Meer stampen, minder lawaai maken

Iedereen die zich wel eens ergert aan kinderen die een treincoupé tiranniseren zonder door hun ouders gecorrigeerd te worden, of een visite verpesten omdat er geen cola in huis is, zal genieten van het boek Als ze maar gelukkig zijn. Over kinderen, opvoeden en onderwijs. Beatrijs Ritsema pleit in deze verzameling heldere columns, die eerder verschenen in NRC Handelsblad en Psychologie Magazine, voor strengere opvoedingsmethoden, minder materialisme en een terugkeer naar traditioneler onderwijs (meer `stampen').

Aan de hand van anekdotes uit het dagelijks leven van haarzelf, haar kinderen en hun vriendjes en vriendinnetjes, schetst Ritsema een prikkelend beeld van de veranderde pedagogische cultuur. In de jaren vijftig lieten ouders zich nog door consultatiebureaus dwingen tot gedrag dat inging tegen hun gezond verstand. Ritsema vertelt over een vrouw die `handenwringend bij het wiegje van haar schreeuwende baby de minuten stond af te tellen.' Haar was opgedragen de baby om de vier uur te voeden, en geen seconde eerder. Tegenwoordig, na de protestgolf van de jaren zestig en zeventig, is het ontzag voor deskundigen verminderd. De omgang tussen ouder en kind is veranderd van een `bevelshuishouding' naar een `onderhandelingshuishouding'.

Ondertussen, betoogt Ritsema, laten ouders massaal over zich heen lopen – niet meer door deskundigen, maar nu door hun eigen kinderen. Het onderhandelingsmodel mondt in de praktijk uit in een eindeloze serie `koppelverkopen': je krijgt een snoepje als je je kamer opruimt, Harry Potter-plaatjes als je meegaat naar oma. Het zou beter zijn als gedrag simpelweg gestuurd werd door wat pa en ma willen, punt. Ook betreurt Ritsema dat de lange arm van de leraar is `afgestorven tot een softenonarmpje'. Vroeger deelden onderwijzers straf uit voor kattenkwaad, zelfs als dat buiten schooltijd was begaan. Tegenwoordig worden ze gekleineerd door leerlingen die T-shirts dragen met `Fuck you' erop, en doe rondlopen met schoolagenda's vol pornografische plaatjes. Ritsema vindt de kinderen van tegenwoordig te assertief, mijmert over het `verdwenen' verlegen kind en is blij als ze leest dat kleintjes bang worden van geweld op televisie: `,,Net goed', dacht ik, ,,worden ze toch nog ergens door geïmponeerd.''

Ouders zouden hun kinderen bovendien meer frustratie-tolerantie moeten aanleren – het uitstellen van directe bevrediging van verlangens ten bate van een grotere voldoening later. `Oeverloos hedonisme' van jongeren is volgens Ritsema het problematische gevolg van de falende opvoedingscultuur. De periode van de adolescentie is de afgelopen decennia flink verlengd, constateert ze terecht, door eerdere geslachtsrijpheid en seksuele contacten, langer leren en studeren, en later trouwen en kinderen krijgen. Jongeren tussen de 15 en 25 zouden gebaat zijn bij meer plichtmatigheid, als tegenwicht voor het drankgebruik, zoeken naar kicks en materialisme. Ritsema pleit voor striktere sluitingstijden van cafés, een leeftijdsgrens van minstens achttien jaar voor nachtgelegenheden, verplichte uren `maatschappelijke dienstverlening' – en een verbod van de pornografische `Rooie Oortjes'-schoolagenda.

Ondanks de vage spruitjeslucht klinkt Ritsema's neocalvinistische pleidooi heel zinnig. Op verwende kinderen, die mogelijk opgroeien tot volwassenen die hun verantwoordelijkheid niet nemen, zit niemand te wachten. Toch bekruipt je al lezende de vraag hoe omvangrijk de sociale problemen zijn die ze signaleert, en hoe noodzakelijk het beschavingsoffensief is waarvoor Ritsema – geheel volgens de huidige culturele mode – pleit. Voor veel jongeren is het hedonisme van de adolescentie slechts een fase in hun leven, ter compensatie van het vele leren en studeren. Daarna gaan de meesten nog steeds serieus aan de slag met carrière, relaties en in veel gevallen ook vrijwilligerswerk. Sommigen blijven ongetwijfeld te lang hangen in het adolescentenbestaan, en beelden van veertienjarigen vol Bacardi Breezers stemmen niet vrolijk. Daar staat tegenover dat jongeren straks volledig uitgefeest aan het ouderschap kunnen beginnen, in plaats van – zoals vroeger ongetwijfeld vaak gebeurde – te jong te moeten trouwen en hun leven lang te denken dat ze iets hebben gemist.

En is het werkelijk zo triest gesteld met het gezag van ouders en leraren? Ritsema signaleert een massale angst bij ouders om ruzie te maken met hun kinderen. Die angst zou een logisch gevolg kunnen zijn van het dalende kindertal in ons land, en een daarmee gepaard gaande `vervreemding' van de fenomenen kind en opvoeding. Het gemiddelde autochtone Nederlandse gezin telt nog maar 1,67 kind. De grote markt voor opvoedingscursussen en literatuur over het ouderschap wijst ook niet op veel zelfvertrouwen bij jonge ouders. Waarschijnlijk is dit echter een eliteprobleem, heersend in een maatschappelijke bovenlaag van hoogopgeleide tweeverdieners vol schuldgevoelens over het gebrek aan tijd dat ze vrijmaken voor hun kinderen.

Jammer is verder dat Ritsema er weinig problemen mee lijkt te hebben dat de zorg voor het Nederlandse kind nog steeds vooral door de moeders gedragen wordt. Ouderschapsverlof voor vaders vindt ze bijvoorbeeld onzin. Vrouwen moeten zogen, herstellen van de bevalling en willen graag bij de baby zijn. Maar mannen hebben toch niets te doen als zo'n kind klein is? Dat vaders misschien ook wel graag bij de baby willen zijn en bovendien de moeder kunnen ontlasten door huishoudelijke karweitjes op zich te nemen, neemt Ritsema niet in overweging. Dat het in Nederland nog steeds vooral de vrouwen zijn die minder gaan werken als de kinderen komen, komt volgens haar niet door een gebrek aan crèches maar doordat de Nederlandse moeder er bewust voor kiest veel tijd aan het kind te besteden. Vrouwen verdienen echter nog steeds minder dan mannen, mede als gevolg van ongelijke beloning. Voor veel stellen is dat, en niet de moederliefde van de vrouw, de reden te besluiten dat de vrouw minder gaat werken als de kinderen komen.

Beatrijs Ritsema: Als ze maar gelukkig zijn. Over kinderen, opvoeden en onderwijs. 204 blz. € 14,95