Bankier als gratis vorst

Een goedkoper staatshoofd dan vorst Hans-Adam II kunnen de Liechtensteiners zich niet wensen. Hij kost namelijk niks. En de vorst zal de eerste zijn om dat zijn ruim 30.000 onderdanen onder de neus te wrijven. Je weet wat je hebt, je weet niet wat je krijgt, is de onderliggende boodschap. En die is actueel, want Hans-Adam heeft de afgelopen jaren regelmatig gedreigd met opstappen.

Overigens is het voor Hans-Adam niet onvoordelig vorst te zijn. Niet alleen is hij vrijgesteld van belastingbetaling over zijn inkomsten (de vorst is eigenaar van de machtige LGT bank in Liechtenstein, met een jaarlijkse omzet van zo'n 50 miljard euro), ook biedt zijn functie een goede entree bij zakenrelaties in het buitenland. Met een kapitaal van 4,8 miljard euro was de familie Von und Zu Liechtenstein volgens het tijdschrift EuroBusiness in 1999 het rijkste vorstenhuis van Europa.

Liechtenstein wordt volgens de grondwet geregeerd door volk en vorst. En omdat de huidige vorst graag van dit grondrecht gebruik maakt, heeft die constructie geleid tot een al jaren slepende constitutionele crisis. De eerste grote confrontatie met de politiek, nadat Hans-Adam in 1989 zijn vader Franz Josef II (de eerste vorst sinds lange tijd die besloot niet langer in een van zijn buitenlandse paleizen te blijven wonen, maar daadwerkelijk in de hoofdstad Vaduz) opvolgde, had plaats in 1992. Toen drukte hij een referendum over toetreding tot de Europese Economische Ruimte door, een soort voorportaal voor de Europese Unie. De politici wilden met dit referendum wachten tot ook Zwitserland, waarmee Liechtenstein een nauwe band heeft, erover zou stemmen. Maar de vorst kreeg zijn zin en de Liechtensteiners stemden voor. Kort daarna stemden de Zwitsers tegen.

Een paar jaar geleden speelde Hans-Adam een volgens veel Liechtensteiners bedenkelijke rol bij de totstandkoming van het aartsbisdom Liechtenstein, dat werd gecreëerd om de oerconservatieve aartsbisschop van het Zwitserse Chur een plek te geven, nadat hij in Zwitserland niet langer werd gehandhaafd.

In het midden van de jaren negentig begon Hans-Adam zich openlijk te bemoeien met de benoeming van ambtenaren, de grondwet gebiedt hem tenslotte daaraan officieel zijn goedkeuring te geven. Hans-Adam was bereid van dit recht af te zien in ruil voor serieuze bemoeienis met de benoeming van rechters. Maar daar wilden parlement en regering niets van weten.

Als het zo moest, meende Hans-Adam, werd het tijd om de grondwet te herzien zodat duidelijk werd waarmee hij zich wél en niet mocht inlaten. Hijzelf had wel een voorstel, dat de ,,autonomie van het vorstenhuis'' garandeerde. De democratische inbedding zou erin bestaan dat het volk de vorst naar huis mocht sturen als die zijn werk niet naar behoren deed.

In de wetenschap dat het volk dat nooit zou doen, voelden politici hier niets voor. Ze willen een einde maken aan de bestuurlijke privileges van de vorst en de monarchie van Liechtenstein aanpassen aan de moderne tijd. Een bewijs van de machtshonger van politici, meent Hans-Adam, die er niet over piekert zich zonder slag of stoot over te geven. Het voorstel om dan maar alles bij het oude te laten, wordt door de vorst afgewezen. Dat zou, vindt hij, zijn geloofwaardigheid niet ten goede komen. Sindsdien stuurt Hans-Adam aan op een referendum over de kwestie.

Terwijl het conflict doorsuddert, kunnen politici slechts hopen dat Hans-Adam zijn functie als staatshoofd spoedig overdraagt aan de iets gematigder ogende kroonprins Alois (geboren in 1968, gehuwd en vader van vier kinderen). Daarmee zijn ze nog niet van de vorst af, want die titel behoudt de 56-jarige Hans-Adam tot zijn dood.