`Nadjezjda Mandelstams liefde is het hoogste goed'

Leonard Nolens kreeg de Gedichtendagprijs. Poëzie moet centraal staan in het leven, leerde hij van Mandelstam.

,,De Vlaamse schrijver Daniël Robberechts vroeg zich eens af hoe het komt dat veel mensen tientallen keren naar een bepaald muziekstuk luisteren, maar nooit een boek herlezen', zegt de dichter Leonard Nolens. ,,Een uitzondering vormt voor mij het Tweede Boek, het vervolg van Nadjezjda Mandelstams memoires, want dat haal ik om de zoveel jaar weer uit de kast. Dan herlees ik de aangestreepte passages, en daar zijn er heel veel van, op bijna elke bladzijde.'

Afgelopen donderdag ontving Leonard Nolens (1947) de Gedichtendagprijs voor `Hostie', dat daarmee tot een van de drie beste gedichten van 2001 werd verklaard. `Hostie' staat in Manieren van leven (2001), Nolens' vijftiende bundel sinds het debuut Orpheushanden uit 1969. In 1991 verscheen Hart tegen hart, een voorlopige verzameling van zijn gedichten waarvan in 1998 de vierde, vermeerderde druk verscheen; daarin opgenomen zijn twee gedichten over Osip en Nadjezjda Mandelstam. Nolens woont in Antwerpen en publiceerde ook vier delen dagboeken, waarin hij zich laat kennen als een dichter die letterlijk leeft voor de poëzie.

Begin jaren tachtig las Nolens de memoires van Nadjezjda Mandelstam (1899-1980) voor het eerst. De poëzie van haar man Osip Mandelstam (1891-1938) kende hij toen al via vertalingen door twee andere bewonderde dichters, René Char en Paul Celan. Nolens: ,,Het Tweede Boek is het relaas van een woelige tijd, de eerste helft van de twintigste eeuw in Rusland. Maar het is bovenal de meesterlijke levensbeschrijving van de gedichten van haar man Osip Mandelstam. Dat klinkt misschien een beetje raar, maar die omschrijving zegt exact wat dit boek is. Het vertelt met hartstochtelijke precisie over het ontstaan en het maken van poëzie. Niet op een droge, analytische manier, want, in de woorden van Nadjezjda Mandelstam: `Het gebied van de dichtkunst hoort tot een soort menskunde die met geen methodologische lancetjes is te analyseren'.

,,Het dwarsige van Mandelstams verhaal begint al op de derde bladzij, met de zin: `Het verval van het ik is geen verdienste, maar een ziekte van deze tijd'. Ze beschrijft Osip Mandelstam als een dichter die in extreem moeilijke omstandigheden zijn kinderlijke zorgeloosheid bleef cultiveren. Het hele boek lang heb je als lezer de indruk dat zij als bevoorrechte getuige letterlijk in het brein is gekropen van de man die geen dag zonder haar kon. Ik zeg `letterlijk', want zij heeft de hele Mandelstam uit het hoofd geleerd. Als de mensen gedichten nodig hebben, zei Mandelstam, dan zullen ze die bewaren. Dat heeft zij dus gedaan, voor Mandelstam, die in het kamp omkwam, en voor haarzelf en voor het nageslacht. Dat laatste is essentieel, want de vrijheid van de dichter bestond er volgens Mandelstam in, dat hij zich niet tot zijn naaste richtte, maar tot een verre toehoorder. Tot ons dus.

,,Nadjezjda Mandelstam moest die gedichten wel memoriseren, het stalinistische regime had zijn werk het liefst vernietigd, het was als de dood voor individualisten die niet in de pas wilden lopen. Zeker voor iemand als Osip Mandelstam die, hoe beschaafd en erudiet hij ook was, beweerde dat de dichtkunst buiten de cultuur en buiten de zeden staat. De dichterlijke taal, zei hij, is oneindig veel ruwer en onbehouwener dan de zogenaamde omgangstaal. Dat is een gedachte die mij zeer dierbaar is, maar die je eigenlijk nooit kunt verkopen. Je leest zo vaak over wat ministers, staatssecretarissen en mensen in het cultuurveld proberen te realiseren voor de poëzie. Maar kunnen zij werkelijk iets realiseren voor de poëzie? Er bestaat een eeuwige verwarring tussen kunst en cultuur. Ik heb nooit het gevoel als ik schrijf, dat ik met cultuur bezig ben, dat ik tot de cultuur wil behoren. Misschien wordt poëzie pas cultuur als ze vijftig of honderd jaar oud is, en ik denk niet dat een of ander ministerieel beleid daarin verandering zou kunnen brengen. Het is een beetje romantische gedachte van mij, maar ik denk dat het maken van kunst toch iets is dat gebeurt tegen de cultuur in.

,,Er is, denk ik, geen enkel boek waarvan bepaalde passages mij zo hebben geraakt als deze twee. De eerste staat op de slotpagina: `Mijn laatste droom: ik koop aan het viezige buffet van een vies café wat eten. Er stonden een paar mensen bij, die ik helemaal niet kende, en terwijl ik de eetwaren kocht besefte ik dat ik niet wist waar ik al dat lekkers heen moest brengen, omdat ik niet weet waar jij bent'. De tweede passage gaat als volgt: `Als hij mij terugzag, nadat we van elkaar weg waren geweest, hoe kort ook, deed hij zijn ogen dicht, ging, als een blinde, met zijn vlakke hand over mijn gezicht en bevoelde het zachtjes met zijn vingertoppen. Ik plaagde hem dan: `Het is of jij je ogen niet vertrouwt!' Dan zweeg hij even, maar een volgende keer deed hij weer precies hetzelfde'. Vervolgens schrijft ze een cruciale zin, die kenmerkend is voor de manier waarop de schrijfster honderden bladzijden lang het werk en de persoon van Mandelstam aan elkaar relateert: `En er was helemaal geen reden om hem daarmee te plagen: zowel in zijn verzen als in zijn proza kwam hij altijd weer terug op de tastzin'. Dat is toch een ontroerende manier om iemand te begroeten? Alsof hij pas echt geloofde dat zij het was als hij met zijn hand over haar gezicht was gegaan.

,,Mandelstam schrijft harde, ogenschijnlijk koele, glanzende regels, soms laconiek, nooit sentimenteel, gebeiteld in steen. Zijn vrouw hield van hem en van zijn werk, beide zijn voor haar niet van elkaar te onderscheiden. Dat is een vorm van liefde die ik in geen enkel ander boek en ook niet in het dagelijks leven ben tegengekomen, althans niet op zo'n evidente, aangrijpende manier. Het is wat Roland Barthes noemde `le souverain bien', het hoogste goed.'

De gedachte dat dichter en poëzie één zijn keert op velerlei manieren terug in Nolens' Een lastig portret, Dagboek 1994-1996. `De poëzie heeft mij mogelijk gemaakt', schrijft hij bijvoorbeeld. ,,Er bestaat een tendens om dichter en poëzie zo strikt mogelijk van elkaar te scheiden: er is alleen de tekst, en verder hoeven wij niet te weten wie die man was en hoe hij leefde. Daar ben ik het absoluut niet mee eens. Dat is wat mij ook zo gefascineerd heeft in dit boek, het blijkt maar weer eens dat poëzie pas belangrijk wordt als het ook centraal staat in je leven, als alles zich daar omheen beweegt. Nee, dat is geen ideaal dat je je voorneemt, dat is gewoon zo. Op een bepaald moment wordt poëzie alles. Poëzie wordt datgene waarbinnen je bestaat, wat je doet bestaan ook. Joseph Conrad zegt ergens, `Art makes life'. En zo is het, zonder poëzie zat ik hier niet.'

Nadjezjda Mandelstam, Tweede Boek. Uit het Russisch vertaald door Hans Leerink. G.A. van Oorschot, 1973, 611 blz. Uitverkocht.