Afgedwongen altruïsme

Dat mensen elkaar helpen wordt in het dagelijks leven niet als een probleem ervaren. Maar in de biologie wel. Want de strijd om het naakte bestaan lijkt weinig ruimte te laten aan altruïsme en opoffering voor een gemeenschappelijke goed. Tot nu toe werd de verklaring daarvoor vooral gezocht in genetisch eigenbelang: je helpt vooral je eigen familie. Een vader die zich opoffert voor zijn kinderen pleegt evolutionair gezien geen zelfmoord: de helft van zijn genen blijft voortleven in een volgende generatie.

Maar mensen helpen niet alleen familie. En dus werd een verklaring gezocht in wederzijds altruïsme: wie iemand anders helpt, mag verwachten dat die hulp bij een volgende gelegenheid wordt beantwoord. In het dagelijks leven mag deze stelling (`ik help jou als jij mij helpt') een waarheid zijn als een koe, in de wetenschap is ze niet vanzelfsprekend. Het is niet eenvoudig een helder mechanisme te bepalen waarbinnen een stabiele situatie ontstaat waarbij mensen elkaar blijven helpen. Het loont namelijk al gauw om te klaplopen: `jij helpt mij, maar ik help jou niet'. En hoe is te verklaren dat ook het omgekeerde vaak voorkomt (`ik help jou, maar jij helpt mij niet'), bijvoorbeeld wanneer iemand een vreemdeling de weg wijst?

Echte mensen

De mechanismen achter `stabiel altruïsme' wordt de laatste jaren veel onderzocht met computermodellen, maar afgelopen maand doken ook belangrijke experimenten met èchte mensen op. `Reputatie' blijkt bijvoorbeeld een cruciaal element van het mechanisme achter altruïsme. Op 24 januari publiceerden Duitse ecologen hierover in Nature. Als iemand binnen een sociale groep een reputatie opbouwt als een persoon die met anderen samenwerkt, neemt de kans toe dat zelfs niet verwante vreemden, die die persoon bovendien nooit meer tegen zal komen, met hem willen samenwerken – dus zonder uitzicht op tegenprestatie. En bestraffen van asociaal gedrag helpt eveneens. Twee Zwitserse economen ontdekten dat samenwerking ook bloeit als er gelegenheid is om profiteurs te straffen (Nature, 10 jan.).

De experimenten bouwen voort op die van de Amerikaanse politicoloog Robert Axelrod, die eind jaren tachtig al concludeerde dat er aantal cruciale voorwaarden voor een stabiel altruïsme bestaat: je bedoelingen moeten duidelijk zijn; de ander moet weten wat hij aan je heeft; je moet vriendelijk zijn en nooit als eerste de samenwerking opzeggen, maar tegelijkertijd wel heel direct: zodra er misbruik van je wordt gemaakt, sla je terug, om de samenwerking direct weer te herstellen als de ander heeft laten zien op verzoening uit te zijn.

Tot nog toe gebeurde veel van dit onderzoek aan de hand van computersimulaties, maar nu is dan eindelijk ook onderzocht hoe in werkelijkheid belangeloze samenwerking tot stand komt onder niet verwante individuen. Ernst Fehr van de universiteit van Zürich en Simon Gächter van de universiteit van Sankt Gallen bedachten een spel om de invloed van bestraffing te bepalen. Ze deelden 240 proefpersonen (Zwitserse studenten) op in groepjes van vier en gaven elk twintig Zwitserse frank om te investeren in een gemeenschappelijk project. Elke geïnvesteerde frank leverde elk lid van de groep 0,4 frank extra op. Wie investeert gaat er dus zelf op achteruit: je verliest een frank en krijgt daar slechts 0,4 frank voor terug. Maar de groep als geheel wordt er wel beter van.

Boetes

Dit spel werd gespeeld in wisselende samenstellingen en in twee variaties. In de eerste serie van zes ronden kregen de spelers achteraf niet te horen welke bedragen hun teamgenoten hadden ingelegd. In de tweede ronde kregen ze die informatie wél en werden ze bovendien in de gelegenheid gesteld om profiteurs te straffen door het uitdelen van boetes. Hoewel het uitdelen van boetes geld kostte gebeurde het heel frequent: 84% van de deelnemers deelde ten minste één keer een boete uit. Het eventuele effect van de straf kwam niet direct ten goede aan degene die de straf uitdeelde. Na elke ronde wisselde immers de samenstelling van de groepen, waardoor er geen gelegenheid was de informatie over iemands betrouwbaarheid te gebruiken. Straffen bleek wel heel succesvol: de gemiddelde opbrengst per groep was twintig tot dertig procent hoger wanneer er gelegenheid was deelnemers te straffen. Bovendien nam in dat geval de opbrengst na elke ronde toe, terwijl het omgekeerde gebeurde wanneer er geen straffen werden uitgedeeld. In dat geval gaat iedereen zich dus steeds egoïstischer gedragen.

Dat straf niet de enige manier is waarop samenwerking kan ontstaan blijkt als gezegd uit experimenten van Duitse ecologen van het Max Planck Instituut in Plön. Door anderen te helpen of hun juist hulp te onthouden vestig je je reputatie in een groep. Als omstanders je bijvoorbeeld hebben leren kennen als iemand van wie ze op aankunnen, vergroot dat de kans dat je een volgende keer zèlf geholpen wordt. De werking van dit mechanisme toonden Manfred Milinski en zijn collega's aan in een opzet die vergelijkbaar is met die van de Zwitsers.

Beide experimenten laten zien dat sociale cohesie in een groep ontstaat doordat de leden van die groep elkaars gedrag goed in de gaten houden.