Planten en bomen van slag, want het is al lente

Januari 2002 was uitzonderlijk zacht. De lente begint de laatste jaren steeds vroeger.

Wie goed luistert op straat, kan de merel al horen zingen. Twintig jaar geleden was dat pas in maart. ,,Er belden deze week vrienden met hooikoorts die vreselijk lopen te niezen'', zegt ir. Arnold van Vliet van de vakgroep milieusysteemanalyse aan de Universiteit van Wageningen. ,,Staat er soms al iets in bloei?'', vroegen ze me. ,,Een hooikoortspatiënt is een van de beste indicatoren dat het bloeiseizoen is begonnen.''

Planten en bomen zijn van slag. Baltus Zwart was dertig jaar meteoroloog bij het KNMI. Hij noteert sinds 1962 de bloeidatum van bomen en planten in zijn omgeving. Hij zag dat sinds 1988 de hazelaar 23 dagen eerder bloeit dan in het tijdvak 1975-1988; het speenkruid 23 dagen eerder, de krokussen 14 dagen en de gele kornoelje 20 dagen.

Sinds 1985 is het broedseizoen van kieviten en koolmezen gemiddeld met bijna twee weken vervroegd, zegt Ruud Foppen van SOVON Vogelonderzoek Nederland. Vooral vogels die in de buurt van Nederland blijven, reageren op de temperatuurstijging. Vermoed wordt dat ze reageren op het eerder uitlopen van bomen en struiken.

De lente is begonnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het sinds 1988 bijna een hele graad warmer is geworden. Er is sindsdien nog maar een échte winter geweest, in 1996. Verder was het kwakkelen. Het lijkt erop dat deze trend zich doorzet. ,,De afgelopen herfst hoort bij de zachtste vijf in honderd jaar'', zegt dr. Rob van Dorland van het KNMI. Op 28 januari was het gemiddeld 11,3 graden in Nederland, een nieuw record voor deze tijd, en voor de hele maand het op drie na hoogste gemiddelde in zeker honderd jaar.

Het wordt warmer én natter. Afgelopen zondag viel er 46,4 millimeter in Zeeuws-Vlaanderen, de hoogste `dagsom' sinds 1951 voor januari. Britse onderzoekers schreven deze week in het wetenschappelijke tijdschrift Nature dat Nederland in de tweede helft van deze eeuw vijfmaal vaker te maken zal krijgen met extreem natte winters.

De klimaatverandering in Nederland komt voor vijftig procent door het versterkte broeikaseffect, zegt het KNMI. De andere vijftig procent wordt veroorzaakt door het luchtdrukverschil tussen de Azoren en IJsland, de zogeheten Noord Atlantische Oscillatie (NAO). Als dit drukverschil gemiddeld groot is, overheerst een westelijke windstroming over de Atlantische Oceaan waardoor winters zacht zijn; overheersen oostelijke stromingen (over Rusland), dan zijn de winters in Nederland koud en droog.

Sinds 1988 overheerst de westelijke stroming. Toeval, zegt het KNMI. Maar gepensioneerd meteoroloog Baltus Zwart vindt het wel héél erg lang duren. ,,Vroeger wisselde de NAO ongeveer om de vijf tot zeven jaar'', zegt hij. Onderzocht wordt momenteel of de NAO misschien ook afhankelijk is van het broeikaseffect.

[Vervolg LENTE: pagina 6]

Het fluitekruid in paniek

[Vervolg van pagina 1]

Fenoloog Van Vliet van de Universiteit Wageningen bestudeert `jaarlijks terugkerende natuurverschijnselen', zoals bloei van planten en bomen en het broedgedrag van vogels. Deze wetenschap, fenologie genaamd, was lange tijd verwaarloosd, maar door het veranderende weerbeeld in West-Europa is er hernieuwde belangstelling voor. Vorig jaar is in samenwerking met het VARA-radioprogramma Vroege vogels een netwerk van amateurwaarnemers opgezet dat via www.natuurkalender.nl kan reageren. Dat levert soms bizarre meldingen op, zegt Van Vliet.

Zanglijsters bijvoorbeeld, die nu al elke ochtend zingen, een maand te vroeg. Een grote bonte specht die half december zijn `roffel' liet horen – ook een maand te vroeg. En een watersalamander die zich op 16 januari al in Hollandscheveld ophield – drie weken vroeger dan vorig jaar. ,,Maar het meest in paniek is het fluitekruid. Dat stond begin december al ergens in volle bloei. Normaal is mei tot november'', zegt Van Vliet.

Als de temperatuur in Nederland meegroeit met het wereldgemiddelde, zou er een stijging van 1,4 tot 5,8 graden Celsius tot 2100 kunnen optreden, zo berekende het Intergovernmental Panel on Climate Change. Kan de Nederlandse natuur dat bijbenen? Misschien niet, zegt onderzoeker dr. Marcel Visser van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Niet elke soort past zich even flexibel aan de nieuwe temperaturen aan, zo ontdekte hij. Rupsen, bijvoorbeeld, ontwikkelen zich bij hoge temperaturen veel sneller tot poppen. De ontwikkelingssnelheid van jonge vogels wordt niet door de temperatuur beïnvloed. Zo kan het gebeuren dat vogels op zoek gaan naar rupsen voor hun jongen als de rupsen allang verpopt zijn. Geen rupsen betekent geen voedsel. Een dergelijke situatie bestudeerde Visser in het ecosysteem `eik, wintervlinder, koolmees', maar hij denkt dat elk ecosysteem ermee te maken heeft. ,,Vrijwel alle vogels die laat in mei nog eieren leggen zijn te laat voor de rupsen. Dat is echt een probleem.''

Ook planten en bomen kunnen zich niet eeuwig aan het klimaat blijven aanpassen. Satellietbeelden laten weliswaar zien dat de vegetatie in Europa zich noordwest-waarts opschuift. Maar, zeker in Nederland, blokkeren steden, knooppunten van wegen en gekapte landschappen de opmars.

Misschien heeft iedereen uiteindelijk wel ongelijk. De klimaatstijging kán een kortdurende trend zijn, ook al duurt deze al bijna 15 jaar. ,,In 1956 kregen we na een relatief warme periode ineens een extreem koude'', zegt Baltus Zwart. Als de NAO langdurig omslaat, hebben we over drie weken een Elfstedentocht. En dan zwijgt de merel weer.