Revolutionair en grootgrondbezitter

In 1929 treffen drie jonge Midden-Amerikaanse schrijvers elkaar in Parijs. Het zijn de Cubaan Alejo Carpentier, de Guatemalteek Miguel Angel Asturias en de vorig jaar overleden Venezolaan Arturo Uslar Pietri. Ze zijn op zoek naar nieuwe literaire vormen die uitdrukking kunnen geven aan de specifieke werkelijkheid van Latijns Amerika, maar ondergaan tegelijk de invloed van het op dat ogenblik alomtegenwoordige surrealisme. Uit die kruisbestuiving wordt het `magisch realisme' geboren, dat vanaf de jaren zestig stormenderhand de wereld zal veroveren en sindsdien bijna synoniem is geworden met de Latijns-Amerikaanse literatuur.

Alledrie de schrijvers publiceren in het begin van de jaren dertig een boek dat tot de eerste voorbeelden daarvan gerekend wordt. Carpentier beschrijft de typisch Cubaanse mengeling van Spaanse en zwarte cultuur in Ecue-Yamba-ó (1933), Asturias bundelt in 1930 zijn verhalen in De legenden van Guatemala en datzelfde jaar schrijft Uslar zijn historische roman Rode lansen, waarin hij de onafhankelijkheidsoorlog van Venezuela tegen de Spaanse koloniale macht (1811-1821) beschrijft. In datzelfde jaar wordt de honderdste sterfdag van Simon Bolívar herdacht, wiens persoon in dit boek voortdurend op de achtergrond aanwezig is.

Rode lansen vertelt het verhaal van de plantagebezitter Fernando Fonta, die door de liberale ideeën van de Franse Revolutie wordt aangestoken en zich aansluit bij het revolutionaire kamp. Op hetzelfde moment komen zijn eigen slaven in opstand onder leiding van hun charismatische, maar wrede en machtsdronken opzichter Presentación Campos. De ironie wil dat zij min of meer bij toeval de kant kiezen van de Spaanse kroon en zich zo keren tegen de vooruitgang die hen – althans in theorie – een betere toekomst belooft. Noch Fonta, noch zijn vriend, de Engelse kapitein David, noch zijn zuster Inés, die door Campos wordt verkracht en verminkt, noch de opzichter zelf zal het einde van de bevrijdingsoorlog halen.

Die enigszins pathetische trek is niet de enige zwakte van Rode lansen, waarmee Uslar in 1931 op vijfentwintigjarige leeftijd als romancier debuteerde. Ook de opbouw van het boek, dat zich eerst op Fonta concentreert, maar eindigt met de doodsstrijd van Campos, is weinig geconcentreerd. En bij het `magisch realisme' ervan moet men zich niet de sprookjesachtigheid voorstellen die een grootmeester als Gabriel García Márquez een generatie later aan zijn boeken wist mee te geven, ook al was het Uslar zelf die die term na de Tweede Wereldoorlog in circulatie bracht.

Rode lansen wordt veeleer gekenmerkt door de typische wreedheid van de Latijns-Amerikaanse dictatorroman, waarmee ook Carpentier (De methode) en Asturias (Mijnheer de president) later naam zouden maken. Zo vonden hun oeuvres uiteindelijk toch een gemeenschappelijke noemer, al was die – als grondtoon van een nieuwe Latijns-Amerikaanse literatuur – misschien schrikwekkender dan hun aan het eind van de jaren twintig voor ogen had gestaan.

Arturo Uslar Pietri: Rode lansen. Uit het Spaans vertaald door Rikkie Degenaar. In de Knipscheer, 220 blz. €20,42