Mijn Vader

Mijn vader, geboren in 1951, las na het eten uitgebreid de krant. Mijn moeder moest altijd wel een paar maal zeggen dat hij ons naar bed moest brengen. Meestal deed hij het bij de vijfde keer wel. Daar had hij verschillende manieren voor. De ene keer was hij een paard, en mochten we op zijn nek zitten. Dan rende hij de kamer rond, maakte gekke sprongen, boog soms zover voorover dat wij er bijna van afvielen. Aan het eind rende hij de trap op, en liet ons zo in bed rollen. Soms kroop hij op handen en voeten de kamer rond. Hard grommend. Wij liepen hard weg en riepen als we ver bij hem uit de buurt waren: `Ha die leeuw! Ha die leeuw!' Soms kwamen we zo dicht bij dat hij ons aan een been greep. Toen mijn broertje zo oud was geworden dat hij niet meer naar bed wilde, kwam er wat nieuws. Mijn vader zei tegen hem: ,,In de brandweergreep jij!'' En hij legde mijn broertje over zijn rechterschouder. Hij droeg hem zo de trap op. Toen hij weer beneden kwam vroegen wij: ,,Wat is dat pap, de brandweergreep?'' ,,De brandweergreep?'' herhaalde mijn vader gewichtig, en toen vertelde hij ons, dat hij wel eens gezien had dat brandweerlieden zo een slachtoffer droegen.