Tyson slaat en bijt omdat publiek het wil

Na een handgemeen met zijn aanstaande tegenstander Lennox Lewis verklaarde de staat Nevada profbokser Mike Tyson (35) tot persona non grata. De hypocrisie viert hoogtij.

Voldaan sloegen de moraalridders elkaar afgelopen woensdag op de schouders. Michael Gerard Tyson, de omstreden bokser met de veelzeggende bijnaam Iron Mike, kreeg geen licentie om op 6 april in Las Vegas de ring te betreden voor zijn wereldtitelgevecht tegen Lennox Claudius Lewis. Justice is done, was het eensluidende oordeel in de staat Nevada.

Hoezo gerechtigheid? Al zo vaak heeft de 35-jarige straatvechter uit de getto's van New York in de beklaagdenbank gezeten dat het justitiële apparaat weinig tot geen indruk meer op hem maakt. Al riepen zijn woorden ditmaal zowaar enig medelijden op. ,,Ik ben geen Moeder Theresa, maar ook geen Charles Manson'', jammerde Tyson ten overstaan van een horde journalisten na de openbare hoorzitting van de sportcommissie van Nevada.

Aanleiding voor de verbanning was het ordinaire straatgevecht dat vorige week ontstond na een provocatie van Tyson tijdens de presentie van beide kemphanen. Het opstootje, met een beet in het been van Lewis, was voor Tysons critici en dat zijn er nogal wat het zoveelste bewijs van diens onverbeterlijke en verknipte karakter. Voor hen is en blijft hij de onverschrokken straatboef, die het boksen telkenmale terugvoert naar het Stenen Tijdperk. ,,Tyson heeft professionele hulp nodig, voordat hij weer in de ring verschijnt'', zei Lewis vannacht voor de camera's van CNN.

Maar alle morele verontwaardiging klinkt niet voor het eerst hypocriet. Profboksers dragen per definitie geen morele boodschap uit, en Tyson al helemaal niet. Hij en zijn kornuiten worden betaald om tegenstanders neer te slaan, niets meer en niets minder. Bij de gratie van én tot duivels genoegen van het op sensatie beluste publiek.

Vergeten wordt bovendien dat het profboksen zijn eigen curiueze wetten kent. Een gevecht begint reeds maanden van tevoren, geheel in de Amerikaanse traditie die wil dat sport en show onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Controversiële uitspraken en uitspattingen dienen slechts één doel: zoveel mogelijk tv-abonnementen (pay-per-view) en peperdure toegangsbewijzen aan de man brengen. Niemand loopt immers warm voor een vredelievende bokser die 's avonds om tien uur het licht uitdoet nadat hij vrouw en kinderen naar bed heeft gebracht.

Het opstootje van vorige week was een fraai voorbeeld van de public relations die het sinistere profboksen zo eigen is. Kon het mooier? Twee mastodonten en hun kleurrijke gevolg verloren hun zelfbeheersing na een op het oog relatief onschuldige provocatie van Tyson. Een schaamteloze knokpartij, ten overstaan van tientallen tv-camera's en fotografen, was het gevolg. De beelden gingen de hele wereld over, en van Alaska tot Nieuw-Zeeland wist plots iedereen van het op handen zijnde gevecht.

Naar het meesterbrein achter deze geslaagde pr-stunt kan slechts worden gegist. Al lijkt slechts één man daarvoor in aanmerking te komen: Don King. Meer dan eens fluisterde de geslepen promotor zijn voormalige pupil in om de beestachtige reputatie in stand te houden, en daar waar mogelijk te versterken. Hoe meer het publiek Tyson vereenzelvigt met de duivel, hoe meer dollars in de kas stromen.

Niemand die daarom vreemd moet opkijken wanneer de ooit jongste wereldkampioen uit de geschiedenis of een van zijn handlangers binnenkort `onthult' dat het handgemeen een weloverwogen zet was, bedoeld om de aandacht van het grote publiek te vangen (en dus de kas te spekken). Zoals ook niemand de wenkbrauwen hoeft te fronsen nu diverse steden, waaronder Amsterdam, verwoede pogingen doen het veelbesproken gevecht van Las Vegas over te nemen.

Tyson is wat Michael Jordan voor het profbasketbal is: de kip met de gouden eieren. Hem voorgoed uit de ring verbannen zou de doodsteek betekenen van de sport, die sinds de gloriedagen van de legendarische Muhammad Ali toch al een verbitterde strijd op leven en dood voert. Bovendien: The show must go on.

Dat weet ook Tyson, want aan zelfkennis ontbreekt het hem niet. Als geen ander beseft de bokser met de vuisten van beton dat hij en niemand anders van onschatbare waarde is. ,,Ik ben de grootste geldmachine aller tijden'', pochte hij ruim drie jaar geleden in een openhartig interview.

Feilloos legde Tyson, op dat moment net terug van een schorsing, de vinger op de zere plek toen het titelgevecht tussen Evander Holyfield en Lennox Lewis ter sprake kwam. ,,Zij verdienen 20 miljoen dollar, ik 35 miljoen'', sprak hij trots. ,,Holyfield en Lewis zijn de kampioenen, ik ben de koning. Ik krijg Madison Square Garden nog vol als ik sta te masturberen.''

Het is die grofgebekte bokser die de Amerikanen telkenmale herinnert aan de destructieve zelfkant van hun maatschappij. Elk vergrijp van The baddest man on the planet dwingt hen tot een blik in de spiegel. Het beeld dat dan opdoemt stemt niet vrolijk. Want Tyson is niet alleen het huiveringwekkende product van het bizarre circus der profboksers, hij is bovendien het levende bewijs van de morbide werkelijkheid in de uitzichtloze achterbuurten van de Verenigde Staten. Daar kan geen moraalridder tegenop.