Na het trouwen de fabriek uit

Het onderscheid tussen `typisch' mannen- en vrouwenwerk werd doelbewust op de werkvloer van de fabriek gefabriceerd. Het proefschrift van historicus Gertjan de Groot zal het optimisme van beleidsmakers over de arbeidsparticipatie van vrouwen dempen.

Tot haar verbazing en ergernis moest staatssecretaris Verstand van Emancipatiezaken constateren dat de bewuste pogingen van de overheid om de arbeidsparticipatie van vrouwen te verhogen, en hen te laten binnendringen door mannen gedomineerde segmenten van de arbeidsmarkt, steeds opnieuw blijken te mislukken. Niet alleen loopt Nederland achter bij de omringende landen, ook blijft de verdeling van mannen en vrouwen over de verschillende economische sectoren en bedrijfstakken onveranderd scheef. Zo zijn anno 2002 vrouwen niet alleen ondervertegenwoordigd in de industrie, maar ook bij de politie, de brandweer en zelfs bij de meest in het oog springende nieuwkomer van de voorbije decennia, de ICT-sector. Daarnaast blijkt telkens opnieuw dat, hoewel vrouwen vandaag de dag even goed worden opgeleid als mannen, vrouwen nog steeds sterk ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende functies.

In zijn proefschrift Fabricage van verschillen bestudeert de Utrechtse historicus Gertjan de Groot de ongelijke verdeling van mannen en vrouwen over beroepen en functies – hiervoor gebruikt hij consequent de term `seksesegregatie' – in het industriële arbeidsproces in Nederland tussen 1850 en 1940. In zijn goed geschreven en mooi geïllustreerde boek komt De Groot tot enkele opmerkelijke conclusies die het optimisme van beleidsmakers zoals de staatssecretaris, waarschijnlijk wat zullen temperen.

Dàt er in de Nederlandse industrie onderscheid gemaakt werd tussen mannen- en vrouwenwerk, staat na het verschijnen van Fabricage van verschillen vast. Op een of andere manier werd telkens verschil gemaakt tussen het werk van mannen en van vrouwen. De Groot maakt aannemelijk dat er geen objectieve grondslag was voor dit onderscheid, maar dat het telkens opnieuw – uitgaande van de specifieke situatie ter plaatse - geconstrueerd werd. In dat licht moet ook de titel van zijn boek bezien worden: de verschillen werden doelbewust, veelal op de werkvloer, gefabriceerd.

De verklaring die De Groot aandraagt, is onthullend. Uit zijn onderzoek blijkt dat in het merendeel van de gevallen de seksesegregatie in het prille begin van het industrialisatieproces ontstond en daarna nog nauwelijks veranderde. Als er sprake was van geleidelijke industrialisatie vanuit de huisindustrie, werd de bestaande seksesegregatie overgenomen in de nieuwe fabrieken. Zo werd in schoenfabrieken de functiescheiding tussen mannen en vrouwen overgenomen zoals die in de huisnijverheid bestond: de vrouwen werkten als stikster, de mannen namen het snijden, het stansen, het walsen en het maken van de zool voor hun rekening.

In gevallen waar een nieuwe industriële activiteit geen wortels in de huisnijverheid had, werd de seksesegregatie overgenomen van de situatie in het buitenland waar de machines en/of de kennis vandaan kwamen. Het was niet de buitenlandse techniek die voor de inkleuring van de seksesegregatie zorgde, maar de specifieke opvattingen van de meegekomen instructeurs die uiteindelijk bepaalden wat in de pas opgerichte Nederlandse bedrijven mannenwerk werd en wat vrouwenwerk. Zo vond de seksesegregatie in de verschillende afdelingen van de aardewerkfabriek De Sphinx aanvankelijk zijn oorsprong in het Belgische Ardennes en vervolgens in het Engelse Sunderland en later Staffordshire (de Regouts stonden op goede voet met de Wedgwoods, die in dit gebied gevestigd waren).

Als functies eenmaal een sekselabel hadden, dan veranderde dit niet snel: mannen werden niet zomaar door vrouwen vervangen of omgekeerd. Hoewel het vervangen van mannen door vrouwen de ondernemer een fors financieel voordeel zou kunnen opleveren – de lonen van vrouwen bedroegen grofweg 50 à 70 procent van dat van mannen – kwam dit in de door De Groot bestudeerde bedrijfstakken en bedrijven niet voor. Als zijn studie één ding heeft duidelijk maakt, dan is het wel dat er kennelijk meer voor nodig was dan direct materieel voordeel.

En passant minimaliseert de auteur de rol die enkele externe actoren kunnen hebben gespeeld bij de totstandkoming of instandhouding van de seksesegregatie in de Nederlandse industrie. Zo is volgens hem de rol van de vakbonden blijkbaar overdreven. Het is een ingeburgerde opvatting dat de vakbonden – een van de typische mannenbolwerken – zich fel geweerd zouden hebben bij pogingen om de beter betaalde mannen door goedkopere vrouwen te vervangen. Het onderzoek van De Groot bevestigt de rol van de vakbonden bij het bestendigen van een eenmaal bestaande seksesegregatie, maar ze oefenden geen invloed uit op de aanvankelijke verdeling van het werk tussen mannen en vrouwen.

De auteur plaatst vraagtekens bij de vermeende invloed van de katholieke kerk op het beperken van fabrieksarbeid door vrouwen. Alleen in die situaties waarin op een eenvoudige manier aan de verlangens van de katholieke geestelijkheid tegemoet gekomen kon worden, gebeurde dit. Zo kon in de Tilburgse wollenstoffenindustrie de ruimtelijke scheiding van mannen en vrouwen zonder problemen gerealiseerd worden. Ook aan de uitsluiting van gehuwde vrouwen werd gehoor gegeven omdat dit voor de fabrikanten zelfs voordelen opleverde. Vrouwen namen in Tilburg namelijk vooral de eindbewerkingen voor hun rekening. Deze werkzaamheden vonden tot de Tweede Wereldoorlog zowel in de wolfabrieken als thuis plaats. In de fabrieken deden meisjes en ongehuwde vrouwen dit werk, terwijl gehuwde vrouwen ditzelfde werk thuis deden. De thuiswerkende gehuwde vrouwen waren voor de fabrikanten niets meer en niets minder dan een groep flexibele arbeidskrachten die de pieken in de productie opvingen. In tijden van slapte had de fabrikant jegens hen geen enkele verplichting.

De rol van de overheid, zo luidt een van De Groots conclusies, moet evenmin overdreven worden. De invloed van de overheid op de seksesegregatie verliep vooral via de arbeidswetgeving, maar die had zelf een sterk seksespecifiek karakter: de arbeidstijden van vrouwen werden aan banden gelegd, nachtarbeid en werk met gevaarlijke stoffen was verboden. De felle protesten van werkgevers tegen deze beperkende bepalingen hadden tot gevolg dat veelal de angel uit de arbeidswetgeving werd gehaald of dat de regels zodanig werden opgerekt dat er feitelijk weinig veranderde. Het berucht geworden wetsvoorstel uit 1937 van Romme, dat bedoeld was om de werkzaamheden van vrouwen in de industrie terug te dringen ten gunste van de mannen, bleef door het vele en felle verzet daartegen in de ontwerpfase steken. Waar de overheid zélf werkgever was, hield ze voet bij stuk: gehuwde ambtenaressen en gehuwde onderwijzeressen kregen met het trouwboekje ook het ontslagbewijs overhandigd.

Vandaag de dag is de houding van de overheid ten aanzien van de seksesegregatie precies omgekeerd als ruim een halve eeuw geleden. Vertegenwoordigers van de overheid vinden nu dat vrouwen en mannen op de werkplek gelijkwaardig behoren te zijn. In de praktijk blijkt deze materie echter weerbarstig te zijn. Zoals de overheid er een eeuw geleden niet in slaagde om de vrouwen de fabriek uit te krijgen, zo wil het nu maar niet vlotten met de veldtochten die het omgekeerde moeten bewerkstelligen.

G. de Groot: Fabricage van verschillen. Mannenwerk, vrouwenwerk in de Nederlandse industrie (1850-1940) Uitg. Aksant, Amsterdam, 585 blz., ISBN 90.5260.011.2