Wederzijdse verleiding

De vriendschap tussen Vincent van Gogh en Paul Gauguin leidde tot een van de heftigste soaps van de kunstgeschiedenis.

Een tentoonstelling brengt het verloop van hun

relatie in kaart.

ommige verhalen zijn zo bekend, dat ze hun resonans verloren lijken te hebben. De negen weken die Vincent van Gogh en Paul Gauguin eind 1888 met elkaar doorbrachten in het Gele Huis in het Zuid-Franse Arles, en het woeste parcours in hun vriendschap – van welwillendheid en idealisme naar wantrouwen en waanzin – hebben zich in ons bewustzijn genesteld als een van de heftigste kunstenaarsmythes van de twintigste eeuw. Zonnebloemen, absint, impulsieve creativiteit, ruzie, geniale gekte, het Oor; nu de fatale vriendschap tussen Van Gogh en Gauguin vooral als een handvol romantische trefwoorden voortleeft, is het niet zo gemakkelijk meer om te zien wat er eigenlijk gemythologiseerd werd, wat die wereldberoemde mythe ons eigenlijk wilde vertellen.

Waar ging het over? Over de kunstenaar als eeuwige buitenstaander, over de geniale eenling tegenover de sociale eenvormigheid van de massa, over kunst die over grenzen van het verstand reikt en voortdurend het gevaar loopt in een afgrond van krankzinnigheid te verdwijnen. Grappig genoeg zijn dat allemaal noties die onlosmakelijk verbonden zijn met de mythe Vincent van Gogh, terwijl het in werkelijkheid juist Paul Gauguin was die zich tijdens zijn leven aan zijn rol als martelaar verlustigde.

In zijn schilderijen en geschriften koketteerde hij met een narcistisch zelfbeeld van de man die leed aan de wereld, die uitgestotene en uitverkorene tegelijk was. Zijn schilderijen zijn doortrokken van religieuze lijdenssymboliek; hij aarzelde niet om de Jezus in zijn Christus in de olijfgaard (geschilderd na zijn overhaaste vertrek uit Arles) zijn eigen gelaatstrekken te geven. Van Gogh zag kunst weliswaar ook als geloof, en de kunstenaar als een soort moderne Christusfiguur, maar toch eerder als een verlosser, dan als een eeuwig lijdend voorwerp; een visionaire figuur die de wereld en de mensheid zou regenereren. Hij verfoeide de al te opzichtige religieuze symbolen van zijn tijdgenoten. De waarneembare werkelijkheid was al goddelijk genoeg, dingen en mensen waren hun eigen symbool.

Naarmate de populaire mythe van het Atelier van het Zuiden, zoals Vincent van Gogh zijn gedroomde kunstenaarsidylle in Arles noemde in brieven, sleetse plekken begon te vertonen, ontstond het beeld van het korte samenzijn van Van Gogh en Gauguin als een zuiver psychologisch drama; een soort Who's Afraid of Virginia Woolf?, maar dan voor twee mannen die elkaar naar het leven staan, uit naam van de kunst.

Heilige dwaas

In dat drama kreeg Van Gogh een hartverscheurende hoofdrol toebedeeld. In de meeste psychologische studies werd Van Gogh voorgesteld als een soort heilige dwaas, die door de aartsopportunist Gauguin in de tang wordt genomen. Naïef idealisme versus zuivere berekening. Het was Van Goghs verbeten droom om in het zuiden van Frankrijk een kunstenaarskolonie te vormen, waar de kunst met de toewijding van monniken gediend zou worden. Volgens hem kon er maar één abt zijn: Gauguin.

Tegenover de oudere Franse schilder legde Van Gogh een bijna slaafse verering aan de dag – zolang die zich op grote afstand van hem bevond. Naar de steeds maar uitgestelde komst van Gauguin, die in Bretagne zat en geplaagd werd door twijfel en geldgebrek, werd door Van Gogh de hele zomer van 1888 uitgekeken alsof zijn leven ervan afhing. Van Gogh zag het Atelier van het Zuiden als zijn bestemming, zijn hemel op aarde, terwijl Gauguin zichzelf slechts op doorreis beschouwde. Dat Vincents broer Theo een invloedrijke kunsthandelaar in Parijs was, die de post-impressionisten een warm hart toedroeg, vormde de belangrijkste pijler van Gauguins `vriendschap' met Vincent. Het moest dus wel verkeerd aflopen.

Dat enkelvoudige beeld van de relatie tussen Van Gogh en Gauguin als één grote strijd tussen goed en kwaad, een schrijnend misverstand met gruwelijke gevolgen, is in de afgelopen jaren danig bijgesteld: Van Gogh blijkt in werkelijkheid iets minder goedaardig, en Gauguin minder kwaadaardig, al moeten zijn biografen zich daarvoor in bochten wringen. Wanneer Van Gogh in zijn onmogelijke verwachtingen werd teleurgesteld, kon zijn dweepzucht even zo snel omslaan in agressie, waarbij hij ook nog zijn vlijmscherpe kritische blik in stelling bracht. Zijn vriendschappen waren mijnenvelden. En Gauguin, niemand kan hem vrijpleiten van een grotesk soort egoïsme en een hautaine houding tegenover Van Goghs talent, maar het staat ook vast dat hij wel degelijk deernis voelde voor de onevenwichtige Vincent en hem tot aan zijn dood maar moeilijk uit zijn hoofd kon zetten, hoe hard hij het ook probeerde. De twee schilders bleven ook na de nacht van het Oor bevriend, ook al verzekerde Gauguin er zich na zijn vertrek uit Arles van dat de vriendschap verder via de posterijen verliep.

Mythes laten zich plooien door de tijdgeest. Het probleem van die psychologische benadering is dat het werk van beide schilders als niet meer dan een intiem dagboek wordt gezien, vol verborgen biografische betekenissen en geheime bekentenissen. Aangespoord door de persoonlijke symbolentaal van zowel Van Gogh als Gauguin, raken de meeste biografen spontaan in een freudiaans delirium; met alles op hun doeken wordt iets anders bedoeld dan het voorstelt, en niets is zonder verborgen bedoeling. Waarom heeft Jezus in Gauguins Christus in de olijfgaard de kop van de schilder zelf, maar het rode haar van Van Gogh? Waarom schilderde Van Gogh op twee afzonderlijke doeken de stoel van hemzelf en die van Gauguin, allebei leeg? En wat betekent die brandende fallische kaars op de zitting van Gauguins stoel? Alles blijkt door deze aanpak uiteindelijk te kunnen worden geduid, maar het wordt steeds minder duidelijk waarover het eigenlijk gaat. Waren de schilderijen die Van Gogh en Gauguin voor, tijdens en na hun samenzijn schilderden niet meer dan een soort psychologische legpuzzels, die zich grotendeels in hun onderbewustzijn hadden gevormd? Of een kunstzinnige soap-serie, waarin ieder afzonderlijk doek weer een nieuwe aflevering in een beklemmend melodrama moet voorstellen?

Harde botsingen

Recente studies over de vriendschap tussen Van Gogh en Gauguin, zoals het baanbrekende Van Gogh and Gauguin; the Search for Sacred Art (2000) van de Amerikaanse Debora Silverman, beschouwen die psychologische lezing van het werk als reductionistisch. Ze plaatsen het genie weer stevig in zijn eigen tijd en plaats. Van Gogh en Gauguin vormen beiden de uitlopers van verschillende culturele tradities en de harde botsingen die in het Gele Huis te Arles plaatsvonden, werden niet alleen veroorzaakt door hun ontvlambare temperamenten en verborgen persoonlijke agenda's, maar in de eerste plaats door tegenstrijdige artistieke visies. Beide kunstenaars zagen hun nieuwe kunst als een vorm van religie, beiden keerden zich tegen het moderne, zielloze en gemechaniseerde leven van de grote stad. Zowel Gauguin als Van Gogh was een drop-out; Gauguin werkte jarenlang op de Parijse beurs voordat hij voor een armoedig bestaan als schilder koos, Van Gogh was zeven jaar lang, net als Theo, kunsthandelaar.

Maar in de manier waarop ze die religieuze visie gestalte gaven, verschilden Van Gogh en Gauguin hemelsbreed. De Hollandse protestantse cultuur waaruit Vincent van Gogh kwam, benadrukte de immanentie van het goddelijke in de waarneembare wereld. Van Gogh, kun je zeggen, ontwikkelde zich van een verbeten realist, die de vaak ontluisterende wereld zo direct mogelijk wilde weergeven, tot een visionair realist. In een brief aan de jonge schilder Emile Bernard, zowel een vriend van hem als van Gauguin, verzette hij zich tegen Gauguins aansporing om zuiver vanuit zijn verbeelding te schilderen; het ging er juist om de tastbare werkelijkheid transcendent te maken. Hij vervormde de werkelijkheid, verkleurde en vergrootte of verkleinde die. Het was zijn visie op iets wat werkelijk buiten hemzelf bestond, een opvatting die nauw verstrengeld was met zijn artistieke roeping: de kunst moest de wereld nieuw leven inblazen.

De gevolgen van zijn manier van kijken kon Van Gogh zelf niet overzien. Zoals bij alle visionaire kunstenaars openbaarde zich in zijn streven naar transcendentie onwillekeurig ook een visioen van zinloosheid, van de totale leegte. Zijn schilderij Het nachtcafé, dat hij schilderde vóór de komst van Gauguin, is alleen ogenschijnlijk nog maar een realistische afbeelding van het Café de la Gare te Arles; de gruwelijke leegte van de ruimte, de bleke aanwezigheid van de nachtelijke bezoekers en hun schrijnende wezenloosheid, maken het tot een visioen van de hel. Het is de kant van zijn kunstenaarschap die Van Gogh maar moeilijk onder ogen kon zien; in de tien jaar van zijn leven als schilder klampte hij zich manmoedig vast aan zijn sentimentele overtuiging dat kunst de mensen beter moest maken, dat zijn portretten en landschappen het goddelijke in de mens en de natuur tot uiting moesten laten komen. Wanneer hij geestelijk in nood raakte, klampte hij zich vast aan het humanistische sentiment van Dickens of De negerhut van oom Tom.

Nadat hij in Arles was aangekomen, schilderde ook Gauguin een Nachtcafé. Het is een veel wereldser beeld van ontluistering. In plaats van de anonieme verloren zielen op het schilderij van Van Gogh, wordt er wulps en insinuerend naar je geknipoogd door Madame Genoux, de vrouw van de patron van het Café de la Gare, die door Van Gogh even daarvoor in een portret als een toonbeeld van zachtmoedige menselijkheid was vereeuwigd. Op de achtergrond, omringd door hoeren, zitten nog meer bekende portretten van Van Gogh; Roulin, de postbode, en luitenant Milliet, de zoeaaf. In het schilderij van Gauguin worden de modellen van Van Gogh van hun transcedente verhevenheid ontdaan en tot miezerige koppelaars en hoerenlopers gemaakt.

Desondanks toonde Van Gogh zich enthousiast over het doek van zijn vriend, in tegenstelling tot Gauguin zelf, die het, veelzeggend, veel te realistisch vond. In haar boek laat Silverman overtuigend zien dat de Frans-katholieke achtergrond van Gauguin hem in wezen de andere kant op dreef dan Van Gogh weg van de werkelijkheid. Zoals gezegd was een van de voortdurende twistpunten in het Gele Huis Gauguins overtuiging dat Van Gogh zijn verbeelding meer zou moeten gebruiken; het leidde onder andere tot een aantal experimenten, zoals Herinnering aan een tuin in Etten (1888). De transformatie die Gauguin in zijn werk voorstond was het volledig ontstijgen van de wereld; vandaar zijn afkeer van het schilderen naar model, vandaar de onwezenlijke verstilling van zijn menselijke figuren, de steeds sterker naar abstractie neigende lijnen en vormen op zijn doeken, en de religieuze symboliek. Afzondering, stilte, meditatie, verinnerlijking, dat was waar Gauguin naar streefde. En het was precies wat van Gogh niet wilde, met zijn verlangen naar een natuurlijke gemeenschap, zijn impulsieve neiging om de wereld te omarmen en te verlossen.

Weersgesteldheid

Het is die wrijving – wereldse transcendentie tegenover onwereldse – die het treffen tussen Van Gogh en Gauguin voor ons betekenis geeft. De grote tentoonstelling Van Gogh & Gauguin; het atelier van het zuiden, die vanaf eind volgende week tot aan de zomer van dit jaar in het Van Gogh Museum te zien is, brengt het verloop van die onmogelijke vriendschap magnifiek in kaart. De meeste doeken die Van Gogh en Gauguin tijdens hun samenzijn schilderden – vaak met dezelfde onderwerpen – hangen nu naast elkaar, zodat ze ter plekke met elkaar vergeleken kunnen worden. De uitvoerige en nauwgezette catalogus volgt hun ontwikkeling van dag tot dag. Je kunt zien wat de beide schilders per week produceerden, aan wie ze brieven schreven. Zelfs de weersgesteldheid wordt aangegeven; tijdens de laatste dagen van oplopende spanning regende het aan één stuk door.

Beide schilders, zo valt te zien, brachten elkaar in verleiding. Van Gogh temperde tijdelijk zijn wilde penseelvoering onder de invloed van Gauguin, en experimenteerde met onkarakteristieke kleurvlakken. De laatste maakten zijn portretten minder emblematisch. Maar die welwillendheid hield geen stand. Behalve hun karakters waren het vooral hun artistieke visies die botsten – die door hun confrontaties tijdens die maanden in Arles op scherp kwamen te staan. Beiden kwamen er door elkaar achter wat het wezen was van kunst; dat die wetenschap tot de nacht van Het Oor leidde, was onvermijdelijk, want de visies van Gauguin en Van Gogh waren, hoewel ze ogenschijnlijk hetzelfde nastreefden, in wezen onverenigbaar. Gauguins werk liep vooruit op de abstracties van het modernisme. Zijn afkeer van het zielloze moderne bestaan leidde tot een onvoorwaardelijke afzondering in een zelfverzonnen paradijs. Zijn afkeer van de wereld maakte dat zijn artistieke visie diepte miste, zeker vergeleken bij de zinderende intensiteit waarvan het werk van Van Gogh doortrokken is. Maar Van Goghs kunst leidde tot visioenen die zijn gekoesterde werkelijkheid uiteindelijk verzwolgen, en daarmee hemzelf. Geen wonder dat van zijn laatste landschappen, geschilderd in Auvers-sur-Oise, niemand met zekerheid kan zeggen of ze uiting geven aan de ultieme depressie of aan een gevoel van bevrijding.

De tentoonstelling Van Gogh & Gauguin komt als geroepen. In een tijd waarin geen enkele overtuiging of visie meer als gegeven beschouwd kan worden, wordt van de kunst gevraagd zich opnieuw tot de wereld te bekennen. Zowel Van Gogh als Gauguin besefte wat er op het spel stond, dat was de basis van hun vriendschap. De mythe van hun genie, het psychologische drama van hun ruzies; deze tentoonstelling laat overtuigend zien dat dat alles het moeiteloos aflegt tegen hun kunst. Bijna honderdvijftien jaar nadat ze geschilderd werden, zijn hun schilderijen, vooral die van Van Gogh, verpletterend aanwezig.

Van Gogh & Gauguin. Van 9 feb tot 2 juni in het Van Gogh Museum, Amsterdam, dag. 9-21u, ma en do tot 18u. Kaartverkoop (voor blokuren): tel. 0900 0194 of bij het Amsterdams Uit Buro. Catalogus: E32,50. Inl.: 020 5705252 of www.vangoghgauguin.com

Bas Heijne leidt de tentoonstelling in met een lezing op 13, 15 en 17 maart. Aanmelden met de bon uit de brochure die morgen verschijnt bij de bijlage M.

Gauguin schilderde Christus met het rode haar van Van Gogh

Van Gogh temperde zijn penseelvoering onder de invloed van Gauguin