Oranje zoetigheid

Het koningshuis heeft met Máxima en Willem-Alexander de harten van het volk weer gestolen, wordt alom gezegd. Oranje is weer volks geworden. Maar hoe diep gaat de liefde voor het koningshuis? Een confetti van boeken en boekjes aan de vooravond van Het Huwelijk.

De tijd is voorbij dat journalisten die kritisch schreven over de monarchie of over wangedrag van het staatshoofd werden afgekocht als zij beloofden af te zien van nieuwe onthullingen. Weliswaar krijgen overijverige correspondenten die blijven speuren naar `foute' gedragingen van de Zorreguieta's en hun vrienden van premier Kok het verzoek om het feestje niet te bederven, maar van censuur is geen sprake.

Dat is wel anders geweest. Wie zijn stem durfde te verheffen tegen Koning Willem III belandde zonder pardon in de gevangenis, zoals de anarchist Domela Nieuwenhuis. Nog onder Juliana, begin jaren vijftig, waren de Nederlandse hoofdredacteuren op een enkele uitzondering na zo gezagsgetrouw dat zij het nieuws over de Greet Hofmans-affaire, uit de krant hielden. De Hagenaar J. Fabius, die er in zijn eenmansblad wel over berichtte, belandde voor tien dagen in de cel wegens majesteitsschennis.

Vermoedelijk zal de journalist Willem Oltmans zo'n vonnis bespaard blijven. Temidden van een stortvloed aan Oranjeboeken en -boekjes die aan de vooravond van het huwelijk tussen kroonprins Willem-Alexander en zijn Argentijnse bruid zijn verschenen, publiceerde hij het van haat en persoonlijke rancune doortrokken pamflet Lieve Máxima. De Oranjes, die (op de voet gevolgd door Oltmans zelf) `het ruimst gesubsidieerde theater in het vaderland' vormen, zijn volgens hem `niet goed bij hun hoofd' en vertonen `een ongeneeslijke aantrekkingskracht voor heren en nu ook een dame, met een indirect fascistische achtergrond'.

In een aanzienlijk diepgravender boek, dat alleen wegens het fel oranje omslag enigszins op het schotschriftje van Oltmans lijkt, gaat de van huis uit christelijk-historische historicus Coos Huijsen ostentatief aan de andere kant hangen. De Oranjemythe, een postmodern fenomeen heet zijn apologie van de monarchie, waarin hij erkent dat het koningschap vanuit een rationeel en democratisch oogpunt niet te verdedigen valt maar wel vanuit de behoefte aan gemeenschapszin en nationale cohesie. Het koningshuis als nationale mythe, heeft volgens Huijsen een gunstig effect op de nationale samenhang, wat de democratie ten goede komt. De `samenbindende en inspirerende functie' van een nationale mythe in een parlementaire democratie vindt hij belangrijker dan een abstracte voorkeur voor hetzij een republiek, hetzij een koninkrijk. Huijsens enige kritische noot ten aanzien van de monarchie is zijn voorstel om het koningschap, net als `iedere functie die we serieus nemen', van tijd tot tijd te evalueren.

De vraag is in hoeverre de lawine van nu verschenen publicaties als basis kan dienen voor een evenwichtige evaluatie. Op papier blijkt de waardering voor het koningshuis nogal eenzijdig positief uit te vallen, waarschijnlijk mede als gevolg van het aloude republikeinse dilemma dat antimonarchisten weinig woorden aan het koningshuis willen vuilmaken, maar daarmee het terrein overlaten aan bejubelaars van de monarchie. Toen Wilhelmina in 1898 als koningin werd ingehuldigd, schrijft media-historicus Henri Beunders in de bundel De monarchie. Staatsrecht, volksgunst en het Huis van Oranje, hielden republikeinse parlementariërs zich bewust afzijdig van koninklijke optredens en was de verslaggeving bijna geheel in handen van pro-Oranje-journalisten. De voorzitter van de Nederlandse journalistenkring, Charles Boissevain, sprak bij de verwelkoming van buitenlandse verslaggevers: `Waarde ambtgenoten, toont ons uw genegenheid door mede in te stemmen met onzen kreet: Vivat Regina. Leve de koningin.'

Leve het koningshuis, is ook de overheersende teneur in het fraai uitgegeven en overdadig geïllustreerde Wij, Oranje. De geschiedenis van een lastig vorstenhuis en een lastig volk. Dit boek van de journalisten Aukje Holtrop en Peter Brusse, geschreven naar aanleiding van de gelijknamige NCRV-televisieserie opent met de zinsnede: `De liefde voor het koningshuis groeit met de dag'. Natuurlijk vragen de auteurs zich vervolgens af of die liefde meer voorstelt dan `opwinding rond een mooie bruid'. Het antwoord komt, zo'n 160 met plaatjes en historische anekdotes gevulde pagina's verder, van de cultuurhistorici Herman Pleij en Gerard Rooijakkers. Zij menen dat hedendaagse republikeinen tegen de tijdgeest in zwemmen. `Hun argumenten kloppen en snijden hout, maar met het gevoel weten zij geen raad.' Ook voor schrijfster en psychoanalytica Anna Enquist is `gevoel' de kurk waarop de monarchie drijft: `Met je volwassen verstand zeg je: laten we nou gauw ophouden met dat rare gedoe en snel een republiek maken. Maar het kind in ons geniet er zo van. Zo ingewikkeld zit het in elkaar.'

Is het zo ingewikkeld? In de bundel De Monarchie, het meest serieuze Oranjeboek dat ter gelegenheid van `Het huwelijk' op de markt is gebracht, maakt oud-hoofdredacteur van Elsevier H.J. Schoo in een handomdraai duidelijk waarom de liefde voor het koningshuis irrationeel is en de republikeinen van oudsher het intellectuele gelijk aan hun kant hebben. Voor hedendaagse republikeinen, schrijft hij, is de republiek `een kwestie van goede smaak en geestelijke hygiëne. De monarchie is niet slechts een belediging van het gezond verstand, zij is ook smakeloos en potsierlijk.[...] A fortiori geldt de ergernis van de neo-republikeinen de stijlloosheid van de aanhangers van de monarchie, de sinds de jaren zestig alleen maar in tal en last gegroeide massa van orangistische kleinburgers. De populaire monarchie steunt niet op elites, maar op het ,,volk' in zijn treurigste domste gedaante.'

Beunders en Schoo doen in deze bundel een verdienstelijke poging het huidige `humeur van de natie' af te zetten tegen de extreem antimonarchistische stemming van een kleine veertig jaar geleden, toen Beatrix het waagde met de Duitser Claus von Amsberg aan te komen. Niet zozeer het verlangen naar een republiek veroorzaakte in 1966 de rellen rond het toenmalige koninklijke huwelijk, maar de algemene rebellie tegen de autoriteiten en het establishment.

Over het nationale humeur ten aanzien van het huidige koninklijke huwelijk geven de talrijke Oranjeboeken geen uitsluitsel. Dankzij de wijze waarop premier Kok heeft geopereerd in de kwestie Jorge Zorreguieta en het in een fotoboek vastgelegde charme-offensief waarmee Máxima zich in een mum van tijd tot een van de populairste Oranjes ontpopte, meent Schoo dat een sentimenteel volks orangisme, bereid tot instantliefde en aanhankelijkheid, het weer moeiteloos heeft gewonnen van republikeinse sentimenten.

Maar hoe stabiel is dat volkse orangisme? Volgens Schoo zullen de Oranjes zich op den duur alleen kunnen handhaven met steun van het `Telegraaf-lezende klootjesvolk', zoals Provo het pejoratief noemde. Tegenwoordig bestaat dit volk grotendeels uit opwaarts mobiel gericht middenkader en het is maar de vraag of dat een stabiele achterban van het koningshuis is. Op termijn zou het de monarchie bovendien kunnen opbreken dat koningin Beatrix juist het deel van de bevolking dat geneigd is tot een infantiele vorm van aanhankelijkheid, nauwelijks tegemoet komt.

Veeleer zocht de koningin er wordt in bijna alle publicaties op gewezen aansluiting bij `de intelligentsia', terwijl ze de traditionele Oranje-klandizie verre van zich hield. Een meesterzet noemt Schoo de wijze waarop Beatrix het radicale, potentieel republikeinse gemoed van de generatie van de jaren zestig tot bedaren bracht door te pacteren met de meest vooraanstaande exponenten (onder anderen Harry Mulisch en Renate Rubinstein) ervan. Ten paleize ontving ze progressieve culturati, terwijl de deelnemers aan de traditionele Soestdijkse défilés het nakijken hadden, omdat het koningshuis op hun onvoorwaardelijke steun toch wel kon rekenen. Vervolgens gingen voetbalhooligans en hossende Koninginnedagvierders met de steeds ordinairder aandoende kleur oranje op de loop. Het nu dominante monarchisme is, in de woorden van Schoo, een kind van Veronica-liberalisme en populisme: `een tikje oppervlakkig en vulgair.'

Het wordt, met andere woorden, steeds minder chic om voor Oranje te zijn. Zij die zich willen onderscheiden van het plebs, zelfs verstokte monarchisten, doen er als het over Oranje gaat, dan ook bij voorkeur het zwijgen toe. Afgaande op de lauwe reacties die de festiviteiten rond Máxima en Willem-Alexander tot nu toe hebben uitgelokt, lijkt het humeur van de natie vooral onverschillig: niet uitgesproken republikeins, maar bepaald ook niet overlopend van Oranjegevoel. De meeste politici wagen zich uit angst voor zetelverlies niet aan uitspraken ten nadele van de monarchie, maar de kiezers worden niet warm of koud van het onderwerp. Pim Fortuyn spreekt zich unverfroren uit voor de republiek, wat hem blijkens de opiniepeilingen niet wordt aangerekend.

In een interview met het Volkskrant Magazine verklaarde A.J. Dunning van het Republikeins Genootschap dat `de komst van Máxima' de aanhangers van de republiek twintig jaar achterop heeft gebracht, maar dat is, vanuit zijn optiek, te pessimistisch geredeneerd. Niemand wil het feestje verpesten, ook dat zou niet behoorlijk zijn, maar piëteit met of zelfs sympathie voor bruid en bruidegom is geen betrouwbare graadmeter voor steun aan de monarchie als staatsvorm. Het huwelijk van een troonpretendent, omstreden of niet, is hoe dan ook geen geschikte aanleiding om de monarchie ter discussie te stellen. Het `netste moment' daarvoor doet zich volgens Schoo voor bij een troonwisseling en als we op de recente Oranjelectuur afgaan, liggen er bij een toekomstige abdicatie van Beatrix kansen voor Dunning en de zijnen. Want Willem-Alexander...

In vrijwel alle nu verschenen boeken wordt openlijk getwijfeld aan de staatkundige capaciteiten van de kroonprins. Zelfs een eerbiedig monarchist als Huijsen plaatst vraagtekens bij zijn `geestelijke bagage'. Nogal eufemistisch schrijft hij te moeten toegeven `dat Willem-Alexander lang, inhoudelijk gezien, te weinig profiel heeft gehad'. Zijn verdediging van Jorge Zorreguieta, met een beroep op voormalig juntaleider Videla, noemt Huijsen `een vergissing', die op het conto van de RVD moet worden geschreven. Alleen adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf Kees Lunshof, die een bijdrage leverde aan De Monarchie, heeft vertrouwen in de kroonprins wiens `spontane reacties' hij roemt, `ook al gaat er wel eens iets fout.'

Mocht het op den duur een keer goed fout gaan, dan zal er mogelijk een aanzienlijk actiever potentieel dan het huidige muppetachtige Republikeins genootschap van Dunning cum suis bereid zijn de republiek op de agenda te plaatsen. Schoo wijst in dit verband op de groeiende `moderne meritocratie' die haar hoge posities toeschrijft aan individuele verdiensten en niet aan een erfelijk privilege. De `stijlkritiek' van deze nieuwe elites op de monarchie en hun afkeer van het gewone volk dat ze net ontgroeiden, komen voort uit statusangst en distinctiedrang. Op hun eigen wijze jagen de moderne nouveaux riches hun emancipatie na. `De monarchie is hun glazen plafond: zij kunnen alles bereiken [...] maar staatshoofd worden, in elk volwassen land principieel mogelijk, nee.' Bovendien legt Schoo er nog eens fijntjes de nadruk op dat juist deze meritocratische bovenlaag door Beatrix en haar entourage stelselmatig is genegeerd. `Beatrix coiffeerde linkse cultuurdragers en intellectuelen, en won zo de vorige oorlog, maar toonde nauwelijks belangstelling voor de managers en entrepreneurs die de postindustriële economie tot bloei brachten.'

Van wie moet het koningshuis in de toekomst steun verwachten als een omhoog vallende middenklasse het uit emancipatie- en dinstinctiedrang laat afweten, terwijl de voor een groot deel uit allochtonen bestaande onderklassen van huis uit geen enkele affiniteit met de Oranje-dynastie heeft?

In de meeste publicaties wordt de vraag naar de eventuele gevolgen van de multiculturele samenleving voor het `Oranjegevoel' niet gesteld. Alleen Coos Huijsen gaat er zijdelings op in. `Als bovenpartijdig instituut dat tevens de nationale mythe belichaamt, blijft er voor het Oranje-koningschap ook nu nog een belangrijke taak weggelegd als maatschappelijke integratiefactor. De ontwikkeling in de richting van een multiculturele samenleving vergroot de zorg om de maatschappelijke samenhang.'

Huijsens ziet de actuele betekenis van de Oranjemythe in de bijdrage van het koningshuis aan een nationale identiteit en nationale samenhang als tegenwicht voor de desintegratie waarover velen zich zorgen maken. Is de monarchie een bestanddeel van de nationale identiteit? Dit wordt betwist in de historische verhandeling van Thomas von der Dunk, waarmee de bundel De monarchie opent. De Nederlandse identiteit, schrijft Von der Dunk, is sinds de Opstand onder leiding van Willem de Zwijger niet monarchistisch maar republikeins. `De Republiek als federatie van vrije, soevereine gewesten was voor alle politieke stromingen die zich de eerstvolgende twee eeuwen in Den Haag deden gelden een vanzelfsprekendheid, ook voor de aanhangers van de Oranjepartij, die zich na Napoleon zo massaal tot de monarchie zouden bekeren.' De negentien jaar zonder de Oranjes (van 1795 tot 1814) noemt hij, gestaafd met allerlei voorbeelden, in staatkundig opzicht `de meest zegenrijke periode uit de Nederlandse geschiedenis.'

Moeilijk hebben de voorstanders van de monarchie het ook in de recente literatuur met de legitimatie van erfopvolging. Het loutere feit dat de koning zijn ambt verwerft door erfrecht is niet te rijmen met democratische uitgangspunten, dat geeft zelfs Kees Lunshof toe, maar omdat de overgrote meerderheid van de bevolking het koningschap van de Oranjes steunt, hoeft volgens hem niemand zich iets van principiële bezwaren daartegen aan te trekken. De aanhangers van de monarchie beroepen zich dus wel degelijk op een democratische legitimatie ervan door `de overgrote meerderheid' (die ongetwijfeld bestaat, maar zich nu eenmaal niet via staatkundige procedures kan manifesteren).

Opmerkelijk genoeg brengt Ineke Holtwijk, correspondent van de Volkskrant en het NOS-journaal in Argentinië, op soortgelijke wijze de veronderstelde volkswil in stelling om Jorge Zorreguieta te verdedigen. Zij noemt diens rol tijdens het Videla-bewind irrelevant `omdat de militaire coup in 1976 gewenst werd door de meerderheid van de Argentijnen', zo is te lezen in René ter Steeges boek Land van herkomst. Argentinië en Máxima. Overigens plaatsen de gegevens die Ter Steege verzamelde over de opvattingen van vader en moeder Zorreguieta Willem-Alexanders opmerking dat hij en Máxima volgens dezelfde normen en waarden zijn opgevoed, in een merkwaardig licht. In 1981 bracht Jorge Zorreguieta in een toespraak een hommage aan de Argentijnse strijdkrachten, dezelfde strijdkrachten die zich volgens de toenmalige Amerikaanse president Jimmy Carter te buiten gingen aan `een wrede mensenjacht'. Máxima's moeder – het werd al eerder door RTL-Nieuws wereldkundig gemaakt – bleef de rol van het leger prijzen, zoals blijkt uit een petitie die ze in 1987 ondertekende.

Hoe men de mening van de meerderheid of zelfs de overgrote meerderheid van de bevolking ook inschat, de volkswil is volledig irrelevant voor de vraag wie in een monarchie staatshoofd is (hoe zou Willem-Alexander dat eigenlijk rechtvaardigen en waarom wordt hem daar nooit naar gevraagd in interviews?) Wèl terzake doen de staatsrechtelijke haken en ogen van de constitutionele monarchie. Harry van Wijnen bundelde de Memo's voor Máxima die hij afgelopen jaar wekelijks in het Volkskrant Magazine publiceerde en waarin hij de toekomstige echtgenote van het toekomstige staatshoofd inwijdde in de grondwetsartikelen over het koningschap. In De Monarchie is een bijdrage over de ministeriële verantwoordelijkheid opgenomen van het Tweede-Kamerlid Peter Rehwinkel (PvdA). Zijn stelling dat zwakke politici de monarchie kwetsbaar maken, is inmiddels nogal uitgekauwd. Het is in ons grondwettelijke bestel een vanzelfsprekendheid dat elke ruimte die de koningin neemt om invloed uit te oefenen haar wordt geschonken door ministers die haar niet durven tegenspreken. Evenals alle anderen die over de invloed van het staatshoofd en de grenzen van zijn macht schrijven, beroept Rehwinkel zich op het boek van Walter Bagehot, The English Constitution uit 1867. Van Bagehot is het gevleugelde woord dat de gedepolitiseerde monarch slechts kan adviseren, aansporen en vermanen.

De aardigste anekdote over politici met te veel ontzag voor de koningin komt van Huijsen. In 1976 kwam tijdens de Lockheed-affaire een parlementaire delegatie op bezoek bij koningin Juliana om over het milieu te praten. Kamerlid Maarten Schakel zou het gesprek leiden en had er bij zijn collega's op aangedrongen niet over geluidsoverlast van vliegtuigen te praten. Dat zou al snel aan Lockheed doen denken, wat de koningin in verlegenheid kon brengen. Telkens als Juliana zelf over geluidsoverlast begon, leidde Schakel het gesprek af door te klagen over kwakende kikkers in zijn tuin. Op het laatst vroeg de koningin nogal kribbig waarom de heer Schakel steeds weer die kikkers te berde bracht, waarvan men blij mocht zijn dat die er nog waren, terwijl het lawaai van vliegtuigen toch veel hinderlijker was.

In de Oranje-publicaties blijft het bij dergelijke, veelal bekende, anekdotes. Echte onthullingen ontbreken, of het moest de voorspelling zijn van paragnost Marius Inderfurth die in zijn brochure De toekomst van Willem-Alexander & Máxima aankondigt dat het paar als eerste kind een dochter krijgt en dat Beatrix in 2010 zal aftreden. Maar het blijft een open vraag of het dan ook komt tot de door Huijsen gewenste evaluatie van het koningshuis.

Peter Brusse en Aukje Holtrop: Wij, Oranje. De geschiedenis van een lastig vorstenhuis en een lastig volk. Waanders, 176 blz. € 22,50

Marius Inderfurth: De toekomst van Willem-Alexander & Máxima. Matheco (Eindhoven), 59 blz. € 12,–

Coos Huijsen: De Oranjemythe. Een postmodern fenomeen. Europese Bibliotheek, 199 blz. € 21,–

Remco Meijer en H.J. Schoo (red.): De monarchie. Staatsrecht, volksgunst en het Huis van Oranje. Prometheus, 280 blz. € 15,50

Willem Oltmans: Lieve Máxima. Papieren tijger, 29 blz. € 7,–

Raymond Rutting en Frans Lueb: Máxima on tour. De zestien bezoeken in beeld. Het Spectrum, 96 blz. € 12,50

René ter Steege: Land van herkomst. Argentinië en Máxima. Van Gennep, 207 blz. € 13,50

H.A. van Wijnen: Memo's voor Máxima. Balans, 107 blz. € 9,–