Niets persoonlijks

Niets persoonlijks, Stef, maar ik denk

dat alles nu wel zes keer is gezegd

en tien keer is betreurd. Straks, Stef,

straks sluit de bar en hebben we elkaar

met duizend woorden niets gezegd.

Je weet: er viel wat regen in de straten

van ons leven, soms hing er een zon

en soms verzonnen we een storm.

We waren oud, en daarom nog

zo jong, we spelden Slauerhoff

en Blake, mijn god, mijn Stef, wie weet

nog hoe je aan het leven leed?

Je dacht dat achter alle ramen van de stad

het leven beter dan het jouwe was.

Niets persoonlijks, Stef, maar wie zegt

ons dat vriendschap van ijzer is?

Je weet: ik kreeg Marleen en jij

lag dagen als een steen in bed,

jij kreeg Colette, ik dacht veel sléchts

en vond de fles. Niets persoonlijks,

niets persoonlijks, maar sinds een maand

of zes heeft iemand mij behekst.

Straks sluit de bar, Stef, en heb ik je

met duizend woorden niets gezegd.

Ik dacht dat achter alle ramen van de stad

het leven beter dan het mijne was.

Straks is hij weg en heb ik hem

met duizend woorden niets gezegd.

Straks sluit de tent en weet alleen

mijn wodkaglas hoe laf ik ben.

En zo weeg ik mijn twijfels af,

mompel mijn zorgen in mijn glas

en maak me wijs dat eerlijk zijn,

echt eerlijk zijn, oprecht en naakt,

een slagveld van je leven maakt.

Ik dacht dat achter alle ramen van de stad

het leven beter dan het mijne was.

En alle ramen huilen van gemis.

En iedereen weet waar het beter is.

(op muziek gezet door Maarten van Roozendaal)