is door het terrorisme en zijn reactie erop als president veranderd. Maar voor de toekomst van de Amerikaanse politiek is misschien wel het belangrijkste dat Bush tracht de verschillende vormen van conservatisme samen te voegen en een beweging te smeden in het post-Reagan en post-Koude-Oorlogtijdperk.

Dit is een president wiens vader nog het slachtoffer is geworden van de tegenstrijdigheden binnen de conservatieve ideologie. Bill Clinton is niet alleen dankzij zijn talent als een politiek tacticus en iemand die mensen samenbrengt aan de macht gekomen, maar ook dankzij het feit dat de conservatieven onderling verdeeld waren. Ze konden geen greep krijgen op een politieke wereld zonder communistische vijand om te vernietigen en zonder duidelijke progressieve stroming om tot zondebok te verklaren. Met de revolutie van Newt Gingrich in 1994 leken de conservatieven weer in opkomst te zijn. Maar diens vorm van conservatisme was te strijdbaar, te zeer doordesemd van een anti-overheidstaal die nooit het beloofde kleine overheidsapparaat kon opleveren.

Bush heeft een retorische stijl gevonden waarin hij zich als vriend en niet als vijand van de overheid opstelt. ,,De overheid is niet de oplossing, de overheid is het probleem,'' zei Ronald Reagan. ,,Mijn partij heeft de noodzaak van een beperkt overheidsapparaat maar al te vaak verward met minachting voor de overheid zelf,'' zegt Bush. Dat is de kern van het bushisme: Bush wijst zuiver anti-overheidsdenken af en schept juist daardoor de mogelijkheid van afslanking van het overheidsapparaat. Juist omdat hij de overheid niet aanvalt, krijgt hij de ruimte haar in omvang terug te brengen.

Door deze omslag zijn velen Bush gaan prijzen omdat hij zijn partij gematigder zou hebben gemaakt. Maar Bush is geen Rockefeller-Republikein. In veel opzichten is hij zelfs conservatiever dan Reagan ooit was. Reagan heeft nooit met succes afschaffing van het successierecht nagestreefd. Hij heeft geen gedeeltelijke privatisering van het sociale zekerheidstelsel beloofd. Hij prees het geloof aan, maar heeft nooit een door zijn geloof ingegeven initiatief overwogen.

Paul Wyrich, voorzitter van de Free Congress Foundation, vroeg zich af of Reagan wel conservatief genoeg was. Met Bush I had hij helemaal moeite. Maar in een open brief aan de huidige president Bush noemde Weyrich hem eerder deze maand vol lof: ,,een van de beste mannen die ooit president was''. Hij sprak namens de conservatieve achterban, van wie de meesten van meet af aan sympathiek stonden tegenover Bush, omdat ze hem als een van hen beschouwen. Ze begrijpen dat het bushisme – of moeten we het w-isme noemen, als onderscheid met zijn vader? – misschien wel de weg vrijmaakt naar een tijdperk waarin de conservatieven opnieuw de overhand krijgen.

Al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben de conservatieven te maken gehad met een politieke en filosofische kloof tussen liberalen en traditionalisten. Voor de liberalen gaat de vrije markt boven alles en is de vrijheid van de mens het hoogste goed. Voor de traditionalisten gaat de gemeenschap voor het individu, zelfbeheersing voor consumentisme en gaan waarden voor winsten.

In de jaren vijftig hebben William F. Buckley jr., toen nog een jonge redacteur, en zijn kameraad Frank Meyer geprobeerd die twee vormen van conservatisme samen te voegen. Dat werd later `fusionisme' genoemd. Naar de mening van Donald Evine, een politicoloog die in de regering-Reagan heeft gediend, is Amerika volgens het fusionisme in wezen een conservatieve natie, die de vrijheid van de liberalen gebruikt om traditionele principes te verdedigen. Of het fusionisme nu ooit in filosofische zin een succes is geweest of niet, in politieke zin was het in ieder geval wel geslaagd, want de conservatieven werden erdoor onder één vaandel gebracht met als doel de progressieven binnenslands en de communisten buitenslands te verslaan.

Op die consensus bouwde Reagan voort. Zijn verkiezingsoverwinning was een triomf voor het fusionisme. Maar toen kwamen de grenzen wel in zicht: in de praktijk waren traditionalisten en liberalen het nog steeds over veel zaken oneens. Bovendien leek de progressieve vijand veel minder griezelig toen Reagan eenmaal stevig in het zadel zat. En de dood van het communisme beroofde de conservatieven van het anticommunistische middeltje dat veel wonden en kloven dichtte.

En nu hebben we Bush, het instrument van een nieuw fusionisme. Net als de liberalen heeft hij belastingverlaging tot centraal dogma van zijn geloof gemaakt. Zijn aandacht voor het bedrijfsleven wordt weerspiegeld door zijn pogingen regelgeving uit het tijdperk van Clinton terug te draaien en federaal gebied open te stellen voor energieontwikkeling. Bush is een bedrijfsvriendelijke conservatief, en daar is hij trots op.

Maar hij noemt zich ook een barmhartige conservatief. Waarom? Omdat hij, net als de traditionalisten, begrijpt dat de meeste mensen de zin van hun leven niet alleen maar zoeken op de markt, en dat de markt niet de enige of belangrijkste bron van verdienste is. ,,De onzichtbare hand doet vele wonderen, maar kan het mensenhart niet raken,'' verklaarde hij in juli 1999.

,,Wij zijn een volk van pure individualisten. Maar we zijn ook het land van de tweede kans – verbonden door banden van vriendschap, gemeenschap en solidariteit.''

Let wel: met zijn uitspraken over de grenzen van de markt wil Bush niet zeggen dat de markt moet worden veranderd of sterker moet worden gereguleerd. Hij bedoelt juist dat niet-marktgerichte instituties buiten de overheid moeten worden versterkt. Net als de traditionalisten meent hij dat de kille berekeningen van de markt niet zozeer door de staat als wel door de vrijplaatsen in een harteloze wereld – gezin, kerk en buurt – moeten worden gecompenseerd.

Barmhartig conservatisme mag in geen geval worden opgevat als een capitulatie voor het progressieve denken. Illustratief zijn de resolute woorden van Bush over de armen bij zijn inaugurale rede: ,,In de stilte van het Amerikaanse geweten weten we dat bittere, langdurige armoede de belofte van ons land beschaamt. En welke oorzaak we ook aanwijzen, we kunnen het erover eens zijn dat kinderen die gevaar lopen, niet schuldig zijn.'' Tot zover gaat iedereen met hem mee, van links tot rechts. Toen zei hij: ,,Verwaarlozing en mishandeling zijn geen overmacht, maar gebrek aan liefde. En de vele gevangenissen, hoe noodzakelijk ook, kunnen hoop en orde in onze geest niet vervangen.''

Zijn woorden zijn belangrijk: de hoofdoorzaken van armoede, zo beweert hij, zijn persoonlijk en moreel, niet sociaal of economisch. Hij richt zich op individuen en hun tekortkomingen.

Omdat de filosofie van Bush openlijk is verbonden met de belangen van het Amerikaanse bedrijfsleven, staat die bloot aan kritiek als er veel protest mocht rijzen tegen malversaties zoals die bij de val van het energiebedrijf Enron aan het licht zijn gekomen. Robert Borosage, een progressief activist, heeft de term `Enron-conservatieven' bedacht ter illustratie van de innige banden tussen een deel van rechts en grote particuliere belangen. De tegenstanders van Bush stellen dat zijn prioriteiten in werkelijkheid meer bij de bedrijfsvriendelijke dan bij de barmhartige kant van zijn filosofie liggen.

Bush heeft vaak verklaard dat hij het voor mensen met een laag inkomen gemakkelijker wil maken om hun giften van hun belastbaar inkomen af te trekken, een basisprincipe van zijn barmhartig conservatisme. Maar toen het moment daar was om een belastingplan op te stellen, kwam de verlaging van het successierecht er wel in voor, maar niet de uitgebreide aftrekmogelijkheid voor giften aan een goed doel. Aan welke prioriteit besteedde Bush het grootste deel van de inmiddels verdwenen reserve voordat hij voorzag dat de defensiebegroting omhoog moest? Juist, aan belastingvermindering.

Op één gebied heeft Bush duidelijk afstand genomen van het dogma van de conservatieven. Nog maar een paar jaar geleden was de partij van Bush voor afschaffing van het departement van Onderwijs. In afwijking daarvan heeft Bush ingestemd met een wetsvoorstel voor onderwijs waarin een sterke rol is weggelegd voor de afzonderlijke federale overheden en waar extra geld voor nodig is. Dit kan gezien worden als een pragmatische concessie aan de politieke werkelijkheid: de Democraten hadden op het gebied van onderwijs altijd al een voorsprong. Omdat onderwijs zo hoog stond op het wensenlijstje van de kiezers was Bush niet van plan die voorsprong te laten voortbestaan.

Maar meer nadruk op onderwijs past goed in de filosofie van Bush. Als iedereen zijn eigen boontjes moet doppen – en als het economische stelsel in wezen rechtvaardig is, zoals Bush inderdaad denkt – dan is het verbeteren van scholen een verdedigbare sociale verandering. Betere scholen betekenen dat iedereen, ook de armen, beter kan concurreren. Als de scholen hun werk eenmaal hebben gedaan kan de overheid zich terugtrekken om de concurrentie haar werk te laten doen.

De oorlog zal een sterke ondersteunende rol spelen in zijn nieuwe conservatisme. Nu al wordt Bush door de oorlog althans voorlopig beschermd tegen de voornaamste mogelijke punten van kritiek: de gevolgen van zijn belastingverlagingen op financiële tekorten (die geweten kunnen worden aan de oorlog) en de economische neergang (die geweten kan worden aan Osama bin Laden). Zoals het communisme vroeger heeft geholpen de conservatieven bijeen te houden, zo zou het terrorisme nu weleens hetzelfde effect kunnen hebben.

Maar de positieve reactie van het publiek op de oorlogstactiek van Bush wijst meteen op een mogelijke zwakke plek in het bushisme. Tot 11 september had Bush in de opiniepeilingen dezelfde helft van het land achter zich als bij de verkiezingen in 2000. Noch met zijn barmhartige, noch met zijn bedrijfsvriendelijke conservatisme heeft hij tegenstemmers voor zich gewonnen. Zijn populariteit heeft hij te danken aan zijn `patriottische' conservatisme of zijn `overheids'-conservatisme (een afspiegeling van de behoefte van het publiek aan meer veiligheid met het oog op het terrorisme).

Dat wijst erop dat er een andere conservatieve synthese kan ontstaan mocht het bushisme mislukken.

Voorlopig hangt de toekomst van de Amerikaanse conservatieve beweging af van de vraag of het huwelijk van het bedrijfsvriendelijke en het barmhartige conservatisme een succes wordt. De conservatieven die Bush steunen begrijpen dat wel, zijn tegenstanders zullen dat ook moeten begrijpen. Ze zien in hem misschien niet de filosoof-koning, maar ze moeten wel inzien dat het hem er niet alleen maar om te doen is herkozen te worden, maar om het Amerikaanse conservatisme een nieuwe vorm te geven.

E.J. Dionne is columnist en verbonden aan het Brookings Instituut in Washington.

© Washington Post Writers Group