Tussen het brullen door

In het jaar dat Anna Enquist het Boekenweekgeschenk 2002 schreef, leed zij een `gekmakend' verlies. ,,Als een mens hard valt, valt-ie buiten de taal.''

,,Mijn hele leven moet anders'', zegt Anna Enquist als we telefonisch de interviewafspraak maken. ,,Ik heb alleen geen idee hoe. Ik heb niet eens woorden voor de toestand waarin ik mij bevind.''

Een week later zit ze tegenover me – soms lachend, vaker een traan uit haar ogen vegend, onophoudelijk rokend. ,,Eigenlijk durf ik dit niet. Maar als ik niet probeer te spreken, ga ik te gronde. Praten slaat nergens op; zwijgen is dodelijk. Ik wil het uitschreeuwen, ik wil verstaan worden.''

U noemde taal ooit `een slijmerig vlot'.

,,Toen ik dat schreef, kon ik niet vermoeden dat er op een dag helemaal geen woorden meer zouden zijn om me aan vast te klampen. Je klauwt, maar als het er op aan komt... glij je van dat vlot af.''

Juli vorig jaar viel een brochure van uitgeverij De Arbeiderspers op mijn deurmat. In het hart ervan lag een uitklapbare bijlage van acht pagina's, gewijd aan proza en poëzie van Anna Enquist (56, pseudoniem van Christa Widlund-Broer). `Auteur van het Boekenweekgeschenk 2002', kopte de uitgeverij ter aankondiging van haar finest hour. De folder vermeldde bekende titels als Soldatenliederen, Het geheim en Het meesterstuk, maar ook de nog te verschijnen bundel Hier was vuur, `een selectie gedichten over de even innige als wrede band' tussen moeders en kinderen.

Enkele weken na lezing hoorde ik dat de 27-jarige dochter van de auteur was verongelukt.

,,Vrijdagochtend 3 augustus fietste Margit door Amsterdam'', vertelt Enquist. ,,Het ging goed met haar. Een jaar eerder had ze haar studie Nederlands afgerond, met een hele mooie scriptie over Louis Couperus. Daarna was ze even in de war geraakt: wat een ellende om definitief volwassen te zijn, wat moet ik nou? Ze droomde van een carrière als jazz- of popzangeres, maar haar stembanden waren niet goed genoeg. Een maand of twee voor haar dood kreeg ze alles op een rijtje. Ze wilde na de zomervakantie les gaan geven op de Gerrit van der Veen Scholengemeenschap. Ook zou ze na jaren weer hobo gaan spelen. `Ik moet ophouden met zeuren', zei ze.

,,Margit kwam uit de Damstraat, reed langs het oorlogsmonument en stopte bij het Rokin voor een rood stoplicht. Ze was van plan rechtdoor over te steken, richting het koninklijk paleis. Maar de vrachtwagen die naast haar stond, wilde rechtsaf naar De Bijenkorf. Ze kwam onder de wielen.

,,In haar rugzakje zat een zomerjurk van mij. Ze had 'm stiekem uit de kast geplukt – mamma was toch op vakantie. Verder droeg ze een manuscriptkopie bij zich van De IJsdragers, mijn boekenweekgeschenk. Dat was al af. Margit is een grote hulp geweest bij het schrijven, vooral in de fase dat ik nog tien, vijftien pagina's te gaan had en wekenlang geen kant op kon. Eén nacht zat ik daar op de rand van haar bed over te klagen. Ze hoorde me aan, vroeg naar de karakters en de plot. `Dat huwelijk komt niet meer goed', concludeerde ze. `En die man moet dood.' Het was alsof ik naar een volleerd redacteur luisterde. De volgende dag pakte ik de pen weer op – ik ben geen computerschrijver –, en drie weken later was ik klaar. Dat boek is echt niet zomaar aan Margit opgedragen. Het zit me dwars dat ik nooit zal weten of ze `haar' eind heeft gelezen.''

U zegt `dat boek'. Klinkt kil.

,,O, het interesseert me absoluut niet meer. Het komt uit een ander bestaan, het is door een ander geschreven. Door een vrouw die nog kon musiceren met haar dochter. Ik achter de piano, zij met de hobo. Dat is het laatste wat we samen hebben gedaan: het adagio van Cimarosa spelen. Op voet van gelijkheid.''

In uw bundel `Klaarlichte dag' stuitte ik op het gedicht `Dochter, dochter': `Niet waar dat ze met lange elastieken draden aan je vast zit, dat je opvliegt als zij twintig kilometer verder van haar fiets valt. Je zit in het versteende huis en je voelt niets.'

,,Ja, wat te zeggen. Vijf jaar geleden gemaakt. Als ik het nu ergens moet voordragen, verander ik `van haar fiets valt' in `van de trap valt' ofzo. Het komt te dichtbij. Ik vind het storend dat sommige mensen me nu paranormale gaven toedichten. Ik ben een heel nuchter mens; als ik ergens in geloof, is het in de Verlichting. Met god en vreemde geesten heb ik niks. Margit was het slachtoffer van toeval, van een wekker die vijf seconden later had moeten aflopen. Tijdens haar begrafenis heb ik een toespraak gehouden. Daarin citeerde ik mijn gedicht `Van verlangen', uit 1991. `Maar tijd is: gaan. Maar dood gaan is: stil gaan staan. Hoe je gezicht stukvalt op steen, hoe scherpe wielen door je schouders snijden: drama zonder regie.' Ik las dat niet voor om te tonen hoe geweldig ik alles had voorzien – ik wilde aangeven dat je aan die hele poëzie niks hebt wanneer je zo'n gekmakend verlies lijdt.''

Jaar in, jaar uit hebt u gedichten geschreven over de liefde voor uw zoon en dochter, en over de `kervende' pijn die alleen al de gedachte aan loslaten veroorzaakt. `Met een gehuurde bus de dochter naar haar kamer rijden. (...) Met bloedende vuisten op het plaveisel hiertegen zijn.'

,,Hou op. God, wat is dat larmoyant. Wat een idiote gedachte om zoiets literatuur te noemen.''

`In de verloskamer juichen ze bij het omgekeerde doelpunt van de geboorte. Niemand voorziet de wraak van de keeper.'

,,Dit bevalt me beter, maar zo'n sportmetafoor vinden ánderen nou weer belachelijk. Mensen – vooral mannen – zien een geboorte als een hele vertederende gebeurtenis, en wee het gebeente van de vrouw die daar platvloerse bewoordingen voor gebruikt.''

Vanwaar die grote hoeveelheid gedichten over uw kinderen?

,,Niets in mijn leven heeft me zo gelukkig gemaakt als het moederschap. Niets. Ik denk dat ik het zo vaak heb beschreven om het letterlijk en figuurlijk vast te leggen. Tevergeefs natuurlijk. Je geeft je kinderen uit liefde te eten, maar het ambivalente is dat je ze op die manier groter maakt, van je afduwt. Het begint al met de uitdrijving uit de baarmoeder en het doorknippen van de navelstreng. En dan groeien ze groter, alsmaar groter, en ze gaan naar school, en de juffrouw is verdomme liever dan jij, en ze willen op kamers, en...

,,Mijn `gekweldheid' zie ik achteraf als een luxe-probleem, maar schrijnen dééd het. Het enige wat op zulke momenten helpt, is dat geluk intensief beleven. Door stevig in het nu te staan, kun je het verleden bij je houden. Ik heb altijd geprobeerd goed te voelen wat me gebeurt, omdat je zo de herinneringen aanmaakt waarop je later teert.''

,,Voor veel auteurs is schrijven het bezweren van hun grootste angst'', zegt uw vriend Henk Bernlef. ,,Christa lijkt me daar een loepzuiver voorbeeld van.''

,,Dat moet ik gewoon toegeven. Maar: het vergt moed om je angst onder ogen te zien. Ik ben psychoanalytica, ik weet dat je slechts vooruitgang kunt boeken als je de plekken aanraakt waar de meeste pijn zit. Die wet geldt ook in `de economie van het verdriet', de literatuur. Schrijf waarover je nauwelijks durft te schrijven jij verrijkt jezelf, en meestal krijgt de lezer een goed gedicht.''

Verlangt u dus ook van uzelf dat u schrijft over Margits dood?

,,Tot mijn eigen verbazing heb ik al een paar gedichten op papier staan. 's Nachts gemaakt, tussen het brullen door. Het is hele harde, nare poëzie. Zo gaat Smeekschrift over het dreigende tekort aan herinneringen. `Bidden wij dan het geheugen bij ons te blijven. Het is wat wij hebben. Zonder haar zijn wij niet.'

,,Wat ik onmogelijk in poëzie kan weergeven, is de persoonlijkheid van mijn dochter. Margit was een springerig iemand, een vrouw met enorme stemmingswisselingen. Spetterend geluk, spetterende desillusies: ze lééfde. Die heftigheid had ze van mij. Ik ben een zuchtige, zinnelijke vrouw. In het gewone leven straal ik rust en beheersing uit, maar in mijn boeken komen de hartstochtelijkheid, het cynisme en de kwaaiigheid die daaronder woelen tot uiting. Margit gooide alles eruit. Ze kon schreeuwend ruzie maken, explosief vrolijk zijn, erg sexy doen. Daarnaast had ze een sociale, samenwerkerige kant. Dat kwam van mijn man, niet voor niets cellist in een kamerorkest. Bengt en ik waren voor Margit een vangzeil, tegenover ons waren er geen geheimen.''

Maakt u het niet te idyllisch? Gezinnen worden weleens de kleinste concentratiekampen genoemd. In `De IJsdragers' kenschetst u het familieleven als `oorlog'.

,,Thuis hebben we daar een jaar geleden uitgebreid over gepraat. `Ons is nooit geleerd ruzie te maken', riepen de kinderen. `Iedereen heeft hier maar begrip voor elkaar... jullie zijn te soft!' Maar ja, zij wisten ook niet hoe we ervoor konden zorgen dat de banden zouden verslechteren. Het enige wrijvingspunt tussen mij en Margit was dat het lastig bleek voor de dochter van een bekende schrijfster om haar interesse op het gebied van literatuur en uitgeverijen uit te leven. Haar stage bij Ambo, haar periode bij Querido, haar werk voor het literaire tijdschrift de Revisor: telkens botste ze tegen mij op. Dat conflict was nog niet uitgekristalliseerd.''

Naar verluidt heeft Margit het in dat wereldje danig aan de stok gehad met staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg.

,,Hij betoogde op een bijeenkomst dat het fantastisch voor de literatuur zou zijn als de vaste boekenprijs werd afgeschaft. In Zweden hadden ze het ook gedaan, en dat was nu het walhalla. Margit had net een half jaar in Stockholm gestudeerd. `Totale onzin', zei ze tegen Van der Ploeg. `De boeken zijn onbetaalbaar, de winkels verdwijnen – een ramp.' Hij luisterde maar half. Voor Van der Ploeg was Margit slechts een aantrekkelijke jonge vrouw. Hij schreef zijn telefoonnummer op een papiertje, stopte dat in haar hand en zei: `Bel me 'ns op.' Ik ben daar nóg kwaad over. Ik heb sowieso veel woede – misschien wel meer woede dan wanhoop.''

U bent tien jaar schrijfster, maar al drie decennia actief in de psychoanalyse. Die leer zegt toch dat het rouwproces na een sterfgeval de stadia ongeloof, verdriet, boosheid en berusting kent?

,,Dat is boekjesgeklets. Ik geloof niet in cases, ik geloof in mensen. Elke patiënt is anders. Wat een verlies betekent, hangt af van hoe de verliezer in elkaar steekt. In mijn geval gaat het om een vrouw die een behoorlijk agressieve kant heeft. Ik ben niet toevallig gek op voetbal.''

Waar richt uw woede zich op?

,,Niet op de chauffeur die Margit heeft doodgereden. Hij zág haar niet. Punt. Ik ben witheet op de KPN, op UPC, op de Postbank. Op allerlei instanties die hun klanten niet kwijt willen – al zijn ze morsdood. Ik voer al maanden een gevecht met bureaucratisch Nederland. Je hebt nog geen overlijdensverklaring opgestuurd of er ligt wéér een brief aan je kind op de deurmat, compleet met dwangbevel.

,,En ik wil een j'accuse uitspreken aan het adres van Tineke Netelenbos, minister van Verkeer. Wat een vreselijke, domme vrouw! Zij heeft een convenant afgesloten met de vrachtwagenbranche: nieuwe vrachtwagens zouden met een dodehoekspiegel moeten worden uitgerust. Sancties op niet-plaatsen zijn er niet. Bovendien blijven alle oude trucks, 99 procent van het totaal, een gevaar op de weg. Jaarlijks komen gemiddeld veertig jonge Nederlanders op dezelfde manier om het leven als Margit. In mijn ogen is Tineke Netelenbos daar indirect verantwoordelijk voor.

,,Minstens zo ergerlijk vind ik de houding van de gemeente Amsterdam, die vlak voor de zomer de Dam liet herinrichten. Bernlef heeft het hoe en wat voor me uitgezocht. Volgens hem is de kern van de zaak dat een schoonheidscommissie en een verkeerstechnische club hebben gekozen voor een onzalig compromis, een polderoplossing. Margits ongeluk is daar een gevolg van. Vlak voor dit interview ben ik op de Dam een bloem gaan leggen bij het gedenksteentje voor Margit. Elke vijf minuten zie je een bijna-aanrijding. Ik zou het er niet bij moeten laten zitten, maar ik ben aan het eind van mijn latijn.''

Is er iets waaruit u troost kunt putten?

,,Nee. Er zijn hoogstens dingen die ik verdraag. Muziek bijvoorbeeld. Muziek máken geeft zelfs enige verlichting. Na het ongeluk dachten Bengt en ik: hoe kunnen we ooit nog een noot spelen? Maar we zijn op sleeptouw genomen door vrienden met wie we een strijkkwartet hebben. Af en toe concentreer ik me op Bach-fuga's. Dat vereist denkwerk: hoe loopt die stemvoering, met welke vinger speel ik wat? Op zulke momenten ben ik even afgeleid.

,,Na mijn studie psychologie heb ik zes jaar conservatorium gedaan. Ik wilde concertpianiste worden, maar tot mijn ongeluk kon ik de vijf uur studie per dag niet combineren met het gezinsleven. 'Doe die vleugel maar dicht', zei ik tegen mezelf. `Je hoeft niet meer.' Ik vermoed dat ik door het missen van die uitlaatklep gedichten ben gaan schrijven. Tot genoegen hoor, maar literatuur is tweede keus. In deze fase realiseer ik me het weer: wat je ten diepste voelt, komt het beste tot uiting in muziek. Het is non-verbaal, het is fysiek, het is ritmisch. Het is: gewiegd worden. Kijk, als een mens hard valt, valt-ie buiten de taal. Wat Das Wohltemperierte Klavier dan voor je kan doen, krijgt de complete wereldbibliotheek niet voor elkaar.''

Half maart verschijnt `De IJsdragers'. Ik heb de novelle al mogen lezen, en ...

,,Jij mocht het; ik moest. Anders kon ik geen interview afstaan. Dat boek was volledig uit mijn systeem gewist.''

U verhaalt over de verhouding tussen Loes, een lerares oude talen en Nico, een psychiater. Het huwelijk van die twee is ontwricht door het spoorloos verdwijnen van hun net volwassen dochter, Maj.

,,Ja, dat zag ik. Gek hè. Waar het mij in dat boek om ging, was de machteloosheid waarmee mensen omgaan met onmacht. Nico reorganiseert zijn ziekenhuis, ontwerpt een praktisch stappenplan voor patiënten, vervangt therapieën door pilletjes – kortom, hij probeert de onmacht in zijn privé-leven te compenseren door het vergroten van zijn invloed op andere zaken. Als het aan hem ligt, wordt de factor leed in het bestaan simpelweg ausradiert. Loes, zijn vrouw, reageert genuanceerder op het verlies van Maj. Zeker, ze heeft haar eigen controledrift: vergeefs probeert ze op de zandgrond rond het huis een tuin te maken. Maar ze gaat het verdriet niet uit de weg. Ze tolereert haar eigen machteloosheid, begrijpt dat er van alles stuk gaat als ze die zou ontkennen. Loes poogt in woorden te vangen wat er aan de hand is. Ze praat. Ze schrijft. En zo krijgt ze een beetje houvast.''

Met `De IJsdragers' slaat u geen nieuwe weg in.

,,Bewust niet. Toen de CPNB me verzocht het Boekenweekgeschenk te schrijven, dacht ik: mijn werk zal dadelijk bij iedereen door de strot worden geduwd. Ik wilde dan ook een makkelijk leesbaar verhaal schrijven. Maar vrolijke kost kun je De IJsdragers niet noemen. Net als in mijn andere romans gaat het om een kwestie waarover ik me als psychoanalytica het hoofd breek. Aangezien ik ook nog eens een didactisch type ben, moet ik uitkijken dat mijn opvattingen niet als botten door de huid van zo'n roman prikken. Ik weet niet of ik dat gevaar heb weten te vermijden. Misschien is het boek te looiig. Ik zou graag eens wat lichts schrijven. Het allermooiste proza is toch dat van Reve. Die kan het écht. Hele erge dingen zo opschrijven dat de lezer er hartelijk om moet lachen... dat schrijverschap is van een heel andere orde.''

Het is inderdaad opmerkelijk hoe zwaar op de hand uw werk al vóór het ongeluk was. Loes heeft het over `Het stomme koor in het achterhoofd, dat luidkeels `help' zong, dat onafgebroken `was ik maar dood' scandeerde.'

,,Nu zie ik mezelf natuurlijk helemáál niets geestigs meer schrijven. Ik herken me met terugwerkende kracht in dat `Was ik maar dood'. Je wilt je kind niet alleen laten, je wilt achter haar aan, méé, als een soort Orfeus. Het paradoxale is dat die wens steeds krachtiger wordt. Ik realiseer me dat de gevoelens van verlies nooit over zullen gaan.''

Hoe verder?

,,Eerst maar zien te overleven. Dat doe je deels met je ogen dicht. Het kon me geen bal schelen dat die gekaapte vliegtuigen de Twin Towers binnenvlogen. Ik heb de tv niet eens aangezet toen ik het hoorde. Ik ben allang blij als ik het eind van de dag haal, als ik voor Bengt en mijn zoon Wouter weet te zorgen – iets waarin ik steeds minder goed slaag. Door de posttraumatische stress slaap je slecht, vermager je en raak je uitgeput. Mijn verstand zegt dat er mettertijd een wending komt: op een dag zal mijn wond worden dichtgenaaid door `kamparts tijd'. Maar voorlopig wens ik hem niet te ontvangen. Zolang ik nog heftig verdriet heb, onderhoud ik naar mijn gevoel contact met Margit. Het is een manier om haar onder de levenden te houden.

,,Ik wil de komende maanden optreden met pianist Ivo Jansen. Hij speelt Kinderszenen van Schumann; ik draag gedichten voor. Een eerbetoon aan Margit. Muziek, dat moet doorgaan, dát is mijn passie. Een mooi gedicht schrijven is klein geluk – groot geluk is een Chopin-étude goed laten klinken. Geloof het of niet, ik haak niet zo naar mijn auteurschap.''

Stel dat een cynicus tegen u zegt: `Als schrijfster van boeken met het thema verlies zit u op een writer's goldmine.'

,,Dan krijgt-ie een klap. Daarna antwoord ik: je hebt gelijk. Alles wat een mens aan narigheid meemaakt, kan reden zijn om te schrijven. Maar voor hetzelfde geld wordt het een blokkade. Je kunt honderd keer psychoanalytica zijn: als het om jezelf gaat, heb je niets aan die vakkennis. Een mens is niet in staat om zichzelf à la Baron van Münchhausen uit het moeras te trekken.

Ik hoop dat ik op den duur mijn werk als therapeute kan oppakken. Na Margits dood heb ik alle patiënten met pijn in het hart overgedragen aan collega's. Het zou prachtig zijn als ik straks weer innerlijk beschikbaar ben voor anderen. Maar nu voelt het alsof ik over het jaar 2043 spreek. Ik sta met mijn rug naar de toekomst.''

`De IJsdragers' van Anna Enquist is het Boekenweekgeschenk tijdens de Boekenweek, van 13 tot en met 23 maart.

`Ik schrijf nu hele harde, nare poëzie'

`Ik zou graag eens wat lichts schrijven'